Jan Knol onvermoeide propagandist voor Spinoza

product afbeelding

Vanmiddag in de bibliotheek (eindelijk eens) het boekje gelezen van Jan Knol, En je zult spinazie eten; aan tafel bij Spinoza, filosoof van de blijvende blijdschap. Het is een uitgave van de Wereldbibliotheek [februari 2006]. Het is een jaar later al opgevolgd door “Spinoza uit zijn gelijkenissen en voorbeelden” en een derde boekje is inmiddels ook al aangekondigd. Het krijgt de titel "Spinoza's intuitie" en zal in maart 2009 verschijnen.  

Het lijkt dus dat Jan Knol, die predikant is in het Drenthse Smilde, in het toegankelijk maken van het werk van Spinoza voor een breed publiek een nieuw emplooi gevonden heeft.

Over zijn tweede boekje schreef ik juli 2007: "Hij heeft nu voor zijn nieuwe boekje een heel andere, aardige opzet bedacht: aan de hand van gelijkenissen en voorbeelden waarmee Spinoza in zijn werk en in zijn brieven zijn denkbeelden toelicht, legt Jan Knol Spinoza's gelijkenissen uit én beschrijft hij vervolgens diens ideeën in eenvoudige en goed leesbare teksten, waarbij hij uiteraard zo dicht mogelijk bij Spinoza's eigen teksten blijft." 

Nu, nadat ik inmiddels al heel wat meer van en over Spinoza gelezen had, las ik dus pas zijn eerste boekje. En ik word er iets ambivalenter over. Het is maar waarmee je het vergelijkt. Zijn aanpak is stukken serieuzer en gedegener dan bijvoorbeeld een flutwerkje als 'Spinoza in 90 minuten' van Paul Strathern (ik kan niet meer verwijzen naar mijn bespreking van dit flodderwerkje dat is bij blogse.nl in rook opgegaan).  

Het boekje van Knol is een eenvoudige inleiding. Sommigen lopen er nogal mee weg. Ik geloof dat het vast wel een nuttige functie vervult voor mensen die enige nieuwsgierigheid konden opbrengen, maar niet veel tijd aan studie van Spionoza willen besteden.

Mij vallen een paar dingen een beetje verkeerd. Knol schrijft met erg veel begrip voor mensen die nog vastzitten aan een persoonlijk godsbegrip. En eigenlijk geeft Knol mij het gevoel dat hij daaraan zelf toch ook nog wel een beetje vastzit. Ook al schrijft hij meermalen dat God en het universum samenvallen (p. 26 en 32).
Dat ‘God’ met een hoofdletter geschreven wordt begrijp ik wel – een concessie aan een gewoonte. Maar waarom ook over Hem, Persoon (zelfs waar 't persoonlijke wordt ontkend) en ‘God op Zijn beurt’ (p. 53) geschreven wordt? Het lijkt toch nog erg alsof er een soort van eerbied en verering voor 'Hem' (waar - in de hoogte?) wordt uitgedrukt. Waarom in de zin “De Geest blijft eeuwig dezelfde, evenals de materie’ (p. 38) Geest met hoofletter en materie met kleine letter wordt geschreven? Ik vertrouw het niet helemaal.

Attributen noemt hij ‘eigenschappen’ van God. Ook heeft hij het over het “parallel aan elkaar bestaan” van materie en geest. Maar dat is hem nauwelijks aan te rekenen. Dat is al min of meer standaardgebruik geworden, hetgeen ik een verkeerde interpretatie acht. Ik hoop er nog een keer over te schrijven.

Ik betwijfel of Knol een helder idee heeft van het ontstaan van inadequate ideeën, waar hij schrijft “wanneer het voorgestelde en de voorstelling niet goed overeenkomen, spreekt Spinoza over inadequatie ideeën. Deze leveren passies op.”(p. 65/66) Juist door de passies krijgen we inadequate ideeën. Doordat we de prikkels en signalen van dingen van buiten via ons lichaam in onze geest krijgen (de geest is de idee van ons lichaam), kunnen we niet uitmaken wat er in waarheid van buiten komt en welke dingen er door ons lichaam (onszelf) aan worden toegevoegd.

Aanvulling.

Een week voor onderstaande reacties op dit blog (zo ontdekte ik later) verscheen op de website van de VVD Den Haag op de pagina met informatie over de Benedictus de Spinoza Stichting, de volgende "commercial". Ik geef deze aanbieding hier gratis door:

Smilde, 16-11-2008 Aan de lezer(es) van dit email,
Is ’t geen goed idee om kennis te nemen van het steeds actueler wordende gedachtengoed van Spinoza?
Hierbij bied ik mij aan voor een lezing of iets dergelijks op vereniging over Spinoza’s filosofie. Ik kan u verzekeren dat ‘t een boeiende, interactieve aangelegenheid wordt. Hopende u niet lastig gevallen te hebben maar daarentegen u een goed idee aan de hand gedaan te hebben, met vriendelijke groet, Jan Knol

De actualiteit van Spinoza
Spinoza (1632-1677) is zo’n 375 jaren geleden geboren maar was zijn tijd ver vooruit en gaat nu pas leven onder een breder publiek dan alleen intellectuelen, filosofen, schrijvers en wetenschappers. Spinoza’s filosofie heeft talrijke aspecten waarmee we vandaag de dag ons voordeel kunnen doen. In een interactieve lezing (d.w.z. in een heen en weer tussen publiek en spreker) wil Jan Knol aansprekend en ook enigszins humoristisch de hele filosofie van Spinoza in vogelvlucht behandelen: hoe Spinoza dacht over God, het Universum, de verhouding van lichaam en geest, het toeval, de vrije wil, de drie kensoorten (verbeelding, ratio, intuitie), het menselijk gedrag, het ontstaan van godsdienst en de politiek. Heel het denken van Spinoza draait om God of de Natuur waaruit alle dingen noodzakelijk voortkomen. Geloof en wetenschap zijn bij Spinoza een en hetzelfde. Einstein putte hieruit inspiratie en zei dat, als hij in een God geloofde, het die van Spinoza was. Spinoza is een netwerkdenker: alles is met alles verbonden. Het heelal is een eenheid-in-verscheidenheid. God is de ene substantie waaruit heel de werkelijkheid bestaat en die een materieel en geestelijk aspect heeft. Tegelijkertijd wordt duidelijk dat Spinoza ook een determinist pur sang is. Maar hebben we al eens bedacht hoe ontzettend veel voordelen het determinisme heeft boven de 'verbeelding van de vrije wil.' Kortom, dit alles kan aanzetten tot een heel levendige, interactieve bijeenkomst! Ook komen aan de orde, zijn in zijn godsbeeld geworteld ecologisch denken; zijn sobere, milieuvriendelijke levensstijl; zijn opvatting over de mens en diens gedrag als deel van de natuur. Spinoza’s wereldberoemd motto was Deus sive Natura, God of de Natuur. Kortom, hoog tijd voor Spinoza! En wat Jan Knol betreft. Geboren in 1946 is hij na zijn theologische opleiding aan de VU te Amsterdam vanaf 1971 predikant eerst bij de gereformeerde kerk (Westerlee, Oldebroek, Dedemsvaart, Sneek, Smilde) en later bij de protestantse kerken (PKN). Ondanks alle inspanningen tot vernieuwing van de kerken zag hij in de loop der jaren die toch steeds verder verdampen wat hem er toe bracht om zich grondig te bezinnen op het godsbeeld. Via de bestudering van allerlei godsdienstige bewegingen (met name ook de Indische Vedanta) waaruit ook zijn boek Reis door religies en stromingen is voortgekomen, kwam hij omstreeks het jaar 2000 bij Spinoza terecht. Dat greep hem helemaal en sinds die tijd is hij (hoewel nog steeds predikant) spinozist. Hoewel Spinoza’s filosofie in wezen eenvoudig is, zijn Spinoza’s boeken moeilijk toegankelijk. Vooral zijn hoofdwerk Ethica, op geometrische wijze bewezen (1677). Jan Knol heeft zich nu als doel gesteld om de filosofie van Spinoza wat dichterbij de gewone mensen, waartoe hij zichzelf ook rekent, te brengen. Twee boeken betreffende Spinoza zijn al van zijn hand
verschenen: En je zult spinazie eten, 4-de druk, Wereldbibliotheek, 2006 en Spinoza uit zijn gelijkenissen en voorbeelden voor iedereen, 2-de druk, Wereldbibliotheek, 2007. En in oktober/november ook bij de WB, Spinoza’s intuitie. Jan Knol Suermondsweg 2 9422 EE Smilde tel. 0592 412531 janknol@xs4all.nl

                                             * * *

Herziening titel blog op 31 maart 2011

2½ jaar luidde de titel van dit blog Spinoza als melkkoetje van ds Jan Knol - ook al wist ik inmiddels wel beter. Een tekst kun je makkelijker aanpassen dan een titel (want dan moet je ook de inhoudsopgave weer aanpassen). Maar inmiddels heb ik toch besloten om hem te wijzigen in de nieuwe titel. Het grapje was te flauw geworden...

Reacties

Hallo Stan, allereerst bedankt voor je toch wel positieve waardering van mijn boekje(s). Mag ik toch een van jouw punten proberen te weerleggen. Dat Spinoza een melkkoetje voor mij zou zijn, is integendeel waar, wat je al vlug kunt opmerken als je let op de prijs van de boekjes, en ten tweede daarop dat ik door mijn schrijverij gevaar loop mijn traktement te gaan verliezen. Ik ben een tevreden en sober levend type, maar wel een vol liefde en enthousiasme voor de filosofie van Spinoza. Alle goeds, van Jan Knol.

Beste Jan Knol,
Dat van dat melkkoetje klonk inderdaad wel een beetje boosaardig, terwijl ik ook wel begrijp dat dit schrijven geen bezigheid is waar iemand rijk van wordt. En eigenlijk heb ik wel bewondering voor je dat je zoveel bijdraagt aan het populariserend toegankelijk maken van Spinoza's niet eenvoudige teksten, waar tegenwoordig zoveel belangstelling voor bestaat. Ik heb mensen die naar een simpele inleiding vroegen, verwezen naar jouw boekjes.
Dus, ga zo door (mijn zoon en gij zult...)

Het lezen en begrijpen van Ethica is niet gemakkelijk. Ik ben ergens halverwege blijven steken. Ik ben inmiddels een paar andere boeken aan het lezen, o.a. De onbekende Spinoza van Rebecca Goldstein en een biografie van Spinoza door Steven Nadler. Ook ben ik bezig geweest met het boek van Damasio, Het gelijk van Spinoza.
Hoe kunnen we de verworven inzichten nu toepasbaar maken in het praktisch handelen? Kun je er omgangslessen mee maken voor het onderwijs en in de kerk?

Hier volgt een kort commentaar op het boek "Spinoza - uit zijn gelijkenissen en voorbeelden - voor iedereen" door Jan Knol, Uitgeverij Wereldbibliotheek, 2007 .( Ik plaatste dit commentaar al eerder op www.despinoza.nl .)
Afgezien van de a-spinozistische, paternalistische stijl, is het boek ook inhoudelijk nogal aanvechtbaar. Voornaamste oorzaak is het zeer selectieve gebruik van citaten uit zowel Spinoza's werk als de bijbel. Zo'n contextualisering is dan noodzakelijk sterk "ge-biased".

Het vooroordeel van dominee Knol jegens atheïsten wordt onverbloemd gereflecteerd in de openingszinnen van Hoofdstuk 5 waar hij schrijft "Alleen iemand zonder verstand kan Spinoza voor een atheïst uitmaken. Niemand heeft zich verhevener over God uitgelaten als hij".

Wordt Spinoza hier door de oh zo verstandige Knol als een bevlogen theïst bestempeld? Dat zou immers het regelrechte gevolg zijn van Knol's eigen woorden. Echter, Spinoza's filosofische "god" is een radicaal andere dan die van de theoloog!

Uitgangspunt is hier de Ethica. Daarin definieert Spinoza een nadrukkelijk niet-bovennatuurlijke en volstrekt onpersoonlijke "god" en verwerpt hiermee even nadrukkelijk de morele "god" van de theoloog. De god van Spinoza is eenvoudigweg identiek aan de gehele (amorele) natuur.

Dus, precies omdat Spinoza's god niets heeft van de morele god (theos) van de drie monotheïstische religie's, is Spinoza juist géén theïst, noch een pan-theïst, zelfs geen pan-en-theïst in de traditionele betekenis van het woord, maar een a-theïst ( niet-god ) avant la lettre!

Is dat erg? Neehoor, de atheïst Spinoza was immers verre van een immoreel persoon ,terwijl wie zo uitdrukkelijk stelt als de dominee/theoloog, natuurlijk eerst zèlf moet bewijzen!

De werken van Spinoza zijn min of meer opdezelfde wijze te benaderen als teksten uit de Bijbel. Allereerst zal men voldoende kennis dienen te bezitten van het Latijn. En bij het ontbreken ervan gedegen vertalingen. Ik gebruik de vertaling van Ethica van Henri Krop. Heel belangrijk zijn ook de specifieke termen en begrippen. Te vergelijken met hebreeuwse en griekse termen voor de uitleg van de bijbel. Met het omzetten naar het Nederland doen zich dezelfde problemen voor als met de Bijbel. De Nederlandse taal is steeds aan het veranderen. M.a.w er is algemeen aanvaard woordenboek nodig over de begrippen uit Ethica, voordat we met elkaar in gesprek kunnen gaan. Ook is er inzicht en een beetje oefening nodig in het lezen van deductieve verklaringen van individuele gebeurtenissen. Bijvoorbeeld het volgende wij constateren dat op een zeker moment in het najaar de voordeur van ons huis klemt en nemen dan aan dat dit komt doordat de deur is uitgezet. Op grond van een aantal verklaringen is dit uit te werken.

In schema gezet
Explanans 1. Onze voordeur is van hout.
2. Alle houten voorwerpen zetten uit bij toenemende vochtigheid.
3. De vochtigheid is in het najaar toegenomen.

Explanandum: Onze voordeur was in het najaar toegenomen.

We kunnen zoals Popper leerde nooit zeker zijn dat de explanans zinnen waar zijn. Het gaat meer om het voorspellen van een verwachte regelmaat der dingen. Heel veel praktische levenslessen voor gebruik in de kerk en in de politiek en op straat zijn te ontlenen aan Ethica. Dat lijkt me allemaal wat zinniger, dan blijven hangen in een godsbegrip. Alls wat is, is in God. Maar niemand kan alle het zijnde kennen. Dus kunnen we beter over God maar zwijgen en laten we spreken over wat we kunnen weten.

"Deze leveren passies op".
1. Jaren geleden heb ik met een prof (naar aanleding van mijn doctoraalpromotie) aan de stok gehad over een dergelijk geconstrueerde zin. Volgens haar kon dit ook betekenen: "deze (lijdend voorwerp) leveren passies (onderwerp !) op". Volgens mij had dan moeten staan: "de passies", volgens de prof niet.
2. Dat het godsbegrip bij Spinoza inderdaad door gelovers-in-een-persoonlijke-god wordt gebruikt om Spinoza als een soort van theïst voor ts stellen, zou kunnen worden vermeden, als we nu eens met z'n alles consequent zouden spreken over Spinoza's "God-sive-Natura".

Van Dale's woordenboek geeft voor THEÏSME de omschrijving:
"leer van een in de wereld werkende (immanente) en als Schepper boven de mens staande (transcendente) zelfbewuste, persoonlijke, levende God".
Spinoza is volgens die definitie geen theïst, want zijn godsbegrip voldoet alleen aan het eerste, immanente, deel van de definitie. Bennett noemt Spinoza in § 9 van zijn commentaar op de Ethica daarentegen wel een theïst, er blijkbaar van uitgaande dat pantheïsme in ieder geval theïsme inhoudt. Zijn argumentatie is interessant:
I. PANTHEÏSME en ATHEÏSME: De werkelijkheid is, voor zowel de pantheïst als voor de atheïst, een ondeelbaar geheel, en kan niet verdeeld worden in een deel dat God is en een deel dat niet God is. De een zegt: alles is God, de ander: niets is God.
II. SPINOZA'S GOD: Maar wat bedoelt Spinoza met 'God'? Is hij een echte theïst of een ironische atheïst? Zijn Godsbegrip moet bij het eerste een aantal overeenkomsten hebben met wat we gewoonlijk onder 'God' verstaan. Waarom kiezen zowel pantheïsten als Spinoza voor het woord 'God' bij hun natuurinterpretatie?
Verschillende antwoorden zijn mogelijk, de antwoorden 2. en 3. zijn van toepassing op Spinoza's keuze:
1. ILLUSIE. De wereld is een illusie. Voor sommige pantheïsten is de materiële wereld een illusie, voorbeeld: Hegel's acosmisme. Echter niet voor Spinoza. Als zowel Spinoza als de atheïst naar de wereld wijzen en de een zegt: 'dit is God', en de ander zegt: 'niets van dit alles is God', dan wijzen ze naar dezelfde wereld. Spinoza was 'no mystic, no idealist of the kind to whom everything that kicks and knocks and resists is unreal' (Wolfson).
2. JOODS-CHRISTELIJKE GOD: De Natuur past het beste bij de joods-christelijke opvatting van God. Als God oneindig is, eeuwig, geen inwerking ondergaat van iets anders, de bron van alles is en niet onderworpen is aan welke kritiek dan ook, dan moet God het geheel van de Natuur zijn. Want al deze karakteristieken passen bij de Natuur als geheel. Dit is de voornaamste reden voor Spinoza om de Natuur 'God' te noemen.
3. VERERING: De Natuur is, evenals God, geschikt voor verering, verwondering en liefde (denk aan Kant's bekende uitspraak aan het einde van de Kritiek van de zuivere rede: 'Twee dingen vervullen de geest met steeds nieuwe en toenemende bewondering en eerbied, hoe vaker en langduriger het denken zich ermee bezighoudt: de sterrenhemel boven mij en de morele wet in mij').
4. God is NIET een antropomorfe God van de godsdiensten. In E2p3s en in Br23 bevestigt Spinoza dat God niet een persoon is. Echter, in het fysisch traktaat tussen E2p13 en p14 presenteert Spinoza een theorie van individuen, waarin een individu een deel is van een groter individu en zo tot in het oneindige:
[E2L7s] "Als men tot in het oneindige doorgaat, ziet men gemakkelijk in dat de gehele natuur één individu is, d.w.z. alle lichamen zich op een oneindige manier veranderen, zonder dat het individu als geheel verandert."
Hier is Spinoza het dichtste bij een theorie van God als individu. Maar in E1p17s verwerpt Spinoza de implicaties van God als persoon: God heeft geen wil of intellect in de normale zin van het woord. Het zou hetzelfde zijn, als wanner je aan het sterrenbeeld Hond de eigenschap toeschrijft dat het kan blaffen.
CONCLUSIES:
1. Volgens Bennett is Spinoza eerder een theïst dan een atheïst. Hij was wellicht niet 'goddronken', zoals Novalis zei, maar hij was wel door God geobsedeerd, en hij was van mening dat hij zaken over God ontdekt had, en niet dat er geen God was.
2. Echter, als je de theïsme-atheïsme controverse historisch beziet, zoals Jonathan Israel doet in 'Radicale Verlichting', dan wordt Spinoza's pantheïsme gelijk geacht aan atheïsme en materialisme. Het beeld begint pas te kantelen met de opkomst van het Duitse Idealisme, einde 18e eeuw, dan wordt Spinoza pas 'goddronken' en verhuist hij geheel naar de pantheïstische en idealistische kant, wordt de materialistische kant verwaarloosd, en worden - zoals de vader van Frederik van Eeden het omschreef - Spinoza en de Franse mystica Madame Guyon 'de vader en moeder' van een niewe ideële wereldrevolutie.
3. Spinoza verwerpt de antropomorfe God van de godsdiensten. Dus als je de godsdienstgod als criterium voor je godsbegrip neemt, dan is hij atheïst. Het merkwaardige is dat tegenwoordige theologen richting Spinoza opschuiven met hun godsopvatting, zodat de tegenstelling met Spinoza's God begint te vervlakken.

Dag Adrie,
Wat een uitvoerige, gedegen reactie! Goed dat je duidelijk laat zien wat je apart weergeeft van Bennett en zelf stelt. Bennett maakt sommige zaken voor mij erg onduidelijk.

Ik begin bij je derde conclusie: dat Spinoza vanuit het criterium van de antromorfe 'godsdienstgod' een atheïst is. Dat werd door zijn theologische tijdgenoten goed begrepen - vandaar hun felle bestrijding van Spinoza. Veel tegenwoordige theologen worden vanuit dat historische criterium ook atheïsten (en worden daarvan door traditioneel orthodoxe gelovigen dan ook beschuldigd).

Merkwaardig dat Bennett, zoals jij hem weergeeft, de joods-christelijke opvatting van God ziet overeenkomen met het geheel van de natuur. Daar klopt, in ieder geval wat de christelijke God betreft, niets van: die is door en door transcendent en staat meer buiten de natuur. De natuur is wel een teken van hem, verwijst naar hem, want is door hem geschapen, maar hij gaat er niet in op. En de joodse God is zo de totaal andere, de ongekend andere, die wel optreedt in zijn wereld en daarvoor gedaanten kan aannemen, maar die toch echt niet als de totale natuur gezien wordt. Waar Bennet dat vandaan heeft? Dit is wel een zeer ideosyncratische opvatting over wat de joods-christelijke God zou zijn.

Spinoza was een nominalist. Hij was slechts een 'theïst' voor zover hij de traditionele naam (God) aan de hele natuur/werkelijkheid/substantie als geheel gaf. Uiteraard geloofde hij niet dat er geen natuur of geen totale werkelijkheid was. Maar zijn gods-definitie is niet meer dan een naamsomschrijving. Wie zegt dat hij - als "door God geobsedeerde" - "zaken over God ontdekt had, en niet dat er geen God was", lijkt te impliceren dat dat nog iets aparts toevoegt aan de totale, alomvattende natuurwerkelijkheid.

Vanwege de verwarring die het oplevert (ieder vult het weer anders in en verzuimt vaak zijn definitie te geven) doe ik telkens een pleidooi om geen etiketten op Spinoza's filosofie te plakken - geen woorden te gebruiken die hijzelf niet gebruikte. Dus geen theïsme, geen pantheïsme, geen monisme, geen parallellisme, geen... enz.

Stan, een reformulering en aanvulling:
Ad punt 2: als de joods-christelijke God uniek is, oneindig, eeuwig, geen inwerking ondergaat van iets anders, de bron van alles is en niet onderworpen is aan welke kritiek dan ook, en het geheel van de Natuur heeft als enige exact deze karakteristieken, en niets naders, dan verwijst 'God' naar het geheel van de Natuur. Dit is de voornaamste reden voor Spinoza om de Natuur 'God' te noemen.

Het is een zaak van, wat Frege noemt 'Sinn' en 'Bedeutung', van 'betekenis' en 'verwijzing': de term 'God' heeft als betekenis uniek, oneindig, eeuwig etc. zijn. Deze term kan alleen maar verwijzen naar "de Natuur', er is niets anders dat er aan voldoet. Frege noemt als voorbeeld de Ochtendster en de Avondster, de een heeft als betekenis dat hij 's morgens opkomt, de ander 's avonds, beiden verwijzen ze naar één ding: de planeet Venus, er is niets anders dat eraan voldoet.

'Transcendentie' is een erg rekbaar begrip. Bij transcendentie hoort het buitenstaander-standpunt, God is buitenstaander. In die zin is het geheel van de Natuur ook transcendent, want buitenstaander voor ons, die ons omvat en bevat. Voor Levinas is 'de ander' overigens al transcendent, jij Stan, bent voor mij transcendent, en voor je jezelf God waant, ik ben voor jou ook transcendent.

Verder, wat jij 'etiketten' noemt, dat zijn voor mij uiterst bruikbare termen om wat meer tot Spinoza door te dringen, vertaalslagen naar het heden als het ware. Spinoza deed er zelf ook aan, zie zijn bijbeluitleg en interpretatie van het Hebreeuws in de TTP

Adrie,
Dank voor je verhelderende herformulering en toelichting.
Frege’s onderscheid tussen 'Sinn' en 'Bedeutung’ was mij bekend. En ook zijn fraaie voorbeeld van de Morgen- en Avondster die verschillende betekenissen maar dezelfde referentie hebben. Maar je moet er maar opkomen om het toe te passen.

Ik kan meegaan met je gelijkstelling in betekenissen van de joods-christelijke God en de Natuur, als jij zeker weet dat onder het "etc." dat jij ingeeft, niet allerlei kenmerken en eigenschappen worden toegevoegd, die Spinoza in zijn Natuur=God niet erkent. Dus niet
Het allervolmaakste en soevereine zijnde (ens perfectissimum)
Het allerbarmhartigste, rechtvaardige en goede zijnde
Het Ens simplicissimum
Met een eminent verstand
Met een almachtige en ondoorgrondelijke vrije wil
Causa transiëns of causa remota
etc.
Als je dat met je hand op je hart kunt verklaren, dan ga ik geheel met je mee en mag de joods-christelijke Morgenster in z’n geheel als dezelfde worden gezien als de Spinozistische Avondster.
Maar ik heb m’n twijfels of je dat wel oprecht kunt verklaren.

Stan, de lijst van Gods eigenschappen die jij opsomt worden door Spinoza juist wel aan God toegeschreven, hier volgen ze met hun vindplaatsen (Wolfson I blz 230-32, 303):
1. In CMII.1-11 geeft Spinoza een lijst van eigenschappen van God onder de losse naam van attributen: eeuwigheid, eenheid, grootheid, onveranderlijkheid, enkelvoudigheid, leven, verstand, wil, macht, schepping, medewerking.
2. In Br35 aan Hudde noemt hij er vier: eeuwig, enkelvoudig, oneindig en ondeelbaar. In Br36 meldt hij hem dat ze teruggebracht kunnen worden tot één eigenschap. In Br83 aan Tschirnhaus noemt hij: noodzakelijk bestaan, enig, onveranderlijk, oneindig.
3. E1app: noodzakelijk bestaan, enig, handelen en bestaan uit zijn noodzakelijke natuur, vrije oorzaak van de dingen, dat alle dingen van hem afhangen, dat alles door zijn oneindige natuur is voorbeschikt.
4. KVI.3.5.6: oorzaak van alle dingen, voorzienigheid, voorbeschikking.

Bovendien schrijft Spinoza aan God 8 werkoorzaken toe:
1. Universele oorzaak - E1p16
2. Emanatieve, productieve, actieve, werkoorzaak - E1p16c1
3. Oorzaak door zichzelf (essentiële oorzaak) - E1p16c2
4. Eerste, initiële oorzaak - E1p16c3
5. Voornaamste oorzaak - E1p17c1
6. Vrije oorzaak - E1p17c2
7. Immanente oorzaak - E1p18
9. Naaste oorzaak - E1p29s

Alles bij elkaar een indrukwekkende lijst, waarmee elke rabbi, dominee of pastoor, zelfs die van de meest orthodoxe snit, de gelovigen vanaf de kansel kan overdonderen.

De door mij gegeven lijst eigenschappen (kijk er nog eens goed naar) wordt door Spinoza NIET aan God toegeschreven maar bekritiseerd. Hij becommentarieert in Cogitata Metaphysica de in de traditie genoemde aan God toegeschreven eigenschappen en laat van sommige niets over of geeft er een eigen draai aan. Zo zijn voor hem verstand, wil en macht allemaal hetzelfde: essentie. Van 'leven' blijft ook weinig over. Het is dus wat kort door de bocht om de opsomming aldaar simpelweg voor die van Spinoza's te geven.
Zullen we zeggen:
10. Causa finita...?

Geachte, hooggeleerde, heren,
Nimmer heb ik Spinoza bestudeerd. Ik bevind mij aan de basis van het (filosofische) bestaan. Als eenvoudig mens. Die in de vijftiger jaren diep christelijk en orthodox is opgevoed. En die zich in de loop van de jaren heeft ontworsteld aan de "waarheden" die daaraan verbonden waren.
Als er gesproken wordt over "God", dan vertaal ik dat als het "alles omvattende". Zowel "bron" als "essentie". U noemt dat met Spinoza "het geheel van de Natuur".
Ik weet hoeveel mensen van mijn leeftijd (63 jaar) vanuit hun kerkelijke achtergrond van hun kinderjaren worstelen met het duiden van "God". Voor velen is dit begrip ontmanteld geraakt en is daarvoor geen nieuwe invulling gekomen. Terwijl ze hier toch naar zoeken.
Mijn vraag aan u is: Wat zou u voor deze mensen kunnen betekenen? Zouden de ideeen van Spinoza, eenvoudig en begrijpbaar vertaald, hiervoor bruikbaar kunnen zijn? Zou de poging van Jan Knol, vervat in zijn boeken over Spinoza, hiertoe een goede aanzet kunnen zijn?
Vriendelijk groetend,
Luuk Houkes