Karl Thomas (d. 1873) Een volkomen vergeten Spinoza geleerde [2]

Maar zie, "volkomen vergeten", is nu ook weer niet helemaal waar - dat moet gewijzigd worden in "bijna vergeten", want verder zoekend - op "Karl Thomas" - al dan niet met boektitel - stuitte ik er niet op, maar "Johann Friedrich Herbart, Ueber Spinoza's Ethik" bracht mij hem wel: de link met het hoofdstuk dat iemand (wellicht de auteur zelf? ja zo blijkt op zijn website) zo vriendelijk was op internet te plaatsen, te weten:

Ulrich Johannes Schneider, "Spinoza in der deutschen Philosophiegeschichtsschreibung 1800-1850." In: Hanna Delf, Julius H. Schoeps & Manfred Walther (Hrsg.), Spinoza in der europäischen Geistesgeschichte. Edition Hentrich, 1994 [PDF, verplaatst PDF]. Het boek is de verzameling papers van het in 1993 aan het Moses Mendelssohn-Zentrum für Europäisch-Jüdische Studien te Potsdam gehouden symposium met dezelfde titel. Het bevatte bijdragen van Yirimiyahu Yovel, Francon Biasutti, Marianne Awerbuch, Wim Klever, Pierre-François Moreau, Ursula Goldenbaum, Cornelia Buschmann, Winfried Schröder, Achim Engstler, Andreas B. Kilcher, Horst Folkers, Walter E. Ehrhardt, Martin Bollacher, Gabrielle von Glasenapp, Ulrich von Glasenapp, Ulrich Johannes Schneider, Eveline Goodman-Thau, Manfred Lauermann, Regine Kather, Manfred Walther [Cf. en Duitse Spinoza-bibliografie].

In precies dat hoofdstuk dat ik nodig had van Ulrich J. Schneider is het volgende te lezen over Karl Thomas:

"Die Mehrzahl der in der ersten Hälfte des 19. Jahrhunderts veröffentlichten deutschen Abhandlungen über Spinozas Philosophie erheben sie zum Vergleichspunkt der modernen bzw. der jüngsten Philosophie und sind in diesem Sinne bereits historisch orientiert. Das Verhältnis des Spinozismus „zu den Hauptsystemen der neueren Philosophie", wie Gottlieb Friedrich Ernst Schönborn schrieb (vermutlich ebenfalls im Anschluß an die dänische Preisfrage), wurde von den einen als ein Verhältnis zu Descartes und Leibniz, von den anderen als eines zu Kant, Fichte, Schelling und Hegel begriffen. „Spinoza als Metaphysiker", so der Titel einer Schrift von 1840, wurde auf dem Schachbrett der philosophischen Hauptprobleme hin- und hergeschoben, verteidigt, erörtert oder abgelehnt.16 Was die Hauptprobleme der Philosophie seien, wurde in diesem Zusammenhang aber erst definiert und zum historiographischen Maßstab entwickelt.

Wie sehr die Spinoza-Abhandlungen des frühen 19. Jahrhunderts noch aus dem Gesichtspunkt des Streits und Vergleichs ihre hauptsächlichen Argumente ziehen, müßte im einzelnen untersucht werden. etc."

Op naar de betreffende eindnoot:

16 Karl Thomas, Spinoza als Metaphysiker, vom Standpunkte der historischen Kritik, Königsberg 1840. In der Leipziger Philosophischen Fakultät gab diese Schrift zu einer Preisfrage Anlaß: „Quum plerorumque metaphysices a Spinoza propositae interpretatio nuper in dubium vocata sit (cf. Thomas, Spinoza als Metaphysiker etc.) indagetur quid argumenta contra communem de illo systemate sententiam prolata valeant et quid de ejus vero sensu statuendum sit." Von dem Vorgang sind nur die von den Professoren Moritz Drobisch und Gustav Hartenstein verfaßten Gutachten (datiert 1. 9. 1846) über zwei eingereichte, aber für ungenügend befundene Schriften vorhanden (Universitäts-archiv Leipzig: Phil.Fak. D5/50, Bd. 1, 81. 61f.).

 

Thomas' boek was dus in zijn eigen tijd wel degelijk opgevallen en zelfs aanleiding voor een prijsvraag van de filosofische faculteit van de universiteit van Leipzig, waarin gevraagd werd: Aangezien de meerderheid der interpretatie-voorstellen van de metafysica van Spinoza onlangs ter discussie werd gesteld (zie Thomas, Spinoza als Metaphysiker etc.) dient te worden opgehelderd wat de argumenten zijn die tegen de algemene opvatting van het systeem worden ingebracht, en wat als de ware betekenis ervan kan worden gezien.

Hoe dan ook raakte Karl Thomas spoedig toch vooral in de vergetelheid.

Ulrich J. Schneider laat zien dat de door de Pantheismusstreit opgekomen interesse in Spinoza niet meer verdwijnt - integendeel die wordt sterker en ook pantheïsme-beschuldigen krijgen almaar meer invloed. Geleidelijk aan verdwijnt het aantal (veroordelende) theologen uit het Spinozadebat en het zijn juist theologen die in die tijd de volledige uitgaven van Spinoza's werken verzorgen (Paulus, Bruder) of vertaling ervan (Stern). Het accent in de verhandelingen komt op filosofiehistorische presentatie te liggen. Er heeft een  verschuiving plaats van dichters en intellectuelen naar universitaire filosofieprofessoren. Schneider meldt dat wel ca. 30 teksten te tellen zijn die Spinoza in historisch verband behandelen. In het algemeen wordt de prominente plaats van Spinoza erkend. Centraal staat i.h.a. Spinoza's verwerking en doorwerking van Descartes. Opvallend zijn Ludwig Feuerbach's uitvoerige behandeling van Spinoza in zijn Philosophiegeschichte (1833) en Sigwarts Der Spinozismus, historisch und philosophisch erläutert (1839).

Ook uit dit overigens interessante hoofdstuk van Ulrich J. Schneider krijg ik niet de indruk dat het werk van Thomas ingekeken is. Als in dat hoofdstuk te lezen is dat in de eerste helft van de 19e eeuw nog nauwelijks naar Spinoza's andere geschriften werd omgezien, werd dus niet opgemerkt dat juist Thomas daarop een uitzondering vormde: hij las de Ethica juist heel sterk vanuit de TIE (die hij heel intensief bestudeerde en serieus nam) en de Brieven. Daarover verder in een volgend blog.

                                                    * * *

[Om toch iets van een illustratie te hebben, nam ik een deel van een affiche van een vorig jaar gehouden conferentie]