Johannes Bredenburg (1643 - 1691) raakte in een Spinozistische crisis

Hij werd in het laatste kwart van de 17e eeuw het middelpunt van de eerste grote Spinoza-controverse.

Veel weten we niet van Johannes Bredenburg, niets uit zijn jeugd, wel dat hij eerst cartesiaan was en daarna de invloed van Spinoza onderging, zonder dat men hem direct een spinozist zou kunnen noemen. Hij schreef een Enervatio tractatus theologico-politici (1675), een ‘ontzenuwing’ of verwerping waarin Spinoza’s leer zo helder werd uiteengezet dat hij ervan verdacht werd Spinoza’s in 1674 officieel verboden leer te verspreiden. Vele Rotterdamse collegianten bezagen zijn geflirt met Spinoza dan ook met groot misprijzen. Bredenburg hield echter vol te geloven in de ‘traditionele' God: de God boven de natuur. Hij bleef geloven in met de rede onverenigbare wonderen, maar werd toch als 'atheist' aangezien. Bredenburg werd dan ook door een aantal medecollegianten in diskrediet gebracht. En zo ontstonden - via vele pamfletten voor en tegen hem - de zgn. Bredenburgse twisten, die uiteindelijk de gelederen der collegianten verdeelden. Over de frictie tussen rede en religie raakte Bredenburg in correspondentie met de remonstrant Philippus van Limborch. De uitwisseling van hun filosofische verhandelingen werden zonder toestemming van Bredenburg uitgegeven.

Bij ontbreken van een afbeelding breng ik hier het grafschrift dat Joost van Geel voor hem schreef die ook erop wees dat hij was ‘den ouderdom ontweken’ – hij stierf vóór zijn vijftigste. In de laatste zin van zijn grafschrift legde Van Geel zijn strijd tussen rede en geloof, kortom zijn Spinozistische crisis, haarscherp vast.

De dissertatie die Wiep van Bunge over deze Bredenburg schreef is op internet te vinden: L. van Bunge, Johannes Bredenburg (1643-1691). Een Rotterdamse collegiant in de ban van Spinoza (Dissertatie Rotterdam 1990; Rotterdam: Erasmus Universiteit, Faculteit der wijsbegeerte, 1990, 303 blz. [PDF]

In het voorwoord lezen we dat Wim Klever de doelstelling van de studie had aangegeven, n.l. dat het een dissertatie zou moeten worden over het ambivalente anti-spinozisme van Bredenburg. Hoe verbazend is het dan in Klevers Mannen rond Spinoza (1997) een lofrede te lezen over diens “oorspronkelijke uitwerking van Spinozistisch gedachtegoed”. “En welk een radicalisering van de Spinozistische verlichting spreekt er niet uit!”
Dat zal dan een soort van ‘voortschrijdend inzicht’ geweest zijn?

Ik meng me niet in de discussie (vergelijkbaar met die over Bayle) of Bredenburg nou Spinozist was onder de dekmantel van het bestrijden van diens leer, of dat hij na aanvankelijke interesse uiteindelijk toch anti-Spinozist werd. Hoe dan ook, wie in een traditionele, transcendente God wil blijven geloven kan geen echte Spinozist zijn of blijft tussen een voortdurende Spinozistische - anti-Spinozistische crisis oscilleren.

Voorkant    Voorkant    Voorkant

Reacties

Voortschrijdend inzicht? Vanaf het begin, toen ik Van Bunge's onderzoeksopdracht formuleerde, was ik overtuigd van Bredenburg's clandestiene Spinozisme. Later heb ik DAARVAN scherper de contouren willen tekenen en wat andere accenten willen leggen dan in het proefschrift (als zodanig overigens uitstekend) van Van Bunge was geschied.
Bredenburg is vergelijkbaar met de latere Toland die in zijn LETTERS TO SERENA eveneens een adequate weergave van Spinoza's fysica verstopte in een misleidende en immuniserende bestrijding. Beiden zijn thans nog zeer de moeite van bestudering waard vanwege hun doordringen tot de kern van Spinoza's vernieuwing van de Cartesiaanse aanpak.

Oké, Wim, dan heb ik dát verkeerd geïnterpreteerd. Herstel.
Maar, Wim, je moet om Bredenburg in Spinoza te passen dan ook bereid zijn om, zoals jij doet, Spinoza enigszins te retoucheren. Je schrijft n.l. in je hoofdstuk over Bredenburg in “Mannen rond Spinoza”: “In de geest van Spinoza schrijft hij [Bredenburg] tenslotte: “De rede en het geloof zijn beide rijken der waarheid, doch ieder op zijn wijze. (p. 113). Dat is m.i. volstrekt niet in de geest van Spinoza. En ook niet hoe je dat hoofdstuk eindigt: “… omdat er nu eenmaal een dubbele waarheid moet worden aangenomen in ’s mensen brein: die van de onvermijdelijke verbeelding en die van het koele verstand.”(p. 129) Daar wordt Spinoza in mijn ogen geweld aangedaan die immers niet van ‘dubbele waarheid’ wilde weten. De verbeelding (en geloof) op zich brengt ons niet bij adequate begrippen en dus niet bij waarheid. Had Spinoza in zijn TTP dan al die moeite voor niets gedaan waarin hij juist betoogde dat rede en geloof niet twee rijken der waarheid zijn, maar dat integendeel alleen filosofie (de rede) over waarheid gaat; niet het geloof (de theologie). Ik denk dat Bredenburg zijn worsteling tussen geloofs- en rede-waarheid wilde verzoenen door maar het bestaan van twee waarheidsdomeinen aan te nemen. Maar daar kun je toch niet serieus in meegaan? Hoe kun je dat als “in de geest van Spinoza” typeren?

Inderdaad, Stan, heb ik in MANNEN een uitdrukking gebruikt (van een radicale stroming in de Middeleeuwen) die in Spinoza niet te vinden is en heb ik, althans wanneer je die letterlijk neemt, Spinoza vervormd. Maar ik bedoelde natuurlijk niet dat het rijk van ons geloof of onze verbeelding een rijk van waarheid is. Dat kan niet; geloof en verbeelding zijn perse onwaar en dus het tegendeel van het heldere begrip. Mar ze zijn wel volop aanwezig (en gedacht) in het brein: d.w.z als ontkend en opgeheven of op hun plaats gezet en gerelativeerd, niet meer in absolute zin of onvoorwaardelijk aangehangen of bevestigd, zoals toen men nog niet tot volle wasdom of wijsheid was gekomen. Onschadelijk gemaakt of gemarginaliseerd door het volle licht van de adequate idee.