Johan Jozef Boasson (1882 - 1967) uitloper van het vooroorlogse idealistisch spinozisme

Velen zullen, met mij, nooit eerder van J.J. Boasson hebben gehoord. Ik was dan ook verrast toen ik naar aanleiding van de recensie van zijn hand die ik afgelopen donderdag in een blog bracht, waarna ik mij afvroeg "wie is die man?" en naar op informatie over hem op zoek ging, in Henri Krops Spinoza - een paradoxale icoon van Nederland, een uitgebreide paragraaf aan hem gewijd zag [Hoofdstuk XI, § 2.2 - ik had die tekst eerder gelezen, maar was de man weer vergeten].

Boasson werd geboren in een joods gezin in Middelburg. Hij studeerde in Leiden rechten en staatswetenschap, promoveerde in beide disciplines: in 1908 in rechten en in 1911 in staatswetenschap. Het werd in 1905 voorzitter van de Vereniging tot het uitgeven van de collegedictaten van Bolland". In 1906 werd hij rijksambtenaar en in 1914 trad hij in een gemengd huwelijk met de niet-joodse H.G. Scholten en ging in 1917 als jurist in dienst bij de gemeente Den Haag, waar hij chef van de afdeling sociale zaken werd. In 1930 volgde hij Polak in Leiden op als privaatdocent rechtsfilosofie. Van 1934-1947 was hij gemeentesecretaris van Den Haag met een 'onderbreking': in november 1940 werd hij om z'n joodse afkomst geschorst en daarna ontslagen. Door zijn huwelijk met een niet-joodse bleef hij voor verdere vervolging gespaard, schrijft Krop; volgens de website Joden in Nederland zou hij tijdens WO II ondergedoken zijn geweest. Na de oorlog werd hij weer in zijn functie hersteld. In 1947 ging hij met pensioen. Het Gemeentearchief Den Haag ontving in 2004 31 dagboekdelen die hij had bijgehouden [cf.].  

Afscheid van mr. dr. J.J. Boasson als gemeentesecretaris - 31 8 1947 [binnengehaald van Haagse Beeldbank]

Krop gaat uitvoerig in op de rechtsfilosofie van Boasson, die hij verbond met een godsdienstfilosofie. Hij noemde zich 'vrijzinnig religieus'. In zijn geschiedfilosofie zag hij sinds het eind van de Middeleeuwen twee krachten werkzaam: het rationalisme (Bacon, Descartes en Spinoza met z'n bekroning in het positivisme) en als reactie daarop het irrationalisme dat probeert te redden wat de eerste stroming liet liggen of over het hoofd zag (Pascal, Schopenhauer, Wagner, vindt z'n bekroning in Nietzsche, Bergson en het fascisme). Boasson zoekt een hogere redelijkheid die beide stromingen in zich opneemt. "Spr. zou de fouten van R. en I. willen vermijden in de redelijkheid in hoogeren zin: de objectieve ordening, waarin R. en I. beiden worden erkend en gewaardeerd, maar op een hooger niveau worden gebracht en vereenigd." [Het vaderland 22 januari 1935 bij KB krantenarchief]
Voor hem was het christendom dan ook niet voorbij, maar een religieuze verbinding van het rationele en irrationele.

Hij was bestuurslid van de Haagse Vereniging van wijsbegeerte die hij vertegenwoordigde bij de oprichting van de Algemene Vereniging voor Wijsbegeerte in 1933. Maar net als Carp legde hij zijn bestuursfunctie neer uit onvrede met de te populariserende koers. Ook trad hij op voor de Societas Spinozana. Zo sprak hij in februari 1934 in het Spinozahuis aan de Paviljoensgracht over de Spinozareceptie in Rusland en het jaar erop over mystiek en wijsbegeerte. Daarbij noemde hij Spinoza geen rationalist maar een mysticus. Krop citeert uit het verslag in Het Vaderland dat volgens hem "de ware wijsbegeerte een denken is dat zich niet enkel op de bijzondere wetenschappen richt, maar de moed heeft het geheel der dingen te viseren en zo de levensvragen oplost. Zij veronderstelt het contact met God."

Al vóór WOII had hij zich dus al met Spinoza bezig gehouden, maar deed dat erna en na zijn pensionering nog meer.

In 1949 sprak hij in Rijnsburg voor de Ver. Het Spinozahuis over De Rechtsidee en de vrijheidsidee bij Spinoza [Mededelingen VIII vanwege Het Spinozahuis, E. J. Brill, 1949 - books.google en niet zoals books.google elders zegt Societas Spinozana.]

In 1956 schreef hij in Mens en Kosmos het artikel "Voor onze tijd waardevolle elementen in de wijsbegeerte van Spinoza," waarin hij wil aantonen dat Spinoza's grondhouding een humanistische was, dat paste bij het lezerspubliek van het blad, maar tevens in zijn vrijzinnig christelijke visie. Het fundament bij Spinoza is niet alleen de rede, maar ook de liefde die de kern van het menselijk gemoedsleven bepaalt. Wel noemt hij Spinoza atheïst, maar relativeert dat met op te merken dat bijna alle moderne filosofen en psychologen niet meer in een persoonlijke God geloven. Men kan zich beter niet teveel gelegen laten liggen aan zorgen dat men zijn geest niet door "de Spaanse laarzen van het meetkundig betoog laat insnoeren." Hij verwijst naar Gebhardts Von festen und ewigen Dingen (1925) waarin die Spinoza's leer in een doorlopend betoog herschreef. Als van alle ballast van Aristoteles en Descartes wordt afgezien, blijft 'iets lichts' over: de scientia intuitiva die een directe relatie met de grond van ons bestaan doet inzien.

Z'n laatste bijdrage is weer een lezing die hij in 1962 als tachtigjarige in Rijnsburg hield over "Ratio en beatitudo in Spinoza's wijsbegeerte" [Mededelingen XIX. Leiden, Brill, 1963].

Hij ziet de Ethica hooguit naar vorm als rationalistisch wetenschappelijk geschrift, maar niet naar inhoud, anders zou nooit het bovenwetenschappelijk ideaal van de beatitudo bereikt kunnen worden. Krop citeert zijn laatste woorden over Spinoza die hij tevens ziet als "een waardig slotakkoord van het idealistisch spinozisme":

"De Spinoza van de Verhandeling ter verbetering van het verstand laat zich voluit een religieuze mysticus noemen. Voor de Ethica geldt dat hij reeds leefde in een mystieke al-eenheid, maar de terminologie en de wijze waarop hij de eenheid met God door de liefde in de mens wil actualiseren en zijn methode zijn door en door rationalistisch, al kan men in zijn intuïtie een soort van mystieke contemplatie zien." (p. 23)

Van J.J. Boasson zijn op internet geen teksten over Spinoza te vinden, behalve wat ik in een vorig blog bracht. Google heeft wel e.e.a. gedigitaliseerd, maar dat wordt Nederland niet aangeboden. Misschien in de VS wel, maar daar kan men hem niet lezen.  De DBNL heeft wel enige andere teksten van zijn hand. 

Hij zou dus wat zijn Spinoza-studie aangaat overgeleverd zijn aan de vergetelheid, ware het niet dat Krops boek en nu dit blog de herinnering aan hem bewaart. Dat dit voor het goed bewaren van het Spinozisme nodig is, mag betwijfeld worden. Toch denk ik dat kennisneming van een benadering als de zijne nog steeds enige waarde heeft.

__________

Eerste krantenportret van J.J. Boasson: foto bij benoeming tot gemeentesercretaris van Den Haag in Algemeen Handelsblad van 15 februari 1934  [KB krantenarchief]

Laatste portret van J.J. Boasson is een uitsnede uit de foto Mr. dr. J.J. Boasson te midden van de Zeeuwen - 29 maart 1946 [Haagse Beeldbank]