J.C. van Schagen (1891 - 1985) Spinozaische prozagedichten 'Narrenwijsheid'

Johan Christiaan Jacobus van Schagen, was schrijver, dichter en beeldend kunstenaar. Hij studeerde rechten te Utrecht en Amsterdam, promoveerde in 1920 op stellingen op het gebied der visserij. Van 1918 tot 1924 was hij werkzaam bij de visserij-inspectie te Den Haag en van 1924 tot 1942 bij die van Rotterdam. In 1942 werd Van Schagen ontslagen. Hij ging – hoewel al boven de 50 - studeren aan de Rotterdamse Academie voor Beeldende Kunst, waar hij zich bekwaamde in etsen, lithografie en schilderkunst. Sindsdien produceerde hij veel kunst. In 1953 verhuisde het gezin naar Maarssen aan de Vecht, waar Van Schagen schilderlessen genoot bij Willem van Leusden. Begin jaren vijftig trok hij met vrouw en kind naar Domburg, waar hij sindsdien woonde en werkte.

Van Schagen debuteerde in 1922 in De Stem met Narrenwijsheid (uitg. 1925), "prozagedichten die een door Spinoza beïnvloed pantheïsme tonen in een merkwaardige vermenging van nuchterheid en hooggestemdheid", volgens G.J. van Bork [zie DBNL]. Met die bundel had hij succes. Veel van zijn latere werk gaf hij in eigen beheer uit. Vanaf 1963 liet hij de Domburgse cahiers verschijnen, waarin hij zijn proza en dichtwerk publiceerde. In 1985 verscheen 'Wat dit blijfsel overbleef', het eerste deel van een driedelig Archief Van Schagen met poëzie, proza en brieven. De andere twee delen 'Ik doe niet meer mee' en 'Je moet het zwijgen', verschenen  in 1986 en 1987.

Over Narrenwijsheid. Vooral de cyclus van vier openingsgedichten met dezelfde titel, Narrenwijsheid, doen Spinozaïsch aan. De bundel 'Narrenwijsheid' werd bij elke herdruk uitgebreid. Vanaf de vijfde druk heeft de bundel een nawoord van Van Schagen.

De kritiek was niet onverdeeld gunstig. Martinus Nijhoff leek er niet veel mee op te hebben, tot driemaal toe noemde hij het merkwaardige gedichten en hij schaarde Van Schagen onder de ‘kleine zielen’ en ‘halfbloeden van de geest’ [zie bij DBNL]. Nadat hij de repeterende zinnen van het derde narrenlied (dat ik hierna in z’n geheel geef) heeft geciteerd, vraagt hij retorisch: “Is een waterdruppel de samenstelling zijner bestanddelen, een gedicht de opeenvolging der regels, en God de som van zijn werkingen in de natuur?” Hij citeert: “Goddelijk is de uieschil van het trottoir, goddelijk het natte lucifertje, Goddelijk de kromme steegjes onzer gedachten...” En zegt dan: “En is dit niet positief tegenover de dingen en negatief tegenover God? - Wanneer en op welke wijze geeft Van Schagen ons een positieve uitdrukking van wat wij God noemen, geeft hij m.a.w. een directe bewustheidsvorm voor een geheel, dat ook buiten zijn delen bestaat? Niet op de wijze der metafysica of op die van het intellectuele denken, maar op de beeldende wijze der kunst.” Kortom Nijhoff heeft niets met een Spinozistische God, maar wil een God die buiten de dingen bestaat. Zo sijpelde theologie de poëzie-kritiek binnen.
Terecht, dunkt mij, wijst hij op “een weinig triestige stemming” van veel gedichten. En inderdaad, lijkt Van Schagen nauwelijks aangedaan door een echte Spinozistische blijheid.

Maar als het dan leek dat Nijhoff de dichter negatief-kritisch beoordeelde, eindigt hij uiterst positief: “Ik kan deze korte karakteristiek niet besluiten zonder even een bijna persoonlijk woord van dank aan Van Schagen voor de aanhef van het helaas in het verloop wel wat gezwollen en grootsprakig gedicht, dat hij ‘ Voor Rogiertjes moeder’ schreef. Er wordt gesproken over de conceptie van een kind, en hij schrijft:

Toen we wisten, dat zijn lichtje aangestoken was -

Die uitdrukking is zo teder, zo prachtig, zo prachtig, dat ik er hier niet meer over schrijven durf en dat ik reeds daarom het boekje van Van Schagen mijn leven lang bewaren zal en alles zal lezen waaronder zijn naam staat.” Zo, die was niet mis.

Terecht is wel gezegd dat de tragiek van J.C. van Schagen was dat zijn debuutbundel meteen ook zijn grootste succes was. De bundel verscheen in 1925. Hij was 34 en had reeds een carrière als ambtenaar achter zich. Het succes dat deze bundel met vele herdrukken kreeg, heeft hij nooit meer ondervonden.

In “Al pratende met ... Mr. J.C. van Schagen door G.H. PANNEKOEK Jr.” zei hij, gevraagd naar wie of wat hem beïnvloedde: “Ook mag ik niet vergeten een heel ander soort duw van Spinoza's Ethica.”

Vorig jaar gaf Van Oirschot een ‘tweede kans’-gedichtenbundel van Van Schagen uit, Ik ga maar en blijf, gekozen en ingeleid door Ingmar Heytze. Daarin alleen het eerste der narrenzangen. In die inleiding schrijft Heytze: “Als er ooit een naïeve dichtkunst in Nederland is bedreven, dan is het door Van Schagen, met zijn vrije verzen in een kinderlijk verwonderde stijl.”

Hier geef ik de vier coupletten van het openingsgedicht Narrenwijsheid. Aan het eind maak ik een kanttekening bij het motto.

 

 

NARRENWIJSHEID

 

Qui recte novit, omnia ex naturae divinae
 necessitate sequi et secundum aeternas
 naturae leges et regulas fi
eri, is sane nihil reperiet,
 quod odio, risu aut contemptu dignum
 sit, nec cujusquam miserebitur…
Spinoza

 

I

 

Niets is, dat niet goddelijk is.
Daarom wil ik niets uitzonderen.
Ik geef geen namen.

 

Ik laat adel en schoonheid liggen, ik vraag niet naar
              recht, ik blijf niet staan bij slecht en leelijk.
Goed en deugdzaam gaan mij niet aan.

 

De regen regent over bosch en zee en over de stille velden
In de slootjes regent de regen, op de verre buiten-
              wegen en op het zinken platje van de keuken
In de vuile gootjes van de binnenstad regent de
              regen en de regen regent op de keetjes van
              de burgerwacht
En op het trottoir met de natte krant, de uienschil
              en het lucifertje.
De gevangene in zijn cel hoort den regen, de moeder
              staat voor het raam met haar kindje.
De kellner staart in de regen door de spiegelruit,
              voorbij het kleintje koffie.
De politicus loopt op en neer in zijn kamer en
              bedenkt, wat hij zeggen zal, maar hij blijft
              staan en luistert naar den regen.
De regen regent over de schepen in de havens, over
              het station en de emplacementen, over
              de fabrieken buiten de stad.
En over het oude paard van de kolenwagen aan
              den overkant.
Zachtjes ritselt de regen in de graskantjes van de weg,
Hij leekt langs de planken van het fietsenhok en
              langs het warme gezicht van het schoolmeisje,
Langs het gelaat van den ouden man, die heeft liefgehad,
              langs de vale gezichten van den chauffeur
              en den journalist met zijn potloodje.
Op de roode pannendaken der oude huizen, op de
              afdakjes en de binnenplaatsen, in de steegjes
              en de hofjes en in de groene grachten van de
              oude stad regent de regen.
Hij regent pokkeputjes in het kille strand, waar het
              seizoen verkeken is,
Op de daken der hôtels met de rood pluche kamertjes
              regent hij, over de leege ambtenaarsbuurten
              en de bouwterreinen.
Op de tramremise en de kar van den bakker, op den
              werkman van het sintelpad,
En er is een diepe, zwarte toon gekomen in de
              dingen, oud en dromerig en vertrouwd.

 

Zoo regent de regen.
Daarom geef ik geen namen.
Ik ga maar en ben.

 

 

II

 

Ge hadt God en de wereld lief.
Toen sprong Uw bretel los.

 

Ge breiddet de armen uit om het Al te omvatten,
Maar trok toen niet een trek van wrevel over Uw gelaat,
Wijl juist Uw buurman’s phonograaf te wauwelen begon?

 

Zuiver waart Ge als ijs en tot reinheid sloeg in, wat
              Uw reinheid beroerde.
Waarom dan schreef Ge enkel van de oogen
              Uwer liefste
En zweegt Ge van de weelden harer warme heupen?

 

Hooger en hooger besteegt Ge den berg en
              Ge overschouwdet de wereld,
Maar waarom dan die hinder van de modderspatten
              op Uw witten mantel?

 

Sterker is Uw slechte kies bij wijlen dan de brand
              der liefde Gods.
Ge moet maar een beetje lachen,
Het is niets.

 

III

 

Of liever.

 

Wil ik niet klimmen tot den top?
Zoo hoort mij ook het recht op den afgrond.
Wil ik niet groeiend tot den storm?
Zoo hoort mij ook het recht op den bliksem.
Wil ik niet leven tot het uiterste?
Zoo hoort mij ook het recht op den dood.

 

Wie is, wil zichzelf ervaren.
Wie kan, wil zijn macht bedrijven.
Wie van de liefde Gods bezeten is, vraagt slechts
              Zijn harden weerstand.

 

Zoo is mijn dwaasheid mij lief, om haar dagelijksch
              conflict met den muur.

 

Zoo is mijn zwakheid mij lief, om de vreugden van het               ondergaan der wet.
Zoo is de Duivel mij lief, wijl ik met hem verbonden
              niet dan mijn goddelijkheid ervaar.
Zoo is de nederlaag mij lief, wijl slechts verliezend
              ik mijn uitersten kan kennen.
Zoo reik ik dagelijks naar de grenzen mijner macht,
              tot den terugslag.
Zoo streef ik dagelijks naar de top mijner bezinning,
              tot de ironie.
Zoo span ik dagelijks weer den boog mijner krachten,
              tot de neerbraak.
Zoo tart ik dagelijks weer mijn onmacht, tot de wanhoop.

 

IV

 

Ik zal niets ontwijken. Ik zal niets zoeken.
Ik zal bij niets stilstaan.
Ik zal maar gaan en zijn.

 

Zoover mijn liefde reikt, zal ik aanvaarden en verwinnen.
Zover mijn macht tekortschiet, zal ik aanvaarden
              en mijn zwakheid lijden.
Het is mij even lief, het is de wet.
Ja, ik wil niet ophouden voor ik tekortschiet.

 

Zoover Uw liefde reikt, zult Ge daarbij staan en
              knikken en het goed vinden en schoon en edel.
Zoover Uw macht tekortschiet, zult Ge verstoord zijn
              en geërgerd en mij bespotten.
Het is mij even lief, het is de wet.
Ja, ik wil niet ophouden, voor ik U geërgerd heb
              en Uw edele sympathie teleurgesteld.

 

Niets is laag, niet is bespottelijk, zelfs Gij en ik niet.
Wij moesten maar een beetje lachen samen, als onze
              krachten ons begeven.
Komt, laat ons wat spelen met mijn bellen.
Goddelijk is de uieschil van het trottoir, goddelijk het natte lucifertje,
Goddelijk de kromme steegjes onzer gedachten.
Ge moet niet boos zijn om mij profanatie, het was
              slechts Uw dwaasheid.
Ge moet niet boos zijn om mijn gebrek aan eerbied,
              het was slechts Uw gebrek aan liefde.

 

Ge waart zoo rechtvaardig, toen vergat Ge God.
Ge waart zoo edel en schoon, toen vergat Ge God.
Ge waart zoo goed en liefderijk, toen vergat Ge God.
Uw bewegen was zoo schoon en statig, Uw bezit was
              zoo zuiver geordend, Uw woorden zoo
              kiesch gekozen, toen vergat Ge God.
Kom nu, zelf, alleen.
Kom mede nu, verbreek het bindsel.
Kom mede, in de golven.

 

 

J.C. van Schagen

In Narrenwijsheid. Van Loghum Slateruis, Arnhem, Derde en vermeerderde druk, 1947

 

Het motto uit de Ethica,

Martinus Nijhoff vertaalde dit als volgt: ‘Hij die terecht beseft, dat alle dingen uit de noodwendigheid der goddelijke natuur voortkomen en volgens de eeuwige wetten dezer natuur gebeuren, maakt geen uitzonderingen voor hetgeen vijandig, belachelijk of minderwaardig zou kunnen schijnen, en heeft met niets deernis...’

Mario Molegraaf in een recente recensie: “Heytze heeft de Latijnse tekst trouw overgeschreven, maar niet vertaald. Er staat: wanneer je beseft dat alles de noodzaak van de goddelijke natuur volgt en volgens de eeuwige wetten van de natuur verloopt, keur je niets af, minacht je het of vind je het belachelijk.”

Door niemand wordt aangegeven dat het citaat afkomstig is uit Ethica IV, prop. L, scholium, noch wordt door iemand opgemerkt dat Van Schagen zich een kleine vrijheid veroorloofde en twee woorden wegliet. Spinoza schreef namelijk “leges, et regulas fieri.” En dat doet de vraag stellen, waarom ‘wetten’ voor Spinoza niet genoeg was en er ‘regels’ bij genoemd moesten worden. Ook is opmerkelijk dat Van Schagen d.m.v. puntjes het citaat beëindigt. Als we kijken wat hij wegliet, valt op dat hij inderdaad, ondanks de verwijzing naar narren, wellicht minder ophad met Spinoza’s “bene agere et laetari.” Hij liet weg:
“sed, quantum humana fert virtus, conabitur bene agere, ut ajunt, et laetari.”

Henri Krop vertaalt: “Wie inzicht heeft in de noodzaak waarmee alle dingen uit de goddelijke natuur voortvloeien en volgens eeuwige natuurwetten en regels tot stand komen, treft werkelijk nooit iets aan wat zijn haat, lachlust of verachting waard is. Hij zal met niemand medelijden hebben en zo veel als de menselijke deugd het toestaat, trachten ‘wel te doen en blij te zijn’ zoals men zegt.”

Bronnen

Er bestaat geen wikipedia-pagina van hem
Corr. 4 juli 2016. Hoe ik dat kon schrijven, weet ik niet: er bestaat lennelijk al vanaf aug 2005 wel een wikipedia over hem: J.C.J. van Schagen. Misschien speelde die derde voorletter de zoekmachine toen parten? Kan ik me niet echt voorstellen.

bij antiqbook

bij DBNL

Al pratende met ... Mr. J.C. van Schagen door G.H. PANNEKOEK Jr.

http://www.jcvanschagen.nl/