L.A. Rademaker (1872-1956) gaf een impressie uit God-Wereld -Leven. Gedachten van Benedictus de Spinoza

Leonard Albert Rademaker werd geboren in Sneek, bezocht het gymnasium in Doetinchem, studeerde theologie aan de Rijksuniversiteit te Utrecht en werd in 1897 als Nederlands Hervormd predikant bevestigd te Nieuw-Helvoet. In 1898 promoveerde hij op een proefschrift over Didericus Camphuysen. In 1900 legde hij het ambt neer, ging in de journalistiek en was vele jaren redacteur van Het Vaderland. [DBNL, KB kranten] Hij publiceerde diverse werken, soms een bundeling van artikelen die hij eerder schreef voor 'Het Vaderland': De stenen spreken: vrede; Crematie en het crematorium te Velsen. M. Nijhoff (1925); Waar bleven de tien stammen van Israël? Het antwoord van Bijbel en Cheopspyramide; Aan de poort van den nieuwen tijd. onze geestelijke en maatschappelijke revolutie De Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen, z.j., [1938] - DBNL]; Aan de poort van een nieuwe wereld. (Amsterdam, A. J. G. Strengholt N.V.. 1e druk 303 pp., z.j. [1940 - DBNL]); Zieners en profeten uit het Oosten. (A.J.G. Strengholt, Amsterdam, 1941); Lente in de logica: van materie tot mysterie, van mysterie tot religie [1946]

In Aan de poort van een nieuwe wereld dat in 1940 verscheen, wijdde hij een uitgebreide paragraaf aan Spinoza die hij schaarde onder "moderne godzoekers", waaronder hij ook Rudolf Steiner, Krishnamurti, Frank Buchman, schaarde die hij voor Spinoza behandelde. Wat Spinoza aangaat gaf hij een ruime samenvatting van het boek God – Wereld – Leven dat in 1935 voor de Societas Spinozana werd uitgegeven, met een inleiding door J.H. Carp en een nabeschouwing van J. D. Bierens de Haan. Het bevatte op het frontspice een fraaie ets van Spinoza, gemaakt door Heinrich Gottselig [cf blog met méér info]

Ik breng hieronder deze tekst, die een indruk geeft van de impact van dat boek én van de sterk religieuze inkleuring van Spinoza door Carp en Bierens de Haan, waar Rademaker wellicht nog een schepje bovenop deed.

                                     SPINOZA

Lang was de aarzeling bij het beantwoorden van de vraag, of de Wijze van Rijnsburg ons, die leven te midden van een geestelijke revolutie, iets te zeggen en als Licht in de duisternis mee te geven heeft.

Een belangrijk boek overwon de aarzeling.

Het heet God-Wereld -Leven. Gedachten van Benedictus [49] de Spinoza, uitgaaf van de Societas Spinozana, met inleiding en toelichting van dr J. H. Carp en nabeschouwing van dr J. D. Bierens de Haan.

Men kent den strijd om Spinoza, een strijd zoo fel, dat zijn volgelingen zelfs op zeer onspinozistische wijze uit elkaar zijn gegaan. De strijd gaat over de vraag: Is Spinoza een religieus denker geweest? Ja, of neen? Natuurlijk denken wij er niet over, ons in dezen strijd te mengen, doch enkel willen wij bescheidenlijk belijden, dat het voortreffelijke boek van Carp en Bierens de Haan, gesteund door aanhalingen uit Spinoza's geschriften zelf, ons ervan heeft overtuigd, dat de Wijze van Rijnsburg een diep godsdienstig en daardoor zeer gelukkig mensch is geweest. Wij zien hem nu als Renan hem zag, die, toen hij voor het Spinozahuis in Den Haag stond, zeide: „In dit huis is misschien God van dichterbij geschouwd."

Vermoedelijk onder den invloed van Spinoza's koelen betoogtrant hebben de auteurs dien aangehouden en het wetenschappelijk peil van het werk hoog gehouden. Niet dat laatste is te betreuren integendeel maar het zou niets aan hun bewonderenswaardigen arbeid geschaad hebben, als zij de diepe vreugde hadden geschetst, welke Spinoza moet hebben doorgloeid, toen hij in de „scientia intuïtiva" ( intuïtief weten) den weg vond naar de „Amor Dei intellectualis" (geestelijke Godsliefde) , welke hem 's menschen bestemming deden zien in het Laetari et Benefacere (Blijde zijn en weldoen ) en..... toepasser maakten van die geestelijke goederen in den dagelijkschen strijd van het leven. Misschien heeft Spinoza het een keer te kwaad gehad met haatgevoel, toen gepeupel zijn vrienden de De Witten vermoordde, maar Van der Spyk is vaste waarborg voor het „weldoen" van zijn commensaal en ds Colerus, bij wien Spinoza veel ter kerk ging, voor de verheven gemoedsrust van den voor aardsche aangelegenheden schier onaantastbaar geworden bezitter der „Beatitudo”, de gelukzaligheid, uit inzicht in Gods wezen geboren.

Hoe dit zij, Carp en Bierens de Haan lijken het onweerlegbaar bewijs te hebben geleverd: dat Spinoza alleen gekend kan worden uit zijn heele leer, dat de wijsgeer daarop recht [50] heeft en dat men hem en zijn leer nooit mag gebruiken voor eenig eenzijdig doel, wat ook.

Dat is maar al te vaak gebeurd. Men legde den nadruk op het Substantiebegrip in verband met het Cartesianisme, op het schijnbare naturalisme in verband met Hobbes, op zijn zedeleer als tegengestelde van het Calvinisme, maar de totaliteit van Spinoza's denken ging bij al die aanwendingen verloren, verzekert Bierens de Haan.

Daarom zal Spinoza voor een zeker deel der geesten de wegwijzer bij uitnemendheid naar God kunnen zijn. Ook hij leert immers, dat de weg naar God gaat over zelfkennis, zelfverloochening en zelfbehoud door die innerlijke verandering, welke God lief te hebben boven alles en den naaste als ons zelven tot hoogste levenstaak maakt.

Wat de moderne Godzoekers hierboven hebben gebracht, de goed-begrepen Spinoza had het ons al eerder kunnen geven. Hoe zou het ook anders kunnen, daar God is de Onveranderlijke. Daarom spreken dan ook ten slotte allen die God vonden dezelfde taal van stamelende verrukking.

De Spinozistische beschouwingswijze is, meent dr Carp, een richting van denken, die tot de eeuwige denktypen behoort: de mensch vloeit in zijn subjectieve gesteldheid uit het ontvouwingsproces der Goddelijke Rede voort en keert in een ontwikkelingsgang van inzicht, ontstegen aan individueele bepaaldheid, tot den Logos ( Goddelijke Rede) terug.

Het Spinozisme is dynamisch, want de openbaring Gods in alles, in het veel-eene, is een eeuwig proces.

Het Spinozisme brengt religie en wijsgeerige bezinning tot volkomen harmonie en het is daarom een religieuze beschouwingswijze, welke tusschen God en mensch geen gezag van middelaar of overlevering aanvaardt, zooals Spinoza het uitdrukt in zijn Korte Verhandeling: „Dat God om zig zelfs aan de menschen bekend te maaken: nog woorden, nog miraculen, nog eenig ander geschaapen dink kan of behoeft te gebruyken: maar alleen zig zelve.

Spinozist is dan ook, meent Carp, hij, die het dynamische in wereld en leven vermag te verstaan: het dynamische als het streven van alle openbaringswijzen Gods om haar nood-[51]wendige plaats en werkzaamheid in het oneindig levensverband te vervullen, de drang van al wat is tot zelfhandhaving, niet ter wille van eigen begrensde individualiteit, maar als onmisbare schakel in den keten van het oneindig Geheel, de „grosse Harmonie" waarvan het individueele „nur ein Ton, eine Schattierung" is, het individueele dat op zichzelf beschouwd niet anders dan „ein toter Buchstabe" ( Goethe) zou zijn.

God is, volgens Spinoza, de eerste en eenige oorzaak van al ons goed en een vrijmaker van al ons kwaad.

Alleen door Zijn eigen kracht en mogendheid eeuwig en onvergankelijk is God, dien wij ook de Waarheid kunnen noemen. Buiten God is niets, zegt Spinoza, dat ons eenig heil kan geven en we leven in Hem.

God is een zelfbewust wezen en Hij openbaart zich uitsluitend volgens wetmatigheid van eigen wezen. God is grond van zichzelf en van de wereld.

Alles beweegt zich in God. Het wezen van den mensch, voorzoover hij denkt, is een openbaringswijze van het goddelijk Denken.

De geheele natuur is een eenheid, welker deelen, de lichamen, zich oneindig wijzigen, zonder dat de eenheid zelf verandert.

Niets is er, verklaart Spinoza, van welks bestaan wij meer verzekerd kunnen zijn dan van het volstrekt oneindig en volkomen Wezen, dat is van God. Gods bestaan is eeuwige waarheid en daarom is het Werkelijke het Volmaakte.

De mensch is wezenlijk in God, en kan niet zonder God bestaan noch begrepen worden; hij is een openbaringswijze, waarin het Goddelijk Wezen zich op een bepaalde en eindige wijze uitdrukt. De denkende mensch is een openbaringswijze van het Goddelijk Denken.

De mensch bezit het streven naar zelfhandhaving en deze uit zich, voorzoover drang des geestes, in redelijke bezinning. De mensch, die de verschijnselen in hun verband tot God doorschouwt, erlangt de hoogste menschelijke volmaaktheid.

De onvrije mensch is de mensch, die door zijn aandoe-[52]ningen wordt beheerscht, de vrije hij die door de rede zich leiden laat. De macht van den geest over de aandoeningen is de vrijheid van den geest. De inzichtvolle mensch wordt ternauwernood in zijn gemoedsrust gestoord, maar is zich van zichzelf en van de Goddelijke Orde in haar oneindige noodwendigheid bewust, of, zooals Carp het uitdrukt: „De mensch, die langs den weg van verdieping van inzicht wordt, wat hij is, is zichzelf; hij is bevrijd van alles wat zijn wezen vreemd is; hij heeft den stand van autonomie des geestes bereikt. Drukt de Bijbel hetzelfde niet uit door de moedigste menschenkreet ooit geslaakt: Als God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn?

Nadat, zegt Spinoza, de ervaring mij geleerd had, dat alles wat zich in het dagelijksch leven veelvuldig voordoet, ijdel was, besloot ik mij te bezinnen over een waarachtig goed. Wie zijn verstand wel gebruikt, moet noodzakelijk God leeren kennen en hoe meer de mensch op den weg van doorschouwend inzicht is voortgeschreden, des te beter zal hij zichzelf en God verstaan.

Bij Spinoza is, schrijft Bierens de Haan, religie de voltooiing van den weg der rede. Dezen weg ten einde gaande, vindt de mensch het bovenredelijk inzicht (door Spinoza scientia intuitiva genoemd, Rad.), waarin hij al het bestaande omspant en in een hoogere eenheid samenvat. 's Menschen rede, langs eigen weg der bewustwording aan haar einde gestegen, hervindt de eenheid met haar in de Lief de, den amor Dei intellectualis ( geestelijke Godsliefde) , welke als uitgaande van God is de lief de waarmee God Zichzelf bemint, doch die tot het bewustzijn van den mensch gekomen, is aanbidding en zaligheid. Spinoza's wijsbegeerte is -- wij citeeren weer Bierens de Haan — een mystiek, die werkt met wetenschappelijke begrippen. Daardoor heeft deze mystiek een universeel-Europeesch karakter en is zij bij geen der historische godsdiensten aangesloten, al is zij ook aan deze verwant. Deze wijsgeerige mystiek is geen mysticisme, want zij gaat den weg der rede; zij zoekt geen aansluiting bij occulte vermoedens, maar laat de rede haar weg vervolgen ten [53] wijsgeerigen geest en den amor Dei intellectualis.

Niets bevordert 's menschen welzijn meer, leert Spinoza dan de mensch. De mensch kan te zijner zelfhandhaving onmogelijk zich tot eigen bestaan beperken, noch kan hij leven zonder betrekking tot hetgeen rond hem is. De wetten van 's menschen hoogste goed is in gemeenschap met anderen het inzicht in de eenheid van den Geest met de geheele orde der natuur deelachtig te worden. Het geluk van den mensch vordert, dat ook vele anderen hetzelfde inzicht erlangen en in inzicht en streven samenstemmen.

Wie door vrees geleid wordt en het goede doet om het kwade te mijden, wordt niet door de rede geleid. Het hoogste goed van hen die de deugd betrachten, is kennis van God te erlangen als hoogste goed van alle menschen. De mensch kan tot zijn zelfhandhaving niets voortreffelijkers wenschen dan aller overeenstemming in alles, zoodat geest en lichaam van allen als het ware een geest en lichaam vormen.

Om eendrachtig te leven en elkander tot steun te zijn, is het noodzakelijk dat de menschen het in hun natuur geworteld recht prijsgeven en elkander waarborgen, dat zij niets zullen doen, wat een ander tot nadeel kan strekken (is dit niet het ideaal van den Volkenbond? R.).

De mensch moet zoowel zijn vermogen als zijn onvermogen leeren beseffen, opdat hij kan inzien, in hoever de rede de aandoeningen vermag te beheerschen. Hoe meer de mensch er naar streeft volgens de rede te leven, des te meer streeft hij er naar zich vrij te maken van hoopvolle verwachting en vrees, de wisselvalligheden des levens zooveel mogelijk te beheerschen en zijn handelingen te richten naar de raadslagen der rede.

Innerlijke bevrediging is het hoogste wat de mensch kan verlangen. Vreugde is op zichzelf goed, droefheid daarentegen slecht. Alleen een somber en mistroostig bijgeloof verbiedt den mensch levensvreugde te genieten. Vreugde kan nimmer slecht zijn, wanneer zij berust op het ware inzicht in 's menschen welzijn.

Wie onrecht met haat wil vergelden, leeft ongelukkig. [54] Wie daarentegen zich beijvert haat door liefde te overwinnen, strijdt met blijmoedigheid en is zeker van zijn slagen. Medelijden van een mensch, die volgens de rede leeft, is slecht en heeft geen nut, omdat hij het goede, waartoe het medelijden voert, ook reeds krachtens de rede wil volbrengen. De mensch wordt niet door wapenen maar door liefde en edelmoedigheid gewonnen; Om de menschen in liefde te verbinden is vooral noodig hetgeen tot religie en Godsvrucht behoort.

Gelukzaligheid is niet het loon der deugd, maar de deugd zelve.

De stem van Christus, leert Spinoza, kan Gods stem heeten, omdat hem het heilsplan Gods zonder woorden of verschijning onmiddellijk is geopenbaard. In dezen zin kunnen wij ook zeggen, dat de wijsheid Gods in Christus een menschelijke natuur heeft aangenomen en Christus de weg der verlossing is geweest. Ik moet u hier er aan herinneren, merkt Spinoza op, dat ik geenszins spreek van dat wat eenige kerken van Christus leeren en het ook niet bestrijd, want ik erken eerlijk, dat ik het niet begrijp. Nergens heb ik gelezen, dat God aan Christus verschenen is. Indien Mozes met God van aangezicht tot aangezicht sprak, zooals een man met zijn vriend (d.i. door middel van beide lichamen), dan heeft Christus met God van Geest tot Geest verkeerd.

Christus heeft, zooals wij moeten aannemen, de dingen waar en adaequaat begrepen, hoewel hij ook wetten in naam van God geschreven schijnt te hebben. Wanneer Christus werkelijk eens wetten voorschreef dan deed hij dat met het oog op de onwetendheid en halsstarrigheid van het volk.

Christus heeft niet zoozeer de uiterlijke handelingen als wel de gezindheid willen verbeteren. De geheele leer van Christus kan door ieder krachtens natuurlijk inzicht worden aanvaard.

Het zou te ver voeren, om aan te toonen, dat de buitenkerkelijke Godzoeker en Godvinder, die Spinoza is geweest, reeds den weg heeft gebaand, waarop zijn moderne tocht-[55]genooten zich thans bewegen. Genoemd worden slechts Krishnamurti, Inayat Khan, Larsen, Rom Landau, Wannee en ja...... tot op zekere hoogte ook de Möttlingers en Oxfordianen. Aller eisch is: wezensverandering, ommekeer naar God, naastenliefde, deeling van leed en vreugde; aller verzekerdheid, dat dit leidt tot de blijdschap en vrede in God, welke alle verstand te boven gaan, omdat God is geest.

Besloten worde met een getuigenis van Rudolf Eucken omtrent Benedictus de Spinoza:

Een eenvoudig en stil heldendom was dezen Wijze beschoren; in een leven vol ontbering moest hij de rust en de meerderheid van den geest, geëischt door zijn wetenschappelijke overtuiging uitdragen. En dat heeft hij gedaan. Een volstrekt één worden van leven en leer heeft aan zijn leven die volledige waarachtigheid geschonken, welke wij met even groote vreugde bij de Ouden bewonderen als wij haar bij vele Nieuweren smartelijk missen."

Bij de Nieuweren — het kan zijn — maar niet bij de Nieuwsten, gelukkig!

Uit: DR. L. A. RADEMAKER, AAN DE POORT VAN EEN NIEUWE WERELD. Amsterdam, A. J. G. Strengholt N.V.., z.j. [ca. 1938/1939], 303 pp. [PDF bij DBNL]