Joost van den Vondel (1587-1679) bestrijder van Spinoza?

Vondel geschilderd door Philips Koninck (1619-1688)Of Vondel en Spinoza elkaar ontmoet hebben? Vondel schreef in 1657 een lofdicht, Tooneelkrans Voor den Edelen Jongkheere, Nikolaes van Vlooswyk, Toen hy de rol van Filedonius of Lusthart, by Doct. Franciscus van den Enden, op 's Wijzemans spreuk, door zijne Latijnisten ten tooneele gevoert, zoo loflijk en stichtig uitbeelde. * [Hier bij DBNL ook hier bij DBNL in ander formaat]

De jongeman van Vlooswyk had eerst in 1656 ten huize van zijn vader en op 13 en 27 januari 1657 in de Schouwburg de titelrol in het Latijnse toneelstuk Philedonius van Franciscus van den Enden gespeeld. Van den Enden liet de leerlingen van zijn Latijnse school Latijnse toneelstukken, o.a. van Terentius, opvoeren. De 59-jarige Vondel heeft toen misschien ook Spinoza, die toen 24 was en kostganger bij Van den Enden, op het toneel gezien. [Van hier]

Maar of Vondel in de bestrijding van ongodisme in zijn Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst. Tegen d'ongodisten, verlochenaers der Godtheit of Goddelijcke Voorzienigheit (1662) vooral Spinoza in het vizier had? Daarover is flink gespeculeerd – maar daadwerkelijke en evidente aanwijzingen zijn er niet.
En erg waarschijnlijk is het ook niet.

Toch had prof. B.H. Molkenboer O.P. in zijn inleiding op Vondels Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst, opgenomen in het 9e deel van De werken van Vondel (1936) beweerd:
"Dat Vondel de allereerste (en niet de minste!) bestrijder van het nauwelijks geboren Spinozisme was, vindt men in de omvangrijke literatuur over den joodschen wijsgeer nergens aangeteekend."

[Vet van SV. Aan het eind een boxje om dit boek bij DBNL te raadplegen]

In het 40e jaarverslag (1936/37)maakte de secretaris van de Ver. Het Spinozahuis zich druk over de bewering dat Vondel een bestrijder van Spinoza kon zijn geweest. Hij deed dat door in te gaan op een polemiek die zich afspeelde tussen ene Dr. A. Zijderveld2 en de Nijmeegse hoogleraar in de Vondel-studie, de reeds genoemde B.H. Molkenboer O.P.3 De laatste, medebezorger van een nieuwe uitgave van Vondels werken, had (weer eens ) geschreven dat Vondel in zijn dichtwerk tegen de ongodisten in concreto Spinoza op het oog had gehad.

'Weer eens', want in een opstel Spinoza en Vondel uit 19244 had Th. de Valk O.P. zich al eerder ten doel gesteld, het bewijs te leveren dat Vondel in de vier eerste Boeken van zijn Bespiegelingen ‘een kritiek op het Spinozisme geeft.’ Hij meende dat Spinoza daarop reeds in 1663 zinspeelde, toen hij zich onverschillig betoonde voor de ‘meditationes poëtarum’, en neemt aan dat Vondel's bestrijding mede de oorzaak is van ‘het doodvonnis over Spinoza's pantheïsme’, reeds zo spoedig na de dood van de wijsgeer. [Van hier]

In dat jaarverslag van Het Spinozahuis schreef secretaris W.G. van der Tak: “is toch de oorsprong der voorstelling van Vondels polemiseren tegen Spinoza te zoeken bij de Roomsche Vondel-kenners in Nederland. Kwam zij reeds voor in de anno 1907 verschenen dissertatie over Vondels Bekeering van Prof. Dr. Gerard Brom; nader werd zij uitgewerkt in een artikel van de hand van pater Th. de Valk O.P., voorkomende in het thans niet meer bestaande maandschrift De Beiaard van December 1921."

     klik voor de tekst bij DBNL

Strekking was dat Vondels Bespiegelingen van Godt en Godsdienst dat in 1662 gepubliceerd werd, hoofdzakelijk ten doel hadden een bestrijding van Spinoza's wijsbegeerte. Tegen pantheïsme en ander door Spinoza verkondigde denkbeelden worden er diverse ‘bewijsplaatsen’ aangegeven.  

Het ging er Tak niet om dat inhoudelijk de weergave der bestreden denkbeelden wellicht klopte, maar dat Vondel geen kennis kon hebben gehad van de opvattingen van Spinoza dienaangaande, daar hij nog niets had gepubliceerd.  

“De Bespiegelingen zouden reeds in 1659 zijn voltooid", stelde hij, alsmede dat "dit van veel vóórstudie getuigende werk wel geruimen tijd eerder moet zijn aangevangen, dan mag men op grond van de door ons gereleveerde omstandigheden veilig aannemen, dat Vondel bij het schrijven van dit werk nog volstrekt geene kennis kan hebben gehad van Spinoza's wijsbegeerte; laat staan dat een door dezen opgesteld dictaat in zijne handen zou zijn gekomen.”

                                             * * *

Hoe zo’n eenmaal gedane toewijzing blijft doorwerken blijkt bijvoorbeeld uit een tekst als de volgende van Boudewijn Bakker, Een goddelijk schilderij: Vondel over landschap en schilderkunst in zijn Bespiegelingen van 1662 5

"Boek I is voor een groot deel gewijd aan de bestrijding van verschillende soorten ‘ongodisten’. De pantheïsten, en hiermee heeft Vondel vermoedelijk Spinoza op het oog, krijgen van Vondel het verwijt dat ze de natuur God noemen, en daarmee als het ware oorzaak en gevolg één naam geven. Vondel stelt daartegenover dat de natuur niet meer is dan een ‘masker’, waarachter God zelf zich schuilhoudt. God is weliswaar ín de zichtbare natuur aanwezig, maar deze natuur is eerst door hem zelf (als transcendente entiteit) geschapen:
‘Zoo zal ’t momaenzicht van natuur my niet misleiden
Om af te treên van Godt, natuur te zetten in
Godts troon, waer uit zy nam haar wezen, en begin;
Schoon dees van eeuwigheit in Godts bespiegelingen
Verbeelt lagh, als de schets der nageworde dingen […]’.
22

De schepping lag dus van den beginne als het ware in concept al in Gods innerlijke verbeelding gereed, als de ‘schets’ van het toekomstige schilderij. Vondel verwijst hier naar de scholastieke idee van het innerlijke exemplar van de kunstenaar, maar het is treffend dat hij dat doet in de termen van een schilder die vóór hij gaat schilderen de toekomstige voorstelling als getekende of alleen nog maar gedachte schets gereed heeft."

                                                * * *

Gerard BromVan der Tak had wellicht bij het schrijven van zijn verwerping van het bedenksel dat Vondel bij zijn bestrijding Spinoza voor ogen kon hebben gehad, nog geen kennis genomen van het boek uit 1935, Vondels geloof6waarin Gerard Brom z’n proefschrift nog eens dunnetjes over deed. Brom laat de katholiek Vondel in het 13e hoofdstuk van dit boek als “leerdichter” analyseren dat in zijn dagen het kalvinisme het spoor bijster is, z’n geloof in Christus verliest en “zijn vat op de geesten kwijt raakt, naargelang meer en meer Hollanders zich verklaren voor Socinus of Böhme of Spinoza.” Het boek staat gedigitaliseerd bij de DBNL. Ik geef hier uit dat 18e hoofdstuk enige citaten (met weglating van de voetnoten)

1 Vondel wendt zijn hoofd veerkrachtig met het vorderen van de dag, om elke beweging te volgen. [..] Na het geloof zonder de werken preken ze (de calvinisten) een werken zonder geloof. Moe van tegenstrijdige leerstukken, zoekt Heidelberg, de hogeschool van de Gereformeerde katechismus, Spinoza als verkondiger van ‘de eenvoudigste en algemeenste godsdienst’ voor een katheder te winnen. De omkeer kan niet krasser bezegeld worden, want Spinoza's noodlotsbeginsel heeft de voorbeschikkingsleer van Kalvijn ruim zo sterk verbogen als Luikens boetelied het verder de heilsboodschap van Luther zal doen. [..]

Sinds Vondel een Remonstrant waarschuwde voor Socinus, bij wie zoveel aanhangers van Arminius verzeilden, ziet hij de verschuiving met toenemende snelheid doorwerken. Zijn oorspronkelijk de verschillende artikelen van de apostolische geloofbelijdenis in deze volgorde geopenbaard: God, Christus, Kerk, het schijnt dat de geschiedenis voor straf terugloopt, nu de miskenning van de Kerk door Luther onherroepelijk tot Christus' ontkenning door Socinus leidt, die weer de loochening van God door Spinoza noodlottig voor gevolg moet hebben. Het Socinianisme geeft meer dan alle leerstukken, het geeft vrijwel de godsdienst prijs en laat uitsluitend het gezond verstand over.[..]

Als voorspel van de achttiende eeuw dreigt een door Spinoza geleid Frans rationalisme een door Luiken vertegenwoordigd Duits mysticisme te begeleiden, waarbij starre verstandelijkheid met zwoele overgevoeligheid samenzweert. [..]

2 Het is geen louter stijlfiguur, wanneer de dichter doorlopend Epicurus' heraut Lucretius als woordvoerder van de tegenpartij laat optreden. Hij ziet de hele geschiedenis immers in enkele typen gestileerd. En voor zijn geslacht is Lucretius werkelijk een levend gevaar, waaraan de Amsterdamse uitgaaf van Hobbes, ‘de onbeschofte Hobbes’ of Spinoza's ‘schildknaap’, zoals Oudaen zegt, hem onlangs nog herinneren kon. Wat heeft de antieke dichter hem eigenlijk gedaan, dat hij waard gevonden wordt om als partuur te dienen? Niet alleen is de kunstenaar Vondel geboeid door klassieke poëzie, maar de Christen begrijpt, minder bedreigd te worden door een stelselmatig ongeloof dan wel door een gevoelige natuurmystiek, waarmee de grote heiden, na alle goden onttroond te hebben, de wereld zelf vergoodde. Deze vrome schijn vooral maakt hem tot evenbeeld van een actueel pantheïst: zo dikwijls Vondel de naam Lucretius uitspreekt, moet hij denken aan Spinoza. [..]

Heeft Vondel soms Spinoza, toen beiden koopman waren, ooit persoonlijk ontmoet?) Staat het verder wel vast, dat de uit de synagoog en dan uit de stad verbannen denker bepaald met oog op Vondel verklaart, zich de bespiegelingen van dichters helemaal niet aan te trekken, en dat hij Vondels tegenstander Lodewijk Meyer daarom vraagt geen woord tegen dat ‘mannetje’ te schrijven? We weten het niet, we weten alleen, hoe Vondel de persoon van Spinoza en nog eerder de partij van het Spinozisme, onmachtig geworden om groepen te werven, ‘die eigenzinnig hier en daar tesamen rotten’, overleeft. Maar we weten vooral, hoe zijn verwijten van natuurvergoding een wijsgeer, die God met de natuur vereenzelvigt, in het hart treffen. Dertig jaar eerder dan Gereformeerde theologen heeft Vondel dus Spinoza scherp onderscheiden en tegengesproken. In de filozoof herkent hij onmiddelijk het strakke masker van Kalvijn: beiden leren een noodlot, door de Hervormer alleen met Joodse voorstellingen versierd, die de geboren Jood komt verwerpen, om het fatalisme zo heidens te vertonen als het wezenlijk is. Door Spinoza te verwerken, geeft Vondel zijn levensbeschouwing een breder uitzicht en vooral een dieper grondslag, want de Protestantse sekten, die hij gaat bestrijden, zijn ontstaan uit een algemeen tekort aan natuurlijke grondbeginselen, zodat de theologische controvers van vorige leerdichten redelijk een wijsgerige ondersteuning vordert.

Tussen Spinoza en Vondel is toch geen vrede denkbaar dan in het kruis, dat dwaasheid is voor de een en hoogste wijsheid voor de ander. De amor intellectualis van de denker zoekt zijn zaligheid op aarde, al is 't in de verhevenste sfeer van de aarde, binnen de peinzende mensegeest; de goddelijke bezieling van de dichter drijft op hemelverlangen, waarvan de aarde zelf tenslotte vervuld wordt. Dat het vage misbruik van Gods naam door godloochenaars het eerst opkomt bij deze vrome vrijdenker met zijn betoverende natuurmystiek, laat Vondels verzet ook achteraf verstaan. Trouwens Spinoza zelf beschouwt zijn wijsbegeerte als een godsdienst. Lodewijk Meyer begint zijn levenswerk met, blijkbaar op het voorbeeld van Corneille's in Leiden gedrukte berijming, de Imitatio te vertalen; en waarmee deze spinozistische ijveraar voor het ongeloof eindigt, is bekend genoeg. Vondel van zijn kant blijft zo stevig verbonden aan een verstandelijk humanisme, dat hij - zeldzaam voor een dichter vol natuurgevoel - nooit in zijn leven de minste neiging tot pantheïsme toont. Waarin staat hij eigenlijk niet tegenover Spinoza, die het cesaropapisme verdedigt en, wat bedenkelijker is, de deemoed veroordeelt als een ellendige zwakheid? Op dit kruispunt lopen de wegen onherroepelijk uiteen.

De sektestrijd, waarmee het Protestantisme bezig is zich langzamerhand te zelfmoorden, brengt sommigen naar Spinoza, anderen naar Rome, enkelen door Spinoza heen naar Rome. Als Vondel de anatomie tot bevestiging van het geloof aan een Schepper verheerlijkt, vindt de grote vorser Nicolaus Steno bij zijn studie in Amsterdam en Leiden, waar hij verschillende atheïsten en pantheïsten leert kennen, het Christendom terug, door de doelmatigheid van het menselijk lichaam te doorgronden. Daar ligt het uitgangspunt voor zijn bekering tot het Katholicisme, dat hij ook tegenover zijn oude vriend Spinoza wil hooghouden, aan wie hij in een brief betoogt, hoe het onderzoek van de bewogen stof zonder begrip voor de bewegende oorzaak een godsdienst van lichamen en niet van zielen, een godsdienst van de dood en niet van het leven is. En Albert Burgh, een kleinzoon van Hooft evenals van de man, die Vondel vroeger het denkbeeld voor Palamedes heeft ingegeven, stuurt Spinoza een donderpreek thuis, om de pas geleerde Roomse katechismus jongensachtig triomferend uit te kramen. Wel zoekt Spinoza zelf zo goed als Augustinus zijn zaligheid in de waarheid, maar de waarheid ligt voor hem volledig binnen zijn schedel besloten, zijn systeem houdt geen toegangen naar de ervaring of naar de overlevering, laat staan naar de Openbaring. Vondel verwerpt dan ook krachtens een logica, die ons, met het irrationele dwepend, geslacht eerder zal aantrekken, Spinoza's vordering van een wiskundig bewijs voor het bestaan van de ziel. En Pascal, een wiskundige zoals Spinoza mag wensen te zijn, heeft juist aangetoond, dat zijn wetenschap volstrekt niet zijn geloof uitsluit. Er bestaan immers gronden van zekerheid, die, onafhankelijk van Spinoza's oordeel, het geloof van Vondel en van groter geesten dan Vondel dragen. 3 [..] Het jonge geslacht werd van Vondels opvatting gescheiden door een geest, waarvan Cartesius de hem minstens van horen zeggen bekende vertegenwoordiger was. De dichter zag God in de dingen en niet, zoals het wijsgerig idealisme ging leren, de dingen in God. Hij noemde zijn beschouwing: van onder op beginnen en God bescheiden achterna zien. Van het zichtbare geleidelijk naar het onzichtbare gestegen, liet hij zich niet willekeurig door eigen intuïtie, maar door algemene ervaring en redenering naar God leiden. […] Bij herhaalde lezing, die zijn overgeleverde leer met zijn zelfveroverde taal laat ineenvloeien, merken we telkens beter, hoe het leerdicht als gedragen orgelmuziek tot een lierdicht stijgen kan. Er zijn klankspelingen vol wijding: zo wordt Spinoza's monisme door een zoeklicht beschenen in de spreuk, dat ‘geen uitwendig werk noodwendig komt ontspringen uit God’. En God is niet alleen de volstrekte rede of de volmaakte liefde, God is de schoonheid zelf, de meester van alle schilders.                     Tot zover Gerard Brom.

                                                  * * *

In een lang hoofdstuk over Vondel heeft Brom vele malen de naam van Spinoza genoemd. Maar hij schrijft nergens dat het telkens om zijn interpretatie gaat en dat Vondel de naam van Spinoza in zijn Bespiegelingen nergens laat vallen.

"dat ‘mannetje’" waar Brom het over heeft, slaat op illum homunculum in de brief (nr 15) die Spinoza op 3 aug 1663 aan Lodewijk Meijer schreef, waarin hij aanwijzingen gaf voor de redactie van zijn PPC. Er is uiteraard ook gespeculeerd over wie dat 'ventje', zoals Akkermans vertaalt, geweest kan zijn. Vondel is dus een van de geopperde doelwitten, daar hij en Lodewijk Meijer vijandig tegenover elkaar zouden hebben gestaan.  

 

Via onderstaande links zijn de boeken van Vondels Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst. Tegen d'ongodisten, verlochenaers der Godtheit of Goddelijcke Voorzienigheit (1662) bij DBNL te raadplegen. Als vervolgens wordt gezocht op Spinoza is te zien in hoeveel noten er door Molkenboer opmerkingen richting Spinoza worden gemaakt. In het Naschrift worden de auteurs genoemd, die Vondel vermeldt en benut heeft. Daarin komt Spinoza weer niet voor.

J.v. Vondels Bespiegelingen Van Godt en Godtsdienst.

Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst Bewerkt door Prof. B.H. Molkenboer O.P.

Bespiegelingen Van Godt. Het eerste boeck.

Bespiegelingen van Godts eigenschappen. Het tweede boeck.

Bespiegelingen van Godts Wercken Het derde boeck.

Bespiegelingen van Godtsdienst. Het vierde boeck.

Bespiegelingen van Godtsdienst. in 't byzonder. Het vijfde boeck.

Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst Naschrift

 



Noot van de bezorgers van Vondels Werken: Van 1657, mogelijk geschreven in '56. - Volgens de tekst in het voorwerk van ‘Philedonius. Tonneelspel; Slaande op de woorden des Wijzemans: In alle uwe werken gedenk uwe uitersten, en ghy zult in der eeuwigheit niet zondigen. Ten tonneele gebracht op den Doorluchtigen Schouburch van Amsterdam. Door Franciscus van den Enden, Medic. Doct. - t'Amsterdam, Ter Drukkerye van Kornelis de Bruin, Boekdrukker, vooraan in de Nieuwe Lelystraat, in Sonsbeek. Anno 1657.’ Het motto, ontleend aan Aeneis IX, 638, betekent: Geluk met dit eerste bewijs van dapperheid, knaap! Nikolaas van Vlooswyck, zoon van Burgemeester Cornelis van Vlooswyck en Anna van Hoorn, bezocht de Latijnse school van Dr. Franciscus van den Enden, in 1652 op het Singel gesticht en door jongelui uit voorname kringen bezocht. Van den Enden liet door zijn leerlingen in de Stadsschouwburg stukken van Terentius en van zijn eigen hand opvoeren, waarbij de ouders werden uitgenodigd. (Zie voor Vondel's betrekking tot Van den Enden en zijn kring: J.F.M. Sterck: Hoofdstukken over Vondel en zijn kring, blz. 65 vlg.)

 

Brill, Leiden, 1937 [bij books.google]

2 Dr. A. Zyderveld, ‘Heeft Vondel Spinoza bestreden?’ Tijdschr. v. Ned. Taal en Letterkunde 1936.
Ook getypeerd als behandeling van de vraag: Is de betrekking Vondel-Spinoza historie of verdichtsel? [zie bij DBNL]

3 Prof. B. Molkenboer, ‘Heeft Vondel Spinoza niet bestreden?’ Vondelkroniek 1937.
Dr. A. Zyderveld, ‘Kantteekeningen bij Prof. Molkenboer's verweer.’ Vondelkr. 1937.
Ook Prof. B. Molkenboer, ‘Met Spinoza in Conjunctie’. Vondelkroniek III.

4 De Beiaard VI, 1921, II 440-458

5 NEERLANDISTIEK.NL 05.02; GEPUBLICEERD: 27 april 2005 [PDF]

 

De Spieghel, Amsterdam / Het Kompas, Mechelen 1935  [Bij DBNL]

Reacties

'Dat ventje'(ILLUM HOMUNCULUM) (brief 15 van 3-8-1663), dat Spinoza in zijn door L.; Meyer verzorgde uitgave van de PPC/CM niet onnodig wilde beledigen, is Florentius Schuyl, die in 1662 een gelatiniseerde versie van Descartes' TRAITE DE L'HOMME uitgaf: Renatus Des Cartes, DE HOMINE / FIGURIS ET LATINITATE DONATUS A fLORENTIO sCHUYL / INCLYTAE URBIS sYLVAE dUCIS SENATORE, & IBIDEM PHILOSOPHIAE PROFESSORE (raadslid en senator in s'Hertogenbosch dus). In een exemplaar van de Leidse UB ontdekte ik in het voorwoord een sneer naar Spinoza, waarop L. Meyer, Leids alumnus, wilde reageren. De sneer luidt: SIMPLICEM & APERTAM VERITATEM OBSCURIS, INTRICATIS & SPINOSIS ARGUTIIS, PRAEPOSTERA QUADAM DILIGENTIA, INVOLVI & OBUMBRARI, JAM DUDUM QUESTI SUNT DOCTRINAE SOLIDIORIS ANTISTITES. Vertaald: "Voorstanders van een solidere leer hebben reeds lang geklaagd dat de eenvoudige en apere waarheid (van Descartes0 door obscure, ingewikkelde en doornige ['spinozistische'] spitsvondigheden en een soort omgekeerde ijver worden ingepakt en verduisterd". Deze ontdekking, die naar mijn mening nog niet is doorgedrongen tot onderzoekers vanhet Spinozisme, heb ik in 1993 gepubliceerd in no. 29 van het 'BULLETIN DE L'ASSOCIATION DES AMIS DE SPINOZA in een uit het Engels in het Frans vertaald artikel "QUI ETAIT L'HOMUNCULUS? (p.24-26). De sneer was onderdeel van een vinnige strijd aan de Leidse universiteit tussen orthodoxe en heterodoxe (Spinozistische) Cartesianen. De onafhankelijke professor Prof. A. Heydanus zette de overledene Schuyl in 1669 een en ander betaald door in zijn necrologie te reppen over zijn LICHAAMPJE (CORPUSCULUM) dat niet opgewassen was tegen de kwaal die hem had getroffen! Zo ging dat toen.
Stan, ik zal je apart een scan sturen van mijn artikel van destijds, welks bestaan (en welke ontdekking) ik ook zelf inmiddels was vergeten. Je Vondel-blog heeft goed werk gedaan!

Wim,
Je vondst is in ieder geval opgemerkt en doorgegeven via de Shirley-vertaling van de werken van Spinoza, wiens complete vertaling door het lange uitblijven van die van Curley volgens mij als HET Amerikaanse complete werk van Spinoza wordt beschouwd.

In: Spinoza. Principles of Cartesian Philosophy with Metaphysical thoughts. Translated by Samuel Shirley. Introduction and Notes by Steven Barbone and Lee Rice. Hackett Publishing, 1998, p XV

âWho is that petty man (illum homunculum) of whom Spinoza writes? Perhaps Caesarius, but a recent article suggests it may have been the contemporary Christian and orthodox Cartesian Florentius Schuyl who had published his Latin translation of Descartes's Traité de l'homme (De homine) six months after Spinoza's PPC appeared. Some have also suggested that it was the poet, Joost den Vondel. *)
*) See Th. de Valk, "Spinoza en Vondel," De Beiaard 6 (1921), 440-458. For additional information on the passage, see Wim Klever, "Qui était l'Homunculus?" Bulletin de l'association des amis de Spinoza 29 (1993b), 24-27.
http://books.google.nl/books?id=isKk1tw4T2UC

Het bericht in de Shirley-vertaling van de PPC had natuurlijk moeten luiden dat De homine, de vertaling door Florentius Schuyl van Descartes' boek, een half jaar VOOR de PPC was verschenen. Nu zit er een rare niet-kloppende tijdskronkel in het verhaal.

Had ik niet opgemerkt in die Hackett-brieven-uitgave, die nog wel in mijn kast staat! Maar Steven Barbone en Lee Rice maken bij hun verwijzing naar mijn artikel wel de fou, dat zij Schuyl's uitgave van Descartes'DE HOMINE een half jaar na de uitgave van de PPC dateren, terwijl die er al was toen de PPC nog moest verschijnen! Overeigens staat die verwijzing niet op p. XV, maar op p. 121.

Onze correcties kruisen elkaar!!