J.H. Leopold (1865 -1925) en Spinoza

Al eerder maakte ik er melding van dat in de onvolprezen DBNL het artikel te vinden is van J.H. Leopold, ‘Spinoza en de Stoa’ In: Verzameld werk (ed. P.N. van Eyck en Johan B.W. Polak) (1951-1952) [hier] Er is meer.

Leopold was een begenadigd dichter, een scherpzinnig filoloog en kundig vertaler van onder andere Griekse en Latijnse teksten. Leopold hield zich ook veel met filosofie bezig: hij bestudeerde Spinoza en publiceerde artikelen en een brochure over deze filosoof. In zijn gedichten zijn sporen van diens filosofische denkbeelden aan te wijzen. Het besef van de 'alverbondenheid' (alles hangt samen met alles) speelde in veel gedichten een rol (Jalink, 1963, p. 53). Zo is te lezen in het Profiel J.H. Leopold bij de Koninklijke Bibliotheek
 onder "Een teruggetrokken leven".  

‘Omstreeks 1900 was Spinoza de alleenheerser die over zijn geest regeerde’, verzekert Schmidt-Degener. Diens Ethica werd hem waarschijnlijk het uitgangspunt van zijn filosofische activiteit; Spinoza voerde hem naar het stoïcisme, en dit tot Epictetus en Marcus Aurelius. Aldus G.P.M. Knuvelder in Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde Deel IV, 1948-1953 over Jan Hendrik Leopold (1865-1925), [p.282] [
hier bij DBNL]

Overigens leek Leopold Spinoza toch vooral als filoloog te bestuderen. Siebe Thissen legt in zijn paragraaf over Leopold ("een pleidooi voor kritische tekstedities van Spinoza's werken") in zijn boek De Spinozisten. Wijsgerige beweging in Nederland (1850-1907) het accent op Leopolds filologie. Dit onder gebruikmaking van het proefschrift van Han Meijers, J.H. Leopold als filoloog (1995)
F. Akkerman schrijft In zijn Spinoza’s tekort aan woorden: humanistische aspecten van zijn schrijverschap: “Het is de classicus Jan Hendrik Leopold geweest, die in zijn aardige boekje over Spinoza’s teksten op [...] Terentiusontleningen in Spinoza’s werk gewezen heeft. [Ad Spinozae opera posthuma scripsit Dr. J.H. Leopold, ’s-Gravenhage 1902, p. 12, 24 e.v.] In totaal heeft hij 26 tekstplaatsen in Spinoza aangewezen, die ontleningen uit Terentius bevatten, voornamelijk in deel III en IV van de Ethica. Hij merkt daarbij ook op dat juist hier, in het definiëren en onderscheiden van menselijke affecten en in het stellen van de menselijke zwakheid tegenover de hartstochten, er alle gelegenheid is voor aanhalingen uit de komediedichter, daar er een zekere verwantschap tussen beider kijk op de mens bestaat." [hier]

Akkerman schreef ook ‘Leopold en Spinoza’ [In: P.M.Th. Everard & H. Hartsuiker, (red.), Ontroering door het woord: over J.H. Leopold, Groningen: Historische uitgeverij, 1991, 13–47]. Ik ben benieuwd of - als ik het ooit onder ogen krijg – het beeld van Leopolds bemoeienis met Spinoza veel anders zal blijken te zijn dan ik het hier uit internetgegevens bijeensprokkel.

[Bij Historische Uitgeverij]

Zo komt men de volgende typeringen tegen:

“In onvrede met het hier en nu zocht hij een levensbeschouwelijke zekerheid die het christendom hem niet kon bieden en die hij aanvankelijk meende te ontdekken in Spinoza en in de Stoïci en Epicurus. In deze denkers trok hem bovenal het pantheïstische element waarvan men de sporen in zijn eigen poëzie terug vindt, getuige bij voorbeeld het gedicht Oinou hena stalagmon [Οινου ἑνα σταλαλμον...]. 'De werkelijkheid streeft naar oplossing in het afzonderlijke', heette het reeds in een stelling bij zijn proefschrift, en inderdaad treft bij Leopold vaak een welhaast mystiek bewustzijn van de verbondenheid aller dingen. Deze houding, gevoegd bij zijn neiging tot het determinisme, deed hem uiteindelijk de meeste bevrediging vinden in het oosters-fatalistische van een man als Omar Khayyam, wiens werk hij in 1904 ontdekte en evenals dat van andere oosterse dichters herhaaldelijk navolgde. Op filosofisch gebied leverde Leopold enkele bijdragen in de vorm van studies over Spinoza, alsmede een tweetal boekjes met vertalingen, Stoïsche wijsheid (Rotterdam, 1904), met medewerking van zijn leerling F. Schmidt-Degener, en Uit den tuin van Epicurus (Rotterdam, 1910).

In 1905 werd hij Lid van de Vereeniging van Letterkunde en in 1907 bestuurslid van Het Spinozahuis.

In De Nieuwe Gids van januari 1915 publiceerde Leopold een verhalend gedicht, Cheops, dat het jaar daarna afzonderlijk verscheen in de bibliofiele reeks van De Zilverdistel (50 exemplaren). In dit werk heeft Leopold een poëtisch visioen gegeven van de metafysische slotsom waartoe intensieve studie van Spinoza, de klassieke wijsgeren en ook oosterse letterkunde hem had geleid. In kwatrijnen en andere kleine gedichten, slechts ten dele door hemzelf gepubliceerd, blijkt de oosterse invloed op de oudere Leopold nog te zijn toegenomen: ze bevestigen zijn bittere levenservaring, zijn wijsgerig agnosticisme, maar ook zijn vreugde om de kleine genoegens des levens: een element van het epicurisme, waaraan hij ook een publicatie in proza had gewijd.

Inderdaad werden zijn latere jaren gekenmerkt door een groeiende vervreemding van zijn omgeving, waarbij zijn doofheid zeker een rol speelde, maar evenzeer paranoïde trekken naar voren kwamen die een steeds grotere achterdocht jegens een ieder in zijn nabijheid voedden. 'Omgang met menschen, nabuurschap: een sleepend zeer, een chronisch lijden', heette het nu in een gedicht en dit beeld van de dichter is bestendigd vooral door de herinneringen van zijn reeds genoemde oud-leerling Schmidt-Degener. [van hier en hier]

"Leopold studeerde in Leiden klassieke talen. Hij probeerde niet om met zijn denken door te stoten naar een wereld van algemeen geldige waarheden van de orde van de filosofie. Als er wat beleden wordt in de vroege poëzie van Leopold zijn het gevoelens van existentiële onmacht en eenzaamheid en niet dus op een filosofisch systeem gebaseerde serene inzichten in de samenhang van alles en allen. Leopold gebruikt voorstellingselementen uit bij voorbeeld de filosofie van Plato om ze, veranderd van karakter en onttrokken aan de bespreekbaarheid die per definitie kenmerk is van de filosofie, deel te laten hebben aan en op te laten gaan in het eigensoortig verband van zijn poëzie. In later werk weeft hij kernelementen van Spinoza's ethica in zonder een spinozistisch dichter te worden. Toen hij na zich zes jaar lang aan de studie van de filosofie gewijd te hebben, weer ging dichten bleek zijn omgang met de filosofen wel sporen nagelaten te hebben, maar de poëzie en de manier van intertekstueel denken die daarbij past, hebben het gewonnen van de denksystemen van de filosofie met hun aanspraken op waarheid." [Zo noteerde Tineke Steenmeijer-Wielenga op 7 maart 2008 in: aantekeningen van een studiedag over de dichter Obe Postma, 'Wijsgerige aspecten van de poëzie rond 1900 in Nederland' door dr. Dick van Halsema over Leopold. - hier]

Tenslotte Leopold zelf aan het woord: in Omar Khayyam in De Nederlandsche Spectator, 1906, No. 11 schrijft hij: “[...] Dit is nagenoeg het wezenlijke van wat wij van Omar weten. Toch treedt ook uit dit weinige een figuur naar voren van waarlijk ongemeene afmetingen en verhoudingen. Een geest, brandende naar onderzoek, en een verstand, dat volhield tot den laatsten grond; een, die achtereenvolgens al het weten van zijn tijd in zich had opgenomen, die van en door de schriftgeleerdheid was gekomen tot de exacte wetenschappen, in beide zijn grootschen aanleg openbarende, die door zijn onverbiddelijk verstand tot een botsing moest gevoerd worden met de aangenomen leer en den bestaanden godsdienst en zoo een leven inging van omzichtigheid en afzondering, gehaat en gevreesd bij het overwegend grootste deel, maar anderzijds gezocht en gewaardeerd bij de weinigen zijns gelijken, de hoogststaanden van zijn tijd. Wie gevoelt in dit alles niet de overeenkomst tusschen dezen Oosterschen man der wetenschap en den Joodschen wijsgeer in ons zeventiende eeuwsche land? Een overeenkomst, die met het genoemde niet is uitgeput[1], in zooverre zij beiden, en nagenoeg zij beiden alleen, de kracht hebben bezeten om tot de uiterste consequenties van de rede en van het determinisme door te denken en deze te aanvaarden met alles, wat daarin omtrent 's menschen lot ligt opgesloten. [hier p. 475/76]

[1] Een uiterlijk maar treffend bewijs dezer overeenkomst in het bij Omar zulk een groote rol spelende beeld van den pottebakker en zijn maaksels (vgl. Jeremia 18.6, Paulus Rom. 6.19), dat ook meermalen door Spinoza gebezigd wordt.

Leopold schreef een recensie over “Brieven van Spinoza”: Nachbildung der im Jahre 1902 noch erhaltenen eigenhändigen Briefe des Benedictus Despinoza. Herausgegeben von W. Meyer, Haag. 1903. fol. [in: De Nederlandsche Spectator, 1903, no. 43 - hier bij DBNL]

Leopold schreef “Spinoza en de Stoa[in: Archiv für geschichte der philosophie VII. 1894 p. 28 vlg. en in: De Nederlandsche Spectator 1905, No. 22 – hier bij DBNL]

Leopold vertaalde B. de Spinoza, Verhandeling over de Verbetering van het Verstand [slechts  de beginbladzijden – hier bij DBNL]

 

In geen van de gedichten van Leopold komt de naam of de persoon van Spinoza voor. Wel zijn er Spinozistische invloeden bespeurbaar. In het hierboven genoemde gedicht Οινου ἑνα σταλαλμον... heb ik echter moeite iets van Spinoza mee te krijgen. [Het is hier bij DBNL te lezen]. Iets meer heb ik dat wel bij de volgende gedichten. De tweedeling in het eerste gedicht doet denken aan die van Spinoza tussen de wijzen en de menigte of het volk:

  

    [Christenen, Joden, Parsen, Moslemin]
CHRISTENEN, Joden, Parsen, Moslemin,
zij dolen allen; voor wie toe wil zien,
vervalt de gansche menschheid slechts in tweeën,
twee soorten enkel worden er ontdekt:
intelligente menschen zonder vroomheid
en vrome menschen zonder intellect.

 

 

    [Uw ziel, mijn ziel: iets, dat twee namen heeft]
UW ziel, mijn ziel: iets, dat twee namen heeft;
al uw bestaan wordt door mij meegeleefd;
wie spreekt dan tusschen ons van mijn en dijn,
waar, ‘gij en ik’ niet splitst maar samenkleeft

 

 

    [Ik ben niet ik, gij zijt niet gij; o zekerheid bezeten]
IK ben niet ik, gij zijt niet gij; o zekerheid bezeten!
want ik ben gij en ik, gij ik en gij; o weten!
Zeg dan als laatst volmaken, schoone van Chotaán,
of gij wellicht meer ik, of ik meer gij mag heeten?

[hier bij BDNL

Overzicht van secundaire literatuur over J.H. Leopold