Karl Christian Friedrich Krause (1781 - 1832) muntte de term 'panentheïsme'

De naam van Krause kwam wel een enkele keer voorbij in een blog [zie de verwijzingen erheen onderaan], maar voor een apart blog over hem was eigenlijk geen aanleiding.

De rouwkaart van Jan Knol, die morgen begraven wordt, werd voor mij aanleiding om nu een kort blog aan deze Krause te wijden. Die stelling van Spinoza op Jan’s rouwkaart

Al wat is, is in God, en niets kan zonder God zijn, noch begrepen worden [Quicquid est, in Deo est et nihil sine Deo esse neque concipi potest. Ethica 1/15]

wordt namelijk gezien als Spinoza’s aanhangen van het panentheïsme, een term die overigens in Spinoza’s tijd nog niet bestond – net als pantheïsme niet waarvan hij als de belangrijkste vertegenwoordiger zou worden gezien.

De Kantiaanse filosoof en mysticus Karl Christian Friedrich Krause, die berucht was om het gemak waarmee hij allerlei neologismen vormde, had tamelijk succes met de term ‘panentheïsme’ die hij muntte. Hij deed dat enige tijd na de zgn. Pantheismusstreit die in Duitsland had gewoed.

In zijn boek Das Urbild der Menschheit (1811) kwam hij met deze term om zijn eigen positie aan te duiden: tussen enerzijds het theïsme en anderzijds het pantheïsme. Correctie zie onder *). Met het pantheïsme stemt het panentheïsme overeen dat God immanent, n.l. in de wereld, is, maar met het theïsme stemt het overeen dat deze immanentie niet absoluut is, maar dat God méér is dan de verzameling van al wat feitelijk bestaat: De schepping is wel ‘in God’, maar God gaat niet op in zijn schepping. Het werd een relatief aantrekkelijke, maar nog niet zo eenvoudig in te denken, opstelling. Er is namelijk geen sprake van een gescheidenheid of volkomen apartheid van God van de wereld (zoals bij het traditionele theïsme), maar ook is er geen volstrekte identificatie van God met de wereld (zoals bij het pantheïsme).

In de Pantheismusstreit, ook wel als Spinozastreit aangeduid, aan het eind van de achttiende eeuw worstelden de romantici en idealisten met een aantal aspecten van de filosofie van Spinoza waardoor ze gefascineerd waren.

God was de ene substantie en alle dingen zijn 'modi' of' affecties' van God [1/Def3]. God is niet de buiten of boven blijvende (transcendente) schepper, maar de immanente oorzaak van alle dingen [1/18]. Daar alles bepaald is door God [1/29, 33], en alle dingen modi zijn van God, zou Spinoza moeite hebben met het vaststellen van de ontologische status van individuele dingen: alles is modi van de ene substantie en niets heeft een geheel eigen, onderscheidend of substantieel zijn. Verder was voor hem de wereld perfect, want z'n bestaan ontvangend van een perfect wezen [1/33; 3/Praef.]. Deze dingen konden de romantici – gezien ook hun hang naar vrijheid – niet of moeilijk onderschrijven. Maar daar Spinoza ook de geciteerde formule kon gebruiken: "alles is in God etc. [1/15], was een zekere verzoening mogelijk. Zo bracht Krause het.

Krause´s vertrekpunt was Fichte´s subjectieve ‘Ik’. Hij was van mening dat iedereen die zich zijn of haar eindigheid realiseert, tegelijk een geestelijke intuïtie van de oneindige God moet hebben – het beginsel van waaruit alles voortkomt. Met Schelling, de denker van het 'objectieve idealisme', typeerde Krause God als het Urwesen dat voorbij elk dualisme bestond, maar tegelijk als Gegenwesen én Vereinwesen moest worden gezien [wie zei dat het panentheìsme iets eenvoudigs was.?]. Hij benadrukte dat God (van de positie van God uit gezien) méér bevatte dan manifest is in de wereld. Tegelijk was Gods activiteit gemotiveerd door de goddelijke liefde die aanwezig is in alle levenden en dezen geheel naar zich toetrekt - vooral het menselijk leven; het vrome streven naar vereniging met God (Gottesinnigkeit) is daar de uitdrukking van.

Hij zocht met die term - net als andere theologen - een middenweg tussen het bovennatuurlijke van Leibniz en het pantheïsme dat Spinoza zou voorstaan.

Hegel was hem hier met zijn godsconcept te hulp gekomen; daarin heroverwoog hij het idee van de goddelijke causaliteit en goddelijke perfectie en 'redde' zo de subjectiviteit van God. Hij nam het idee van Spinoza over dat Gods oneindigheid de eindige wereld omvatte (in plaats van het buiten te sluiten). Als God werkelijk oneindig is moet hij op een of andere manier het fysische universum omvatten. Dat deed hij door het dogma van de Triniteit om te vormen in een universele God-wereld verhouding. Een wereld scheppen is geen vrije optie van God, maar een implicatie van de zich-zelf-gevende natuur van God. Het behoort tot Gods perfectie het eindige in te sluiten. Het Absolute zijnde (God de 'Vader') is niet de op afstand blijvende onbereikbare godheid van een eerste oorzaak, maar …etc. (zo is ’t wel genoeg, dunkt me).

___________________

Gebruik gemaakt van

plato.stanford.edu/entries/panentheism/ 

David H. Nikkel lemma Panentheism in Encyclopedia of Science and Religion (2003, cf.)

Panentheism, lemma in New World Encyclopedia [cf.]

Neils H. Gregersen, "Three Varieties of Panentheism," in: Philip Clayton & Arthur Robert Peacocke (Eds.), In Whom We Live and Move and Have Our Being: Panentheistic Reflections on God's Presence in a Scientific World. Wm. B. Eerdmans Publishing, 2004, p. 19-35.  –  books,google

Harry Willemsen & Peter de Wind, Woordenboek Filosofie. Geheel herziene en aangevulde uitgave. Maklu, 2015 - books.google

______________

*) Correctie
Deze informatie nam ik over uit Harry Willemsen & Peter de Wind, Woordenboek Filosofie, maar dat bljkt fout te zijn. Das Urbild der Menschheit is in een uitgave uit 1851 als PDF te raadplegen  op deze vrijmetselaarssite en daarin blijkt de term - en thematiek - helemaal niet voor te komen. Op die site wordt beweerd dat hij in "Vorlesungen über das System der Philosophie" gehouden in 1828 het begrip 'Panentheismus' ontwikkelde. Maar in het hierboven genoemde boek van Clayton & Peacocke is te lezen dat hij dat deed in "Vorlesungen über die Grundwahrheiten der Wissenschaft"
(Göttingen, 1829).

Verder is er nog deze eindnoot bij de inleiding van hetzelfde boek die nog meer onduidelijkheid geeft over de herkomst van de term:
12. Krause used the word in a work of 1829: see Gregersen's paper in this volume; cf. Gunter Meckenstock, "Some Remarks on Pantheism and Panentheism," in Traditional Theism and Its Modern Alternatives, ed. Svend Andersen (Aarhus: Aarhus University Press, 1994), pp. 117-19, at 121. Naughton [E. Russel Naughton, "Panentheism," in New Catholic Encyclopedia, vol. 10 (New York: McGraw-Hill, 1967)], p. 944, claims the term was also used by Friedrich Jacobi (1743-1819); H. Maurice Relton, Studies in Christian Doctrine (London: Macmillan; New York: St. Martin's Press, 1960). p. 55, claims the term was also used by Baader.
Kortom, verwarring alom (?)

Blogs waarin Karl Christian Friedrich Krause voorkwam 

"Daarentegen verzekert P. Siweck, "Spinoza e.l. panth. rel." p. 258 dat het pantheïsme van Spinoza niets gemeen heeft met het panentheïsme (al-in-God-leer) van K. Ch. F. Krause (gest. 1832), welke dien term heeft bedacht." [blog van 7-10-2014: K. H. E. de Jong (1872 - 1960) stelde Spinoza voor als pansubstantialist]

Via Thorbecke's stimuleren van het werk van Karl Christian Friedrich Krause, heeft hij mede aan de wieg gestaan van het ontluiken van de Spinozastudie in de 19e eeuw. [cf. blog]

Antonio Zozaya (1859 - 1943) was enthousiast aanhanger van de Duitse auteur en filosoof Karl Christian Friedrich Krause (1781-1832) die zijn naam gaf aan het Krausisme, dat vooral in het Spanje van de 19de eeuw belangrijk was voor de hervorming van de staatsinstellingen [cf. blog]  

Op voorstel van Thorbecke bestudeert Dionijs Burger de werken van Karl Christian Friedrich Krause, een in maçonnieke kring op handen gedragen filosoof. Zijn liefde voor de wijsbegeerte is versterkt en brengt hem ook naar Spinoza. [cf. blog 

Reacties

Stan,
Maarten van Buuren geeft in zijn boek 'Erfenis zonder testament', dat hij samen met Hans Achterhuis schreef, op blz. 24 een m.i. zinnige interpretatie van de termen panentheïsme en pantheïsme:
1. P a n e n t h e ï s m e (Gr. pan en theos = alle in god) 'beschouwt de goddelijke keten van oorzaak-gevolg van de kant van de gevolgen: alle natuurlijke verschijnselen (gevolgen) zijn in God (oorzaak)'.
M.i. betekent dit: panentheïsme = Natura naturata (E1p29s).
2. P a n t h e ï s m e 'beschouwt dezelfde keten van de andere kant en redeneert dat God (oorzaak) in alle natuurlijke verschijnselen (gevolgen) is'.
M.i. betekent dit: pantheïsme = Natura naturans.
Deze interpretatie schept voor mij helderheid voor een bruikbaar begrip, en helpt om de warrige discussie van Krause c.s. die je zo fraai hebt weergegeven, achter ons te laten.

Adrie, het is uiteraard je goed recht om een bepaalde uitleg van termen vruchtbaar en bruikbaar te achten. Maar je kunt (althans ik kan) niet zomaar voorbijgaan aan de bedoeling van degenen die een bepaald begrip muntte. Begrippen hebben een geschiedenis en de ideeëngeschiedenis probeert die te beschrijven. In de uitleg van Maarten van Buuren verdwijnt de (existentiële en intentionele) bedoeling uit beeld om met panentheïsme een benadering van de samenhang tussen God en wereld te krijgen en te begrijpen tussen theïsme en pantheïsme in. [Zoals ik in het blog toelicht).
Van Buuren maakt er twee verschillende perspectieven van op wat volgens hem hetzelfde is: n.l. het beschrijven van de oorzaak-gevolg-relatie – de ene keer bekeken vanuit het gevolg (panentheïsme) de andere keer vanuit de oorzaak (pantheïsme). Inhoudelijk beschrijven beide in zijn ogen hetzelfde en zijn dan ook (afgezien van de blikrichting) volgens hem hetzelfde. Die indruk geeft hij in sterkere mate in zijn Spinoza-boek, waarin hij op p. 31 de begrippen eveneens behandelt. Veelzeggend vind ik hoe hij pantheïsme daar uitlegt als ‘God is [in] alles. Zo, met dat ingelaste ‘in’ laat hij pantheïsme heel erg op panentheïsme lijken. Maar het pantheïsme ging het er juist om te benadrukken dat alles God is en God alles is.

Jouw conclusie dat panentheïsme staat voor Natura naturata, en pantheïsme voor natura naturans, verwijdert ons wellicht nog verder van de historische betekenissen. Als je die termen perse wilt invoeren in dit gesprek, zou het m.i. zo kunnen:
panentheïsme staat voor: Natura naturata is in de natura naturans (komt in de buurt van Spinoza’s positie, dunkt me);
pantheïsme staat voor Natura naturata en de natura naturans zijn een en hetzelfde (we kunnen dan dus zonder die onderscheiden begrippen).

Stan,
De historische benadering die je voorstaat maakt het begrip panentheïsme n.m.m. onnodig ingewikkeld. Immers, als het door Krause c.s. gemunt is om een over een begrip te beschikken dat tussen pantheïsme en theïsme in staat, dan verstond men tot aan de 19e eeuw onder het theïsme dat wat we tegenwoordig deïsme noemen, d.w.z. intelligent design zonder openbaringsgeloof, kortweg: teleologie. Het is de vraag of we dan voor Spinoza's filosofie nog überhaupt behoefte hebben aan het begrip panentheïsme - als dat wat staat tussen pantheïsme en dat wat tegenwoordig deïsme heet. Uiteraard is het wel nuttig in een discussie over de filosofie van Krause.

Adrie,
Ter beantwoording van de "vraag of we dan voor Spinoza's filosofie nog überhaupt behoefte hebben aan het begrip panentheïsme," wijs ik op Herman De Dijn. Als je iets van hem gelezen hebt, zal je gemerkt hebben dat hij Spinoza sterk panentheïstisch wil uitleggen - en dat in de oorspronkelijke (historische) betekenis ervan. Zo heeft bij hem de God van Spinoza een zekere transcendentie. Ik ben het daarmee niet eens, maar het gaat me hier slechts om de kennelijk bestaande relevantie om het begrip bij de uitleg van Spinoza te gebruiken.
Dat verschil tussen pantheïsme en panentheïsme (wat je bij De Dijn proeft) valt in de eigenzinnige uitleg van Van Buuren helemaal weg. Daarom heb je in mijn ogen weinig aan de manier waarop Van Buuren de begrippen uitlegt. Je kunt er niet omheen dat de begrippen in de historie opkwamen en in historische debatten hun functie vervulden. Waar dat in de toelichting geheel verdwijnt, schiet die 'gedehistoriseerde' uitleg tekort.

Jouw verhaal over de wijziging van theïsme in deïsme heeft hiermee weinig te maken (en wat de term teleologie daar moet, ontgaat mij geheel). Daar zou ik een heel verhaal over kunnen afsteken, maar dat leidt weg van het onderwerp, lijkt me.

Stan,
Wellicht komen we toch tot een zekere ordening. We gaan ervan uit dat er een verglijdende schaal is - opvatting De Dijn - tussen pantheïsme - panentheïsme - th(d)eïsme. Je krijgt dan ook een verglijdende schaal tussen immanentie en transcendentie - opvatting Krause/De Dijn - maar niet tussen werk- en doeloorzaken - opvatting Van Buuren - en niet tussen natura naturans naturata - mijn opvatting. Maar er is tussen de drie een zekere samenhang. Want de drieslag pantheïsme etc. gaan over oorzaken, en over de relatie tussen God en de Natuur.
Dus: pantheïsme : panentheisme : th(d)eïsme =
1. Kr/DeD- immanent : imma-/transcendent : transcendent =
2. VB - werkoorzaak : werkoorzaak : doeloorzaak =
3. AH - n.naturans : n.naturata : n.transnaturans (=bovennatuurlijk)
Bij 1. is er een verglijdende schaal, bij 2. en 3. een kloof tussen pantheïsme-panentheïsme en th(d)eïsme.