Idea Dei wellicht te zien als middellijke oneindige modus in 't attribuut Denken

Dit zal wel het laatste blog zijn over de idea Dei, waarover het nu al zo vaak is gegaan. Ik wil het afsluiten met dit blog, waarin ik een nieuw punt aan de orde stel, dat ik als mijn interpretatie al in de kop heb gezet.

Ik dacht dat ik met iets nieuws kwam, daar vele hedendaagse Spinoza-uitleggers de idea Dei als identiek met het intellectus infinitus zien en dus als onmiddellijke oneindige modus. Zo is b.v. de uitleg van Herman De Dijn, Wolgang Bartuschat en Yitzhak Melamed naast vele anderen. Maar zij allen geven geen inzicht in de specifieke rol die de idea Dei uitoefent. Ik meen dat die rol, die ik eergisteren in dit schema bracht, begrijpelijker wordt als we de idea Dei als middellijke oneindige modus begrijpen. Zie voor toelichting op het schema dat eerdere blog].

 

Maar nu blijkt me dat al Sir Frederick Pollock in Spinoza His Life and Philosophy (1880, p. 176) en Harold Henry Joachim in Study of the Ethics of Spinoza (Ethica Ordine Geometrico Demonstrata) (1901, p. 93 vv) ook al ermee kwamen dat de idea Dei de middellijke oneindige modus moet zijn (“I think”, zegt Joachim). Vooral de laatste schijnt lange tijd van veel invloed op dit gezichtspunt geweest te zijn. Syliane Malinowski-Charles noemt zijn lezing zelfs “absolutely standard” [cf.]. Joachim citeert op p. 94 Ethica 2/3 (ik beschouw dit hier als bekend) en schrijft dan:

And this idea is, and must be, unique (E.ii, 4) In other words - God necessarily has a complete and unique apprehension of the universe, both in its eternal coherence and in its temporal order. This unique 'infinita idea' is the thought-side of all bodies and all the modes of all Attributes: it is the complete system of all the 'souls,' the ideal counterpart of the 'facies totius universi.'

Melamed vindt deze lezing onhoudbaar [cf. Spinoza’s Metaphysics, p. 124n54] en verwijst daarvoor naar het bewijs van 1/21, waarin Spinoza de idea Dei opvoert om te illustreren dat wat rechtstreeks uit de absolute aard van Gods attributen volgt altijd en oneindig heeft bestaan, m.a.w. eeuwig en oneindig is. Daar lijkt de conclusie uit te volgen dat de idea Dei onmiddellijk volgt. Maar bij de volgende stelling, 1/22 over de middellijke oneindige modi, schrijft Spinoza: “Het bewijs van deze stelling verloopt op dezelfde wijze als het bewijs van de voorgaande.” Daaruit zou je kunnen concluderen dat de idea Dei ook als de middellijke oneindige modus in het Denken kan worden opgevat.

Het enige waardoor ik aarzel en in de titel de lezing met ‘wellicht’ afzwak, komt door de vraag waarom Spinoza dit in zijn brief aan Schuler (brief 64) niet duidelijk heeft meegegeven. Het enige wat ik daarbij weer kan bedenken is dat Spinoza nu eenmaal een broertje dood had aan het aanduiden van datgene wat men zelf wel kon afleiden.

Enfin, Idea Dei opvatten als middellijke oneindige modus lost een en ander op:
• het geeft antwoord op wat ‘tegenover’ de facies totius universi staat;
• het geeft aan dat er ook voor de idea Dei (net als voor elk idee) een intellect gegeven moet zijn: intellectus absolutus infinitus (brief 63) is de onmiddellijke, daarin de idea Dei de middelijke oneindige modus; *)
 

• het geeft het verschil in werking of functie van de idea Dei een plek.

*) Het verschil tussen intellectus absolutus infinitus en Idea Dei is echter miniem, want in beide gevallen gaat het om ‘begrijpen’. In 2/Def3 schrijft Spinoza met het oog op de mens: “Onder een idee versta ik een voorstelling van de geest, die hij vormt omdat hij een zaak is die denk.” Daar hij bij God nooit over ‘geest’ spreekt, laat hij God eerst het oneindige intellect vormen, waarin hij de idea Dei van 2/3-4 vormt.  

Aanvulling 6juni 2016

• Als de weergave van Spinoza's leer in het schema klopt, is daarmee ook een zgn. inconsequentie en zelfs obscure kant daarin die Joachim zag, opgeheven. Uit het bovenvermelde boek van Harold H. Joachim Study of the Ethics of Spinoza, citeer ik de volgende passage:

Now our body, both in its eternal and in its temporal being, is a part of the facies. Similarly, we should expect our mind, both in its eternal being (as an intelligence) and in its temporal being (as an emotional and volitional consciousness), to be a part of the infinita idea Dei. But at this point Spinoza’s language becomes inconsistent and obscure. Our mind in its eternal being quatenus intellegit is a part of the eternal and infinite intelligence of God (E. v. 40 S. ; cf. ii. n C); or again, the human mind is a part of a certain infinite intelligence (Ep. 32).

To some extent no doubt current theological language would lead Spinoza to speak of the infinitus intellectus Dei, where his strict terminology would have required Dei infinita idea. But the real source of the inconsistency lies deeper. There is a fatal trend in Spinoza’s philosophy towards abstraction, in spite of all his struggles towards the conception of a concrete unity. Thus, things in their temporal being the actual world of the perceptive consciousness either turn into illusions, or slip back into the world of eternal timeless necessity, the universe of science. And it is only a symptom of this general tendency that the mediate infinite and eternal modes resolve themselves into the immediate. The facies, indeed, presents a brave appearance of comprehending in its systematic unity all the varieties of the phenomenal corporeal world. But look closer, and it is nothing but a balance of motions. The secondary qualities and the thingness of the distinct bodies have, as we know, long been resolved. The immediate mode, motus-et-quies, alone remains. And the case is the same with the mediate mode of Thought, except that it makes even less show of resistance. Our actual mind with its emotions, volitions, desires, is qua passional unreal. In its reality it is a part of the infinita idea Dei ; but in the completeness of that ‘idea’ all passion vanishes. The complete consciousness, therefore, of which ours is a fragment, is a purely active (i. e. a purely thinking) consciousness an ‘infinitus intellectus’. [p. 95-96]

Als we nog eens goed naar bovengeschetste schema kijken, zien we dat Spinoza, gezien het bijzondere karakter van de idea Dei, heel consequent naar de intellectus infinitus verwijst, waarvan onze geest een deel is. Het komt voort uit de idea Dei, maar maakt daar geen deel van uit. (het omgekeerde is het geval)  

Aanvulling.

Bij dit blog is goed kennis te nemen van het blog van  25-11-2013 over Tammy Nyden-Bullock en de raadselachtige relatie tussen de 'Idea Dei' en de 'Idea Universi'

Reacties

Stan, met een oudere formulering van jou wordt het dan: de idee van God = ['t idee van 't universum]
Rust en beweging geven de kracht om lichamen te vormen, het oneindige verstand geeft de kracht om ideeën te vormen via 't idee van het universum. Moet ik het zo lezen?

Ik denk er nog even over en kom er morgen op terug. Intussen geef ik een citaat uit brief 32 van Spinoza aan Oldenburg: Ik [Spinoza] neem aan "dat er in de natuur ook een oneindige kracht tot denken [potentiam infinitam cogitandi] bestaat, die, in zoverre zij oneindig is, de gehele natuur als haar inhoud omvat en wier gedachten op dezelfde wijze verlopen als de natuur, waarvan zij namelijk de voorstelling zijn. Vervolgens vat ik de menselijke geest op als dezelfde kracht, maar dan niet oneindig en de gehele natuur in zich opnemend, doch eindig, in zoverre hij slechts het menselijk lichaam in zich opneemt, en op deze wijze vat ik de menselijke geest op als deel van een zeker oneindig verstand.

Ed,
Ik gaf eerst even dit citaat uit Spinoza's brief aan Oldenburg, daar die in een notendop Spinoza's samenhang tussen uitgebreidheid en denken aangeeft. Het is moeilijk om Spinoza's stelsel met inbegrip van de oneindige modi (onmiddellijk en middellijk) te schetsen: in woorden aan te geven lukt nog enigszins, maar echt begrijpen lukt niemand, daar Spinoza het zeer weinig heeft uitgewerkt, omdat hij ‘t waarschijnlijk zelf nog niet helemaal begreep. Hij vond iets uit tussen het oneindige en eeuwige en het eindige en tijdelijke, om de relatie tussen beide duidelijk te krijgen. Dat het niveau van het eindige en tijdelijke afhankelijk was van (ingebed was in) het oneindige en eeuwige was voor hem uitgangspunt, maar hoe die afhankelijkheid resp. inbedding precies in de vingers te krijgen en anderen duidelijk te maken, daar was Spinoza nog lang niet uit.
Alle kracht komt van God (dat eerste niveau), drukt zich uit en laat zich zien via de attributen.
Ik hertaal eerst enigszins jouw tekst, (maar waarschuw alvast dat ik die terugneem).
Rust en beweging ontvangen en geven de kracht door van God zoals die via 't attribuut Uitgebreidheid tot uiting komt en waardoor lichamen gevormd worden. Het oneindige verstand ontvangt en geeft de kracht door van God zoals die via 't attribuut Denken tot uiting komt en waardoor ideeën gevormd worden. [Dit wat de onmiddellijke oneindige modi betreft.]
[Dan wat de middellijke modi betreft.] Het "aanzien van het hele universum" omvat het totaal (de verzameling) van alle tijdelijke en eindige dingen, die telkens ontstaan, actief zijn (zichzelf trachten te behouden) en vergaan en op elkaar inwerken, waarbij het universum zelf eeuwig en onveranderlijk hetzelfde blijft.
Voor ik doorga met het moeilijke niveau van het Denken, wil ik eerst commentaar geven op het vorige. Wellicht heb je verschil gemerkt: bij het universum liet ik het praten over ontvangen en doorgeven van kracht achterwege, want zo schetst Spinoza het niet. Nergens spreekt over het ontstaan van dingen vanuit het universum. En dat doet hij ook niet op het niveau van de onmiddellijke oneindige modi. Die nemen, behorend tot de natura naturata de 'scheppingskracht' van de natura naturans niet over en geven die niet door. God of de natura naturans blijft die werkzaamheid uitoefenen op alle niveaus. Het praten over "ontvangen en geven van kracht" moet ik dus terugnemen, en ook voor het onmiddellijke niveau moet de taal die ik gebruikte voor het middellijke niveau gevonden worden. Ik ga het niet uitproberen. Het was alleen mijn bedoeling je op de moeilijkheid te wijzen. Het wordt namelijk al gauw nodig om voorbij Spinoza te komen en daar waag ik me niet aan. Ik ga dan ook niet verder met hoe het volgens mij zou zitten binnen het Denken.
Laat zitten en accepteer dat we het niet goed kunnen navertellen, omdat het oorspronkelijke verhaal slechts uit enige brokstukken bestaat.
Ik zelf ga dit metafysische domein een tijd verlaten om mij meer met ethiek en politiek bezig te houden.

Okee, bedankt.
Ik vorder gestaag in 'Reason and Intuitive Knowledge' van Sanem Soyarslan. Ook zij ziet de idee van God in E2,3 (blz 94). (Zelf vermijd ik zware discussies over zaken bij Spinoza en heb voor mijzelf uitgemaakt welke schollars ik volg. Ik moet niet de 'juiste' richting verkondigen, dat geldt meer voor professoren die er les ingeven. Ik moet trachten Spinoza zinvol te integreren in mijn leven.)

Heb aan het blog een tekst toegevoegd

Mooie tekst in je reactie @ 10:41 Stan. Ik denk dat je hiermee de kern van de zaak raakt. Je kan geen volledig en consistent verhaal brouwen uit Spinoza's teksten over de relaties tussen eindig en oneindig. Indien wel dan was dit al lang gevonden.

Marc,
De idee van God verbindt het menselijke eindige denken met het oneindige door het onder het gezichtspunt van de eeuwigheid uit te drukken. Spinoza geeft als enig voorbeeld de definitie van de driehoek. Deze definitie geldt buiten mij om en buiten mijn tijd, de definitie dat de drie hoeken samen 180gr vormen is een eeuwige waarheid. Daarom installeert deze definitie de verbinding tussen eindig en oneindig.

Stan,
Jij schrijft dat de meeste scholars de idee van God en het oneindige verstand als hetzelfde zien.
Wat houdt er jou tegen om Deleuze te volgen in 'Expressionisme in Philosophy: Spinoza' waar hij in hoofdstuk 7 - The two Powers and the Idea of God - in 1968 reeds een duidelijk onderscheid maakt tussen beiden.
Op een ander blog gaf je aan hem niet te volgen (ben even de naam kwijt van dat blog maar het ging over de Idee van God), en met anderen vond je dat Deleuze het niet begreep. En vervolgens schrijf je later in roodbruin bovenaan het blog dat je je eigen stelling die je toen voorstelde niet meer verdedigt.
En dat misschien (?) Deleuze het dan wel helder voorstelde? Of komt de idee van God zoals Deleuze die benadert gewoon niet overeen met zoals jij het ziet?

Ed, je hebt wel vaker pogingen gedaan om mij te verlokken Deleuze te gaan lezen. Ik ben nu echter met andere dingen bezig en laat de idea Dei, waaraan ik al zoveel aandacht wijdde, voorlopig rusten.
Het blog waar je op doelde is het volgende, en daarin heb ik laten zien dat ik uiteindelijk dicht bij de Deleuze van de Praktische filosofie van Spinoza kwam. Daar laat ik het voor nu bij.

http://spinoza.blogse.nl/log/intellectus-infinitus-sive-idea-dei.html