Het Spinoza Comité en de circulaire voor de totstandkoming van het Haagse Spinoza-beeld

                 
Beeld van Parijse beeldhouwer Frédéric Hexamer zoals het zou worden.

Al in een blog van 18 november 2009 had ik het verhaal over de totstandkoming van het Spinoza-standbeeld in Den Haag: "Het Haagse Spinoza-standbeeld kwam er, ondanks fel verzet." Nu ik al weer enige dagen met H.J. Gunning Jr. bezig ben, de man die woordvoerder was van dat verzet, dat wat felheid betreft eigenlijk best meeviel, kwam ik vandaag weer eens tegen (ik had het eerder gezien) dat [Sir] Frederick Pollock in zijn Spinoza, his life and philosophy (1880) niet alleen de namen van het Spinoza Comité vermeldde dat de totstandkoming van het standbeeld nastreefde, maar zelfs de Nederlandse tekst van de circulaire of wervingsprospectus opnam [cf. archive.org]. Ik neem hier - dat vind ik passen bij het karakter van dit weblog - die namen en de tekst op van de circulaire, die geschreven was door Johannes van Vloten.  

The Spinoza-Committee:

M. D. Count VAN LIMBURG STIRUM, Honorary Chairman, The Hague.
Dr. M. F. A. G. CAMPBELL, Chairman, The Hague.
Dr. H. J. BETZ, Secretary, The Hague.
Dr. A. WM. JACOBSON, Treasurer, The Hague.
Prof. J. BOSSCHA, The Hague.
Prof. J. P. N. LAND, Leiden.
Dr. A. VAN DER LINDE, Arnhem.
MART. NIJHOFF, The Hague.
Dr. A. VAN OVEN, Dordrecht.
L. PlNCOFFS, Rotterdam.
Dr. J. RUTGERS, The Hague.
Dr. T. J. STIELTJES, Rotterdam.
Prof. B. J. STOKVIS, Amsterdam.
Dr. J. VAN VLOTEN, Bloemendaal?
Dr. J. E. DE VRIJ, The Hague.



EEN STANDBEELD VOOR SPINOZA.

De wensch, vóór korten tijd openlijk ten onzent geuit, en al aanstonds van verschillende zijden beaamd en toegejuicht, om eerlang in den Haag een standbeeld voor Spinoza te zien verrijzen, moet, bij het naderen van den tweehonderdsten jaardag zijns overlijdens in Februari 1877, in veler gemoed te luider weerklank vinden. Dit bracht ons tot het besluit, de handen tot zijn vervulling ineen te slaan, en ook anderen, buiten en binnen ’s land, tot krachtdadige meêwerking uit te noodigen.

Ziet Duitschland reeds sedert jaren zijn Kant in brons te Koningsbergen prijken, Nederland mag den op zijn boden geboren en getogen, en zijn dampkring ademenden en denkenden Spinoza niet langer derven. Zijn schilderkunst heeft het in Rembrandt, zijn dichtkunst in Vondel, zijn vrijheidszin in Willem van Oranje, zijn zeeroem in De Ruiter, zijn geletterde beschaving in Erasmus, zijn medische wetenschap in Boerhaave gehuldigd: het voege thans aan hunne bronzen beelden dat van den wijsgeer toe, die voor landgenoot en vreemden van zijnen en later tijd in zijn te lang en te vaak miskende geschriften zoo levenwekkende wijsheid boekte.

Had hij daartoe niet—als Kant te Koningsbergen—een akademischen leerstoel ter beschikking,—in den Haag, waar hij de laatste tien of twaalf jaren van zijn kortstondig leven doorbracht, heeft hij, van zijn kleine woonvertrek aan de Paviljoensgracht uit, tot geen grooter of kleiner tal van scholieren, maar, in zijn rijpste denkgewrochten, tot de gansche menschheid gesproken. Van dáár maakte hij tijdgenoot en nakomeling op aard en wezen opmerkzaam van ’s menschen stoffelijk en zedelijk bestaan, en op de voorwaarden van zijn welstand naar lichaam en geest. In dien Haag moet dan ook dat standbeeld, liefst in ’t gezicht van dat woonvertrek, op de sedert gedempte stille gracht een plaats vinden, door haar kalme omgeving den kalmen rustigen denker ten volle waardig.

Het verheugt ons, al behoefde ’t ons waarlijk niet te bevreemden, voor de verwezenlijking van dat denkbeeld al aanstonds den vollen bijval en welkome toezegging hunner medewerking erlangd te hebben van zooveel uitheemsche mannen van wetenschap, als zich, blijkens hun onderschreven namen, voor verschillende landen bij ons hebben aangesloten. Spinoza toch is geen uitsluitend Nederlandsche, hij is tevens een wereldgrootheid, wiens nagedachtenis door de gansche beschaafde wereld dankbaar moet worden gevierd. Dat hebben die mannen begrepen, en terwijl wij daarom ook vertrouwend aan hunne zorg de bevordering van ons plan in hun verschillende woonstreken overlaten, meenen wij te mogen verwachten, dat hun opwekkelijk voorbeeld onze en Spinoza’s landgenooten tot des te volvaardiger meewerking zal aanlokken.

Wij verwachten haar niet enkel van de beoefenaars der wijsbegeerte, die Spinoza’s vernuft en denkkracht roemen, maar van allen, die het moedig streven naar waarheid, en het voorstaan der vrijheid van denken eeren, waarin zijne zedelijke grootheid gelegen is.

s Gravenhage, Januari 1876.

[Volgen de namen van allen die ondersteuning toezegden.]