Johannes Buridan (ca. 1295 – 1361) Vraag mij af of Spinoza hem gelezen kan hebben

[Doordat het eerdere blog beschadigd raakte, waardoor het 'lees verder' niet meer werkte, heb ik de tekst naar dit nieuwe blog verplaatst; ook daarbij bleef er een irritante storing in zitten; hopelijk is die nu weggewerkt; zie aan het eind van 't blog]

Ben even met andere dingen bezig… (Nietzsche, Jean Buridan), maar dat alles heeft, hoe ook met een omweg, bij mij altijd toch weer met Spinoza te maken. Ik zal iets vertellen over wat mij bezighoud m.b.t. Jean Buridan, waarbij de vraag in de kop van dit blog ontstond. Magister Johannes Buridan als leraar - in een manuscript in de Jagiello Bibliotheek in Krakau, 1771, oorspr. uit Parijs ca 1370De 14e eeuwse Johannes Buridanus heeft mij altijd geïnteresseerd en het feit dat Spinoza zijn naam in twee van zijn werken noemt, heeft die interesse versterkt. Dát Spinoza een naam van een filosoof noemt is op zich al uitzonderlijk. Niet dat ik als zeker aanneem dat Spinoza door zijn mening te geven over “de ezel van Buridanus” [zie dit blog] werk van hemzelf gelezen heeft. Maar onmogelijk is dat volgens mij niet, want Buridanus heeft lange tijd, zeker tot in de 16e eeuw, invloed op het hoger onderwijs gehad. Hij was de eerste die in de Middeleeuwen een commentaar op de Ethica van Aristoteles schreef. Daar zou Spinoza met het oog op de Ethica die hijzelf aan het schrijven was, in geïnteresseerd geweest kunnen zijn. Maar goed, dat is speculatie. Aan het eind van dit blog geef ik over die mogelijkheid dat hij werk van Buridanus las wat nadere informatie.

Overigens vind ik wel opvallend dat Jack Zupko, de schrijver van het lemma John Buridan op Stanford Encyclopedia of Philosophy, in een voetnoot bij ‘Buridan’s Ass’ schrijft: “The earliest association of the example with Buridan appears to be in Spinoza, Ethica II, scholium to Proposition 49.” [Hier] Even afgezien van het feit dat hij er in de PPC nóg eerder mee was, geeft dat wel te denken. Ik ging er tot heden vanuit dat Spinoza dat wel ergens opgepikt zou hebben, maar blijkbaar zijn daar geen bronnen van te vinden ?

Enfin, terwijl ik weer eens naar informatie over Buridanus op zoek was, ontdekte ik dat Henri Krop in de reeks “Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland” het tweede deeltje schreef: Johannes Buridan, De ethiek [Ambo, Baarn, 1988]. Dat ging ik uiteraard meteen aanschaffen. Het bleek het eerste boek in het Nederlands over leven en werk van Buridan. Daar deze Jean Buridan in Parijs altijd in de Artes-faculteit werkzaam bleef en bepaalde zaken graag aan theologen overliet, ziet Krop hem als "de eerste filosoof in de moderne zin." Sommige delen van de uitgebreide toelichting en van Buridan’s tekst heb ik inmiddels tweemaal gelezen. Eenvoudig is de materie niet. Maar als een groot voordeel ervaar ik dat allerlei hier toegelichte thema’s tevens relevant zijn om Spinoza beter te begrijpen, daar vele daarvan ook bij hem voorkomen: b.v. goddelijke wet, natuurwet, menselijke wet – relatie tussen wil & verstand – het thema van bepaaldheid/gedetermineerdheid resp. vrije wil en dergelijke meer.

Hoewel er in zo’n tekst van Buridanus veel woorden en argumenten ingezet worden, moet ik eerlijk bekennen dat voor mij nog niet 100% duidelijk is of voor Buridanus als filosoof/wetenschapper de vrije wil bestaat. Ja, hij weet dat het geloof de erkenning van de vrije wil van hem vraagt, maar als het aankomt op de vraag wat hij nu zelf als met de rede bewijsbare waarheid ziet, is hij door de omslachtigheid van zijn woorden, niet echt duidelijk (en dat blijkt dan ook uit de verschillende meningen van deskundigen). Henri Krop concludeert: “Men kan Buridan toch tot de voluntaristische traditie rekenen.” In mijn eerdere blog had ik geconcludeerd dat hij eerder bij de intellectualistische lijn thuishoorde.

Voor het volgende vat ik een sprekende samenvatting door Gyula Klima nóg eens samen. 1)
Buridan is ervan overtuigd dat de wil vrij is, maar dat we dat niet demonstratief kunnen bewijzen. Alle argumenten die ervoor pleiten, ziet hij als waarschijnlijk en niet als (wiskundig) bewezen. Toch weten we – behalve vanuit het geloof – met een passende mate van (morele) zekerheid, n.l. op basis van onmiddellijke ervaring en evidentie, dat we in de gegeven omstandigheden, indien alles verder gelijkblijft, kunnen kiezen om anders te handelen. Hij acht de hoge eisen van ‘de bewezen zekerheid’ eenvoudigweg niet geschikt bij dit soort kwesties. Dat de wil vrij is wil overigens niet zeggen dat hij volkomen willekeurig en toevallig handelt. Het betekent alleen dat – gezien z’n aard – z’n handelingen niet bepaald worden door de omstandigheden, zoals wel het geval is bij louter natuurlijk handelende wezens die geen vrije wil hebben. Maar de keuze van de wil is toch niet helemáál onbepaald. De vrije wil is een kracht die alleen intelligente wezens hebben, die in staat zijn met hun verstand verschillende handelingsalternatieven te onderscheiden (de wil is een soort ‘verstandelijke voorkeur’). De vrijheid van de wil toont zich in de geschiktheid dat ze kan kiezen uit alternatieven die door het verstand als van waarde n.l. als beter dan een ander alternatief worden beoordeeld.

Derde weg: uitstellen, opschorten van de keuze
Een van de meningsverschillen op dit terrein bestond tussen de intellectualisten (Thomisten) en voluntaristen (Scotisten) bij de vraag of in het vaststellen van de waarden der verschillende alternatieven, in feite het verstand de keuze van de wil al bepaalde, ofwel dat de wil altijd uit alternatieven die het verstand als het beste aanbiedt (rationeel) kiest en of het vrij is ook iets van mindere waarde te kiezen - irrationeel, tegengesteld dus aan het oordeel van het verstand. Buridan probeerde tussen deze twee alternatieven een middenweg te vinden door een derde voor te stellen, n.l. de geschiktheid van de wil om een keuze uit te stellen. Als het verstand alternatief A als het betere beoordeelt dan B, kan de wil i.p.v. daar meteen voor te kiezen, de hele zaak a.h.w. terugsturen ter heroverweging door het verstand; die mogelijk in een tweede ronde met een andere waardering komt. Wij zijn immers niet alwetend en het eerste voorstel van het verstand kan op onvoldoende informatie gebaseerd zijn. Hiermee bevindt Buridan’s leer zich dichter bij het intellectualisme dan bij het voluntarisme. Het is niet alleen het oordelen over en het aanreiken van alternatieven door het verstand dat de neiging in de richting van een keuze door de wil bepaalt. In aanvulling op het oordeel van het verstand en de neiging van de wil tot kiezen wat het beste lijkt (tenzij nog steeds de onzekerheid overheerst), dragen ook de deugden en ondeugden bij tot de keuzebepaling door de wil. Dit zijn geen determinanten in strikte zin, maar eerder verworven gewoonten die de keuze beïnvloeden, door de wil naar het ene of andere te doen overhellen. Deugden zijn voor Buridan verworven kwaliteiten van de ziel met een zekere mate van vrijheid, min of meer op een lijn met natuurlijke neigingen en gewoonten die van invloed zijn (of bepalen) de werking van natuurlijke agenten. In lijn met Buridan’s naturalistische neigingen m.b.tg. psychologie, inclusief morele psychologie, zal het niet verrassen dat hij deugden als een soort impetus ziet: net als een zwaar lichaam in beweging de neiging heeft om een bepaalde richting te behouden, tot andere krachten erop inwerken, zo ook geven de deugden (en ondeugden) mensen een zekere richting aan hun keuzes.

De posities van Buridan en Spinoza lijken toch voor de praktische ethiek tamelijk dicht bij elkaar te liggen. Voor Spinoza is de wil niet vrij: we worden vanuit een netwerk van samenhangende oorzaken tot ons handelen gedetermineerd, maar daar wij dat hele netwerk van oorzaken niet kennen, moeten we in de praktijk doen alsof de dingen contingent zijn en dienen we zo verstandig mogelijk onze keuze te bepalen. Ervaring is heel belangrijk.
Voor Buridan is de wil vrij, maar we bepalen zo goed mogelijk onze keuze waarbij we met ons verstand de waarden van de alternatieven wegen. Hij komt met zijn model van opschorten, vanuit het besef dat we nooit alle factoren en omstandigheden kunnen kennen. Nemen we daarbij nog zijn deugd als een soort impetus die ons handelen in een bepaalde richting duwt en we krijgen toch een plaatje waarin beide posities (die van Spinoza en die van Buridan) erg op elkaar lijken. * * *

Een tweede effect van het lezen van dergelijke scholastieke tekst is dat je de duidelijkheid waarin Spinoza zich voortdurend uitspreekt nog meer gaat waarderen; een duidelijkheid doordat hij met zijn geometrische (axiomatische) ordening telkens zeer duidelijk maakt wat hij wil bewijzen en waar hij voor staat; ook al blijven uiteraard ook bij hem vele vraagstukken onduidelijk. Maar wat een verschil met de Scholastieke aanpak van disputatio’s: opwerpen van vraagstukken (questiones), tegenargumenten, verwerpingen, pro-argumenten, daar weer tegenwerpingen tegen etc. Dan ervaar je Spinoza’s ordine geometrico demonstrata als een verademing.

Tot slot - kan Spinoza Buridanus gelezen hebben?
In het hoofdstuk van Roger Ariew, "The Infinite in Spinoza's Philosophy" 2) trof ik een informatieve noot op p. 28:

Note 25. There is, of course, no direct evidence that Spinoza knew the works of any medievals. We have little knowledge of his actual sources. Still, the works of the three 14th-century thinkers were available in printed editions throughout the sixteenth century, in the same editions still reproduced as facsimiles during this century: e.g., Gregorius de Arimino, Super Primum et Secundum Sententiarum (Venice, 1522), Johannes Buridanus, Subtilissima questiones super octo physicorum libros Aristotelis (Paris, 1509), and Albertus de Saxonia, Quaestiones super libros de Physica auscultatione Aristotelis (Rome, 1516). I argue that Spinoza is acquainted with some of the 14th-century doctrines of infinity. But it is not likely that one could understand the 14th-century doctrines about infinity indirectly, that is, by reading others who report them. The 17th-century textbook discussions of these doctrines make little sense of them - see, e.g., Eustachius of Sancto Paulo's confused discussion of categorematic and syncategorematic infinites in his Summa philosophica quadripartita (Cambridge, 1648), pp. 149-54. (The same may be said for the reports of such late 14th-and early 15th-century thinkers as Marsilius of Inghen and Paul of Venice; see Pierre Duhem, Medieval Cosmology, ch. 1-3.) etc.

___________________

1) Gyula Klima, “John Buridan”. In: Jorge J. E. Gracia, Timothy B. Noone (Eds.): A Companion to Philosophy in the Middle Ages. Blackwell Companions to Philosophy. John Wiley and Sons, 2008, p. 340 - 348 [books.google]

2) In: Edwin M. Curley & Pierre-François Moreau (Eds.): Spinoza: issues and directions: the proceedings of the Chicago Spinoza Conference. BRILL, 1990, p. 16 – 31 [books.google]

N.B. Er bleek een storende fout in een van de links naar books.google te zitten, waardoor blogse de vervolg-pagina weigerde te openen. Daarom heb ik die links hier weggelaten. Probleem opgelost. [ De link naar books.google 2 juli 2016 weer toegevoegd - zonder probleem.]