Het raadsel Yalom

Irvin Yalom’s boek, The Spinoza Problem, in het Nederlands merkwaardigerwijs vertaald als Het raadsel Spinoza, is inmiddels in vele landen en zeker in Nederland in grote stapels over de toonbank gegaan. In het blog van 22 februari 2012 besprak ik het kritisch onder de titel: “Het raadsel Spinoza. Te bedacht - een teleurstelling.” Maar er blijken lezers te zijn die het boek waarderen.

Michiel WielemaZojuist verscheen in het recentste nummer van De Vrijdenker (jg. 43, nr 4, mei 2012) een recensie van het boek van Yalom van de hand van Michiel Wielema. Wielema is bij Spinozisten bekend vanwege zijn boek The March of the Libertines. Spinozists and the Dutch Reformed Church (1660 – 1750) (2004) en zijn onlangs bij Brill uitgekomen vertaling in het Engels van Adriaen Koerbags "Een Ligt schijnende in duystere Plaatsen.”

Wat blijkt? Alfred Rosenberg (1893-1946) over wiens zgn. ‘obsessie met Spinoza’ het hele boek van Yalom draait, had integendeel nogal een dedain voor Spinoza. Yalom beweert zich op hoofdlijnen aan de werkelijke geschiedenis te hebben gehouden, waarvoor hij veel research zou hebben gedaan en alles wat er maar over Rosenberg te vinden was, zou hebben gebruikt. Maar aan de enige uitspraak over Spinoza die Rosenberg deed in Die Spur des Juden im Wandel der Zeiten (1920), zijn eerste boek, besteedt Yalom geen aandacht, hoewel hij het betreffende boek wel op twee plaatsen vermeldt.

Al jong, op 17-jarige leeftijd, was Rosenberg aanhanger van Chamberlain geworden. Dát geeft Yalom juist weer. Houston Stewart Chamberlain (1855-1927) ontkende dat Spinoza zo’n grote joodse denker zou geweest zijn. Integendeel, hij was 'als typische jood' volgens hem verstoken van elke innerlijke creativiteit en zou een overtrokken intellectualisme tentoongespreid hebben. De Ethica was in Chamberlain’s ogen slechts een oppervlakkige weergave van wat 'Arische denkers' als Descartes en Bruno hadden geleerd. En hij vond dan ook dat Goethe bij de laatsten meer  - en dat tevens op een betere manier - had kunnen opsteken.

Welnu, wel verre van een levenslange obsessieve fascinatie voor Spinoza te ontwikkelen, nam Rosenberg Chamberlain’s laatdunkende houding tegenover Spinoza en zijn systeem over. Op bladzijde 130 van Die Spur des Juden im Wandel der Zeiten wijdde hij de volgende passage aan Spinoza (in vertaling van Wielema):

“Volgens Jowett valt het niet meer te betwijfelen dat Spinoza alle werkelijke gedachten te danken heeft aan de geest van twee mannen: Descartes en Giordano Bruno. Als een echt joodse technicus heeft hij het kunststuk weten te volbrengen om deze tegenstellingen onder één noemer te brengen en in een slim bedacht "systeem" aan elkaar te koppelen. Dat hij daarin slaagde, bewijst dat hij beiden niet begreep. Maar Spinoza's lonken naar het oud-Arisch pantheïsme had hem natuurlijk de bitterste vijandigheid van de toenmalige joden opgeleverd; in het bewerken daarvan is hij echter zo joods geweest als welke rabbijn dan ook.”

Zo zag Rosenberg dus Spinoza, geheel in het kielzog van Chamberlain. Rosenberg verwijst in het citaat, zoals ook Chamberlain deed, naar Benjamin Jowett (1817-1893), die ondermeer bekend stond als vertaler van Plato in het Engels. Ook de typering met 'oud-Arisch pantheïsme' voor de filosofie van Bruno was van Chamberlain. Kortom, Rosenberg was een brave leerling en afschrijver van zijn meester. Uit niets blijkt dat hij er later anders over is gaan denken.

Irvin YalomHeeft Yalom, als hij dat boek van Rosenberg zou hebben ingezien, deze passage misschien expres weggelaten? Dat ga je wel vermoeden. Want terecht vraagt Wielema zich af:

“Wat blijft er nog over van zijn portret van een door Spinoza gefascineerde Rosenberg als uit diens eigen woorden blijkt dat hij al aan het begin van zijn carrière Spinoza als irrelevant verworpen had?”

Kortom, Spinoza is voor Roosenberg nooit een raadsel geweest. Nu is voor ons wel Irvin Yalom een flink raadsel.

Hoewel... als je die stapels boeken ziet...

 

Reacties

Helemaal mee eens. Rosenberg nam Spinoza's boeken gewoon mee voor het Institut zur Erforschung der Judenfrage.

De nazi’s vernietigden de werken en boeken van joodse kunstenaars en schrijvers, maar tegelijkertijd bewaarde men boeken voor een archief. In 1939 stichtte Rosenberg het Institut zur Erforschung der Judenfrage (instituut voor onderzoek naar de Joodse kwestie) . Een selectie van zowel wereldse als religieuze joodse boeken zouden in het archief van dit instituut hun plaats vinden. De speciaal daartoe onder Rosenbergs leiding opgezette Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg had tot doel de bibliotheken, de kunstgalerijen en verschillende bezittingen van Joodse herkomst te plunderen en het Instituut van materiaal te voorzien.

Onder de inbeslagnames van Rosenberg bevonden zich ook de Sociatas Spinoziana in Den Haag en het Spinozahuis in Rijnsberg.

Met echt interesse voor Spinoza had dit niets te maken.

Leuk om mijn korte boekbespreking ook al op dit blog terug te vinden! Het is trouwens eerder een kanttekening dan een volledige bespreking, die ik het boek niet echt waard vind. Ik heb me al sinds een tijdje verdiept in de nazi-receptie van Spinoza, waarover bij mijn weten nog geen literatuur bestaat. Vandaar dat ik die passage van Rosenberg kende. Ik ben trouwens nog op zoek naar andere mogelijke verwijzingen in zijn omvangrijke nazi-propaganda-oeuvre.

Ik ben bezig een uitgebreider artikel over de nazi-receptie van Spinoza te schrijven. Hierin zal o.a. de nazi-filosoof H.A. Grunsky prominent figureren. Onder meer lijkt me de vraag interessant of Spinoza's eigen "antisemitisme" (zijn harde kritiek op het jodendom, die ook in joodse kringen voor controverse heeft gezorgd, en vooral zijn bewering dat de Wet van Mozes vooral een politieke functie had) ook voor de nazi's "bruikbaar" was. Via dit blog (dank daarvoor!) kwam ik ook te weten dat J.H. Carp tegen hem geschreven heeft om Spinoza te verdedigen.

Een eerste proeve van mijn onderzoek zal over een tijd verschijnen in de Academische Boekengids, in de vorm van een recensie van 3 boeken: David Wertheim, Salvation through Spinoza (2011); Daniel Schwartz, The First Modern Jew. Spinoza and the History of an Image (2012); en Dirk Rupnow, Judenforschung im Dritten Reich. Wissenschaft zwischen Politik, Propaganda und Ideologie (2011); in dit laatste boek wordt Spinoza trouwens niet genoemd, wel Grunsky.

Dank, Michiel Wielema, voor deze informatie (en leuk dat dit weblog u op een spoor van Carp over Grunsky heeft gebracht).
Uiteraard ga ik uitzien naar die bespreking in de Academische Boekengids en daaraan dan aandacht geven in een blog.

Misschien zou ook een blog over de precieze vertaling van de tekst van de herem interessant zijn. Odette Vlessing wees er in Studia Spinozana 13 (2003 verschenen) p. 15 op dat het "ha Dias" uit het begin van de herem vertaald moet worden als "sinds kort" en niet (zoals Nadler p. 120 en nu ook Yalom weer) als "sinds een lange tijd". Spinoza's slechte meningen en daden waren dus pas onlangs (enkele dagen voor de ban) bekend geworden. Een van de weinigen die de tekst blijkbaar goed vertaalt is bij mijn weten Jose Faur: "The members of the Mahamad let you know that it had knowledge for some days of the evil opinions and actions of Baruch de Espinoza" etc. (zie zijn boek In the Shadow of History, 1992, p. 152). Ook de rest van Faurs vertaling verschilt aanmerkelijk van die van Nadler.

Wel mee eens, dat dit interessant zou zijn, maar voel me daartoe onvoldoende geëquipeerd.
Uit zoals Jose Faur weergeeft slaat het "sinds kort" op het feit dat de Mahamad pas onlangs op de hoogte kwam. Spinoza's slechte meningen en daden kúnnen dus ook van iets langer geleden dateren.

Dat zou natuurlijk kunnen, want het "sinds kort" slaat inderdaad op de kennisneming door de Mahamad. Faur komt zelf uit Sefardische kringen, dus ik neem dat hij het Portugees goed vertaalt. Het zou interessant zijn de versies van Faur en Nadler e.a. eens naast elkaar te leggen en beide te vergelijken met het oorspronkelijk document. Is de Portugese tekst ergens (goed leesbaar) beschikbaar?

De Portugese uitdrukking "há dias" betekent (nog steeds) letterlijk: sinds dagen.