Kromowidjojo van Nederlands Spinozisme gaat voor goud

Vanmiddag om 16:00 bij Wijsbegeerte op de Oude Turfmarkt 147 te Amsterdam, zal Manon Schotman haar masterscriptie verdedigen. De scriptie draagt de titel: Spinoza’s fundering van kennis. Ik had aanvankelijk het plan die bijeenkomst bij te wonen, maar dat lukte me niet. Uit enige e-mails die we met elkaar wisselden maak ik dit blog. Ze is ermee akkoord (“leuk”) dat ik haar scriptie die ik met genoegen heb gelezen, voor de geïnteresseerden op benedictusdespinoza.nl aanbied.

In mijn ogen had ze juist gezien dat in het samen één-ding-zijn van de modi der attributen en het zijn in God van alles, Spinoza onze kennis fundeert. Ze beschrijft uitgebreid eerst Descartes kennisfundering en daarna Spinoza’s kritiek daarop. Ik had wel tijdens het lezen af en toe het gevoel: wat jammer toch dat Manon er niet op wijst dat volgens Spinoza Descartes aan de verkeerde kant (bij zichzelf) begon en dat je bij God moet beginnen. Hoe verheugd was ik om precies dat (uit E2p10schol) in het conclusiehoofdstuk (8) toch te lezen.  

Grappig vond ik haar aanname dat Spinoza de attributen met hoofdletters schreef uit een soort verering voor God die je immers ook met hoofdletter schrijft. Dat had ik nog nooit ergens gehoord of gelezen en is wat mij betreft uniek van haar! De interpretatie van Gueroult dat die hoofdletters een signaal zouden zijn dat het daar uitdrukkelijk over de mens gaat en niet over andere dingen, was haar niet bekend, waarop ze schrijft: “ik heb me ook expres niet al te veel op de secundaire literatuur gericht, omdat ik me niet wilde laten verwarren met allemaal andere interpretaties. Ik las ook pas tegen het einde van mijn scriptie dat iemand als Nadler eigenlijk dezelfde argumentatie volgt voor Spinoza's fundering van kennis. Het was maar goed ook dat ik dat niet eerder wist, anders had ik waarschijnlijk minder motivatie gehad om het te schrijven.”

Dan hadden we enige discussie over een belangrijk aspect van haar scriptie, waarin ze onbeschroomd en veelvuldig spreekt over “De mens als deel van God” (titel hoofdstuk 4). De Substantie en God zijn echter niet deelbaar, kunnen niet verdeeld worden. De verhouding deeltjes – geheel kan dan alleen metaforisch, niet letterlijk toegepast worden. De brief aan Oldenburg (32) over “het wormpje in het bloed” is daarover een mooi verhaal. Spinoza spreekt, zoals ook Manon uiteraard weet, van modi; en inderdaad heeft hij het alleen over modi der attributen en nooit van de substantie of van God. Guerouilt was de eerste die suggereerde dat Spinoza bedoelde dat de res singulares, de singuliere dingen, modi van de substantie waren. En Yitzhak Melamed is bij mijn weten de eerste [ik las het in zijn proefschrift] die spreekt van God-modi. We zijn allemaal niet deeltjes maar modi van God.

Daarop reageerde Manon met: “Ik weet wel dat mijn interpretatie van de mens als een deel van God omstreden is, en daar heb ik het ook veelvuldig met mijn begeleider over gehad. Ik ben echter niet zo makkelijk van mijn stuk te brengen.;). Ik weet dat de substantie, en daarmee God, ondeelbaar is en dat er volgens Spinoza dus ook niet zoiets als een vacuum bestaat (waaruit zou kunnen volgen dat de deeltjes uit elkaar zouden kunnen worden gehaald). Omdat de substantie slechts een soort 'ding' is, kunnen er ook niet verschillende elementen (zoals verschillende soorten moleculen) van elkaar worden gescheiden. Maar betekent dat ook niet dat de mens en God hetzelfde ding zijn, alleen dat God nog meer dingen omvat dan de mens - dat de mens dus een deel is van God? Inderdaad zou ik kunnen kiezen voor de formulering 'de mens als modus van God', maar wat zou dat dan precies betekenen? Het begrip modus is voor mij te onduidelijk om als uitleg te fungeren. De mens is echter een denkend en een uitgebreid ding, net als God dat is. Bovendien zegt Spinoza zelf (zie blz. 33) in brief 32 naar Oldenburg dat 'het menselijk lichaam een deel is van de natuur' en dat de menselijk geest ook een deel is van de natuur. Om Spinoza's monisme niet teniet te doen, denk ik dat er dan geen andere interpretatie mogelijk is als de interpretatie van de mens als een deel van God. Maar ik ben benieuwd of je hier een andere mening over hebt.”

Ik wees haar nog op een kleinigheidje, namelijk haar manier van spreken, bijv. op p. 35: “Het feit dat de mens een stukje van de Goddelijke substantie vormt en via de menselijke geest een uitdrukking geeft aan het attribuut Denken en via het menselijk lichaam een uitdrukking geeft aan het attribuut Uitgebreidheid, vormt een belangrijke voorwaarde voor Spinoza’s fundering van kennis.” Hier draait ze a.h.w. de verhoudingen om. Maar je dient telkens te beginnen bij God. Dus niet de mens drukt die attributen uit, maar het is God die met zijn attributen zich in en via de dingen, de mens dus, uitdrukt in de Uitgebreidheid en het Denken. Daarop reageerde ze met: “Ik zie nu inderdaad dat mijn gebruik van het woord 'voorwaarde' hier een beetje ongelukkig is. Ik draai het zo inderdaad om; foutje.”
Kortom, de lezer van haar masterscriptie weet nu hoe ze die passage alsnog in gedachten veranderd heeft.

Vanwege het, zoals hierboven blijkt, lekker standvastig overeind blijven en het feit dat ze “niet zo makkelijk van haar stuk te brengen” is, noemde ik haar de Kromowidjojo van het Nederlands Spinozisme. Ja, ze hoopt straks net zo “cool, calm and collected” als Kromowidjojo te zijn.

Ik wens haar ook langs deze weg een succesrijke verdediging van haar masterscriptie toe.

[Over haar ging het blog van 3 dec. 2009: Spinoza-meisje gevonden]

Reacties

Stan, ik heb Schotman's scriptie met interesse gelezen, heldere stijl en goed geargumenteerd, m.n. haar argumentatie tegen De Dijn's transcendente interpretatie van de natura naturans zijn lezenswaard. Uiteraard kan ik niet nalaten enkele kanttekeningen te plaatsen:
1. Hoewel ze in hoofdstuk 3 Spinoza's monisme een 'cruciaal gegeven' in haar interpretatie van Spinoza's epistemologie noemt, ontbreekt de verwijzing naar Spinoza's monisme-stelling E1p14 in haar scriptie. Door Curley - zijn werk wordt in de scriptie niet genoemd - wordt deze stelling de sleutelstelling van Deel 1 van de Ethica genoemd, omdat ze de meest spinozistische is, rijk in systematische verbindingen en raadselachtig in betekenis en en bedoeling (Behind the Geometrical Method, blz 60). In hoofdstuk 2 geeft ze een helder overzicht van de epistemologie van Descartes, om tegen deze achtergrond het contrast met Spinoza goed tot zijn recht te laten komen. Curley gaat in bovengenoemd werk op gelijke wijze te werk, en wijdt vervolgens 2 paragrafen ( I.4-5) aan monisme-stelling E1p14. Jammer dat we dus Schotman's opvatting over de Curley-interpretatie moeten missen.
2. Ze verwijst op blz 22-23 een aantal malen naar het werk van Andreas Schmidt. Deze wordt afwisselend 'Smith' en 'Smidt' genoemd. In de literatuurlijst wordt zijn naam eveneens fout gespeld en wordt vermeld dat zijn artikel in de 'Cambridge Companion to Spinoza' uit 1996 staat, dit moet zijn: 'The Cambridge Companion tot Spinoza's Ethics', uit 2009.

Leuke waarderende en kritische beoordeling Adrie.
Je laatste punt (over de verwijzing naar Andreas Schmidt) had ik ook gezien (maar liet ik zitten); ik heb goede herinneringen aan dat zeer boeiende hoofdstuk van hem.
Zoals je misschien aan haar reactie naar mij in het blog gezien hebt, had ze ervoor gekozen zoveel mogelijk zelf te doen en zich zo weinig mogelijk door secundaire literatuur te laten afleiden. Dat ís te begrijpen voor een student met ambitie om de dingen zelf te ontdekken, maar is ook riskant - dat je namelijk heel belangrijke inzichten mist. Bijvoorbeeld die van Curley die je aanhaalt (ga ik zelf ook nog eens goed naar kijken!)

Manon Schotmans “Spinoza’s fundering van kennis” is een heldere, stilistisch vlekkeloze en uitstekend opgebouwde scriptie.

[Om deze reactie die ik 14 sept 2014 via de e-mail ontving te kunne plaatsen, opende ik voor even het reactieformulier, daarna gaat het blog weer op slot - Stan Verdult]

Reageren

Naam   E-mail Mijn url
Voer onderstaande code hiernaast in:
3e52be
Onthoud mijn gegevens!