Jozef d'Ancona (1911 – 1945) over Spinoza in "Geschiedenis der Joden in Nederland" (1940)

Spinoza in de Nederlands-joodse historiografie # 14 

Eindelijk  verscheen in 1940, waar door velen lang naar was uitgezien, een nieuwe Geschiedenis der Joden in Nederland onder redactie van dr. Hk Brugmans en drs. A. Frank. Eerste deel (tot circa 1795). [Van Holkema & Warendorf, Amsterdam, 1940]. Van het tweede deel is het door de Tweede Wereldoorlog en de jodenvervolging niet meer gekomen.
De historicus Brugmans was de zoon van de bekende historicus Hajo Brugmans. Over A. Frank is verder niets bekend.

Beter dan hier als kop te nemen “Spinoza in Hk. Brugmans &A. Frank Geschiedenis der Joden in Nederland (1940)” leek het mij de aandacht te vestigen op de omvangrijke hoofdstukken die d’Ancona bijdroeg aan deze geschiedenis en daarom zijn naam in de titel op te nemen.

“Jozef d'Ancona werd op 27 augustus 1911 geboren te 's-Gravenhage als zoon van de Gazan der Port. lsr. Gemeente aldaar. Nadat hij aanvankelijk leerling was van de H.B.S. voelde hij zich sterk aangetrokken tot de Joods theologische studie en zo werd hij leerling aan het Port. Isr. Seminarium “Ets-Haïm”. Hij legde de verschillende examens met voortreffelijk resultaat af en werd tenslotte op 2 januari 1934 bevorderd tot Moré [voorganger]. Op 30 Nisan 5701 [1941] huwde hij met Josine Vredenburg [1912 - 2000], een dochter van de toenmalige Opperrabbijn van Gelderland. In 1940 werd hij benoemd tot adjunct-rabbijn der Port. Isr. Gemeente te Amsterdam en een jaar later tot Rabbijn. Zijn wetenschappelijke bekwaamheid blijkt duidelijk uit twee omvangrijke artikelen over de Port. Isr. Gemeente te Amsterdam in “Geschiedenis der Joden en Nederland" onder redactie van Dr. H. Brugmans en Drs. A. Frank. Hij werd gedeporteerd naar Bergen-Belsen, waar de dood op 9 Adar 5705 [22 februari 1945] een einde maakte aan een veel belovend jong leven.”
Aldus het korte levensbericht in
Bijdragen en Mededeelingen van het Genootschap voor de Joodsche Wetenschap in Nederland over dit korte leven van slechts 33 jaar. Hieraan is nog toe te voegen: hij kreeg een zoon, Joël Joseph, die op 8 september 1943 in het kamp Westerbork werd geboren en in Bergen-Belsen op 6 maart 1944 overleed, net geen half jaar oud. [van hier]

In het door hem geschreven levensbericht over Abraham M. Vaz Dias, deelde d'Ancona mee dat hij pas in mei 1938 intensief begon met het bestuderen van de geschiedenis van de Portugese gemeente te Amsterdam. Hij ondervond daarbij veel steun van Vaz Dias [zie vorig blog). Wellicht duidt dat erop dat hij toen gevraagd was voor en begon met schrijven aan de twee hoofdstukken die hij zou bijdragen aan het boek van Brugmans/Frank.

     

In H. Brugmans en A. Frank (Red.), Geschiedenis der Joden in Nederland (1940), zijn van het Tweede Boek, Hoofdstuk I, “Komst der Marranen in Noord-Nederland; de Portugese Gemeenten te Amsterdam tot de vereniging (1639),” [p. 201 – 260] en Hoofdstuk II, “De Portugese gemeente “Talmoed Tora” te Amsterdam tot 1795,” [p. 270 - 305] van de hand van J. d’Ancona.

Ik wil hier Jozef d'Ancona herdenken door zijn tekst over Spinoza in dit blog over te nemen:

Over Spinoza

“[279] Een treurige gebeurtenis speelde zich op 27 Juli 1656 in de synagoge af. Op die dag (6 Ab 5416) werd de ban uitgesproken over Baruch d'Espinosa, den later bekend geworden wijsgeer, die evenwel voor het Jodendom als een verloren zoon te beschouwen is. Wij zullen in dit hoofdstuk dan ook alleen nagaan, in hoeverre de jonge Spinoza als een kind van de toenmalige Portugees-Joodse gemeente tot zijn denkbeelden kwam en hoe hij de gemeente ontrouw kon worden. In het licht van de nieuwere onderzoekingen blijkt wel, hoe men ook op dit gebied tot nu toe gefantaseerd heeft.

De familie Espinosa behoorde sinds 1616 tot de aanzienlijkste in de Portugese gemeente. In het vorige hoofdstuk hebben wij reeds herhaaldelijk melding gemaakt van Abraham Jessurun Espinosa uit Nantes, o.a. bij het conflict van 1618, toen hij aan de zijde van de rationalistische Farar-partij stond en in Bet Jaäkob als parnas fungeerde. Hij werd ook enige malen door die gemeente afgevaardigd voor het beheer van de Imposta. Hij stond in nauwe relatie tot Chagam Morteira, wiens vrouw eveneens uit Nantes afkomstig was: toen Saul Levie Morteira in Augustus 1619 uit de hechtenis ontslagen werd — om welke reden hij gearresteerd was, is niet bekend — stelden Abraham Jessurun Espinosa en Jacob Belmonte zich voor hem borg 1). Toen Espinosa zelf eens in hechtenis genomen was (waarschijnlijk omdat hij ervan werd verdacht, in oneerbare verhouding tot zijn dienstmaagd te staan) en vervolgens 5 December 1620 voorwaardelijk in vrijheid gesteld werd, stelden Dr. Francisco [280] Lopes Rosa en Francisco Lopes d'Azevedo, d.i. Dr. David en Abraham Pharar zich voor hem borg, hetgeen opnieuw wijst op een vriendschappelijke relatie met deze leidende personen van de rationalistische richting.

Deze Abraham nu was een oom en tevens schoonvader van Michaël Espinosa, den vader van Baruch. Michaël was omstreeks 1587 in Portugal geboren en kwam vóór 1622 naar Amsterdam. Hij was Abrahams deelgenoot in zaken en had na diens dood in 1637 een geschil over de erfenis met een in Palestina woonachtigen zoon van den overledene. Hij maakte eveneens enkele malen deel uit van het bestuur van Bet Jaäkob en later van de verenigde gemeente, alsook van verschillende gemeentelijke instellingen. Hij had achtereenvolgens drie vrouwen, die alle nog tijdens zijn leven stierven en waarvan de tweede de moeder van den wijsgeer was.

Baruch (Bento, Benedictus) d'Espinosa (Spinoza) werd 24 November 1632 geboren. Toen hij nog geen zes jaar oud was, verloor hij zijn moeder. Nog andere naaste familieleden zag hij zich op jeugdige leeftijd ontvallen: in 1649 zijn halfbroer Izak, in 1651 zijn zuster Mirjam, die ruim een jaar tevoren gehuwd was met Samuel de Cas-seres (een leerling van Chagam Morteira, die bij de gemeente als wetschrijver in dienst was en bij het overlijden van Chagam Morteira de lijkrede over hem uitsprak; hij hertrouwde met een andere zuster van Spinoza, Rebekka). In 1652 stierf zijn stiefmoeder, die een nicht van Abraham Pharar was en 28 Maart 1654 zijn vader Michaël. Nog geruime tijd na de dood van zijn vader maakte Baruch deel uit van de gemeente; hij kreeg rekeningen wegens Imposta, was aangeslagen in de gemeentebelasting en offerde in de synagoge vrij aanzienlijke bedragen 2). Tezamen met zijn broer Abraham (Gabriël) zette hij de zaak van zijn vader voort, doch na twee jaar werd door Weesmeesteren van Amsterdam een voogd over hem benoemd, waarschijnlijk, omdat hij de crediteuren van zijn vader niet kon voldoen en hij zich op zijn minderjarigheid moest beroepen, om de gevolgen van het aanvaarden van de erfenis te ontgaan. Zijn financiële achteruitgang was oorzaak, dat hij in het voorjaar van 1656 niet meer aangeslagen werd in de kerkelijke belasting, terwijl waarschijn-[281]lijk mede daardoor het bedrag zijner offergelden ook zeer verminderde.

Door de nauwe relaties van zijn familie met de aanhangers van de rationalistische richting van Maimonides (Chagam Morteira, diens leerling de Caseres, Abraham Pharar) wordt het alleszins verklaarbaar, dat Baruch zulk een afkeer had van de Kabbala en aan het menselijk verstand ook in godsdienstige zaken zo veel betekenis toekende. Het is niet waarschijnlijk, dat hij een opleiding tot rabbijn gevolgd heeft; niettemin toont hij zich vrij goed op de hoogte van de werken van Maimonides en Ibn Ezra, alsook van de Hebreeuwse grammatica; hij kan zich die kennis moeilijk alleen door zelfstudie eigen gemaakt hebben.

Men heeft wel eens betwijfeld, of Spinoza door Joodse invloed tot zijn denkbeelden gekomen is. Ik meen te kunnen aantonen, dat dit niet alleen mogelijk, maar zelfs zo goed als zeker is. Het komt mij voor, dat op zijn afvalligheid vooral de werken van Delmedigo grote invloed hadden 3). Eén ervan, Abscondita Sapientiae, wordt uitdrukkelijk in de na zijn overlijden opgemaakte inventaris van zijn bibliotheek genoemd, het andere, Séfer Eliem, is waarschijnlijk het „Rabbinsch mathematisch boek", dat daar in de inventaris onmiddellijk op volgt en kon, daar het geen Latijnse titel draagt en vooral in de eerste uitgave veel mathematische figuren bevat, aldus omschreven worden. Wij hebben deze werken in het vorige hoofdstuk reeds genoemd en gezien, hoeveel opschudding het in 1629 te Amsterdam verwekte, toen Menasseh ben Israel Séfer Eliem ging drukken. Wanneer men de daar afgedrukte zeven punten van de twaalfde vraag van den Karaiet Zérach bar Natan vergelijkt met de eerste zeven hoofdstukken van Spinoza's oudste geschrift, de Korte Verhandeling, dan is de overeenkomst in de onderwerpen, hun volgorde en de indeling der hoofdstukken zo frappant, dat men zowel de oorspronkelijkheid van Spinoza's metaphysische denkbeelden als de tekstcritische fantasieën 4) ten aanzien van zijn eerste geesteskind ernstig gaat betwijfelen. Het is zo goed als zeker, dat wij hier te doen hebben met antwoorden — misschien later onder invloed van [282] Descartes wat omgewerkt - op de vragen van Zérach. Daar Spinoza niet altijd de vragen nog eens kort samengevat heeft, maar soms als het ware met de deur in huis valt (zo bijv. in de aanhef: „Belangende dan het eerste... "), ligt het vermoeden voor de hand, dat hij de vragen bekend veronderstelt en dus zich tot Joodse lezers richt. Er is reden om aan te nemen, dat deze hoofdstukken uit zijn Joodse tijd dateren en dat deze hem de ban op de hals haalden. Inderdaad is er in de motivering van de ban sprake van verschrikkelijke ketterijen, die hij onderwezen heeft en uitdrukkelijk wordt verboden, enig geschrift, door hem vervaardigd, te lezen. Dat iemand, die o.a. de „creatio ex nihilo" loochende, die daardoor de basis van Jodendom en Christendom aantastte, uitgestoten werd, eist, gezien de toenmalige geestesgesteldheid, geen nadere verklaring.

Hoe kwam Baruch ertoe, Delmedigo's werken te bestuderen? Het is mogelijk, dat Menasseh ben Israel, die steeds grote eerbied voor Delmedigo had behouden 5) en zelf niet geheel vrij van diens denkbeelden schijnt 6), de schakel was. Opvallend is het nog, dat Heinrich OIdenburg, die in 1657 briefwisseling hield met Menasseh ben Israël 7), in 1661 Spinoza, die toen nog niets gepubliceerd had, in Rijnsburg opzocht.

Terzelfdertijd deed zich te Amsterdam nog een ander geval van afvalligheid voor. Op bevel van de maämad moest een zekere Dr. Daniel (Juan) de Prado in de zomer van 1656 in de synagoge een verklaring afleggen, dat hij er berouw van had, in woord en daad gezondigd te hebben tegen de wetten van God en dat hij de penitentie op zich nam, die de chagamiem hem zouden opleggen. De reden van dit besluit van de maïmad was, dat de Prado slechte opvattingen had gehad en weinig ijver had betoond in de dienst van God. Volgens Gebhardt zou hij invloed hebben geoefend op de ontwikkeling van Spinoza, waarvoor echter geen doorslaande bewijzen voorhanden zijn. Weliswaar wordt er in een volgend besluit melding van gemaakt, dat hij enige studerende jongelui had willen overhalen tot zijn verkeerde meningen, maar toen was Spinoza reeds verbannen. In dit laatste besluit wordt vermeld, dat hij 14 Februari 1657 in de ban gedaan was, doch dat hij op-[283]heffing daarvan verzocht, belovende, de penitentie te volbrengen, die men hem zou opleggen. De maämad besloot echter in overleg met chagamiem, dat hij alleen opheffing kon verkrijgen, indien hij met zijn familie naar overzeese gewesten zou gaan. Een beroep van de Prado op de Hamburgse maämad, opdat deze bij de Amsterdamse gemeente zou interveniëren, had geen succes (Mei 1657).

___________

1) S. Ullmann in Jahrbuch der jüd.-litt. Gesellschaft, V, (1907), p. 73.

2) A. M. Vaz Dias in Jaarverslag... Spinozahuis, XXXVIII, (1936).

3) Het ligt in mijn voornemen, dit elders uitvoeriger uiteen te zetten.

4) Stan. Dunin Borkowski in Chronicon Spinozanum, III, 's-Gravenhage, 1923, p. I08.

5) Vgl. Nisjmat Chajjiem, Amst. 5412, p. 36b.

6) Men zie zijn De creatione problemata, Amst. 1635, p. 24.

7) Dr. Cecil Roth, Anglo-jewish letters (1158-1917), London, 1938, p. 49.

                                             * * *

In zijn recensie van dit boek, “Een standaardwerk over de geschiedenis der Joden in Nederland.” [In: Tijdschrift voor geschiedenis, 55e jaargang (1940), p. 285 -290. - hier] zegt Sigmund Seeligmann over de bijdragen van d’Ancona het volgende (over zijn Spinoza-beeld zegt hij niets):

“In dit verband wil ik opmerken, dat J. d'Ancona in zijn hoofdstukken “Komst der Marranen in Noord-Nederland; de Portugese Gemeenten te Amsterdam tot de vereeniging [sic] (1639),” en De Portugese gemeente “Talmoed Tora” te Amsterdam tot 1795” menig nieuw gegeven uit archieven voor de geschiedenis der Sephardiem naar voren heeft gebracht, toch blijven tal van verklaringen hypothesen. Als geheel mist men synthetische conclusies en beoordeeling der vermelde gebeurtenisen door den geschiedschrijver."[p. 289]

                                                * * *

Wat hij in de 3e voetnoot aankondigde was:

J. d’Ancona: “DELMEDIGO, MENASSEH BEN ISRAEL EN SPINOZA”, in: Bijdragen en Mededeelingen van het Genootschap voor de Joodsche Wetenschap in Nederland, nr 6, 1940, p. 105 – 152 [PDF-1 & PDF-2]

Opmerkelijk is dat d'Ancona zich zó in Delmedigo heeft verdiept, dat hij ervan overtuigd is dat Spinoza door hem beïnvloed is. Nog opmerkelijker vind ik het dat hij aanneemt dat de KV voor een joods publiek zou zijn geschreven. Hij kan niet zien hoe de structuur en hele opzet van de KV zo sterk calvinistisch scholastiek georiënteerd is dat geïntendeerde christelijke lezers wellicht toch meer voor de hand ligt. Maar interessant vind ik hieruit te kunnen afleiden dat er kennelijk grote overeenstemming is bij zowel joden als christenen uit de 17e eeuw over hoe een theologisch traktaat opgebouwd diende te worden.

Voorts is  duidelijk dat voor deze gelovige joodse historicus, moré en a.s. rabbijn, vast staat dat Spinoza "voor het Jodendom als een verloren zoon" moet worden gezien. Hij hoort niet bij degenen, zoals sommige 19e eeuwse Haskala-aanhangers, die de grote filosoof als het ware terugclaimen. Maar verder heeft hij ook geen enkele behoefte Spinoza nog eens een trap na te geven en nóg eens te veroordelen en verdoemen. Hij blijft redelijk objectief en probeert zijn afvalligheid te begrijpen (waarvoor hij met Delmedigo op de proppen komt).

Spinoza in de Nederlands-joodse historiografie #1, #2, #3, #4, #5, #6, #7, #8, #9, #10, #11, #12, #13,