Het raadsel Spinoza

Over: Henri Krop, Spinoza. Een paradoxale icoon van Nederland

Daar ik wist dat ik niet op korte termijn aan het weergeven van mijn leeservaring van Henri Krops Spinoza-boek toe zou komen én daar ik van mening was dat dit bijzondere boek nog wel een hele poos aandacht waard is en voorts dat het zo complex is dat er vele invalshoeken van beschouwing mogelijk zijn, heb ik verschillende mensen gevraagd om in een gastblog hún leeservaring te geven. Ik gaf erbij aan dat het geen volledige recensie hoefde te zijn, waarbij wordt beschreven hoe het boek in elkaar steekt etc. We veronderstellen het boek bij de meeste bezoekers van dit weblog intussen bekend.

Ik ontving enige toezeggingen en vandaag ontving ik als eerste de zienswijze van Siebe Thissen, de auteur van - waar hij in zijn stuk ook naar verwijst - De spinozisten. Wijsgerige beweging in Nederland (1850-1907) uit 2000.

Hierna dan zijn bespreking

Over: Henri Krop, Spinoza. Een paradoxale icoon van Nederland (Amsterdam 2014)

 

Eindelijk is er dan een werk waarin de Nederlandse ontvangst van de filosofie van Spinoza in kaart is gebracht. Met zijn vuistdikke studie, die meer dan 800 pagina’s omvat, verrichtte Henri Krop een monnikenwerk. En het moet worden gezegd: het boek is een monument geworden. Bijna alle studies sinds de dood van Spinoza worden aan de lezer gepresenteerd en van commentaar voorzien. Krop is erudiet, maar ook een echte studiekamergeleerde. Al lezend doemt de totstandkoming van zijn magnum opus voor je op: verstopt achter een bureau met hoge stapels vergeelde boeken en pamfletten, de vloer bezaaid met notities en krabbels, moet zich ergens de auteur bevinden, verzonken in het geschreven woord, en mijmerend over een passage in het werk van de theoloog Jan Hendrik Scholten.

Voor het eerst zijn alle Nederlandse interpretaties van het spinozisme en alle kritieken op Spinzoa in één werk bijeen gebracht, zodat het boek verplichte kost is geworden voor een ieder die zich bezighoudt met de geschiedenis van het denken in Nederland. Want de studie is niet louter geschikt voor liefhebbers van de zeventiende-eeuwse wijsgeer. Omdat ons land opvallend weinig wijsgeren van formaat heeft voortgebracht (Ferdinand Sassen kon de gehele geschiedenis van het denken in Nederland in evenveel pagina’s beschrijven), biedt Spinoza. Een paradoxale icoon van Nederland een unieke introductie tot de Nederlandse intellectuele geschiedenis. We leren alles over het cartesianisme, de fysicotheologie, de moderne theologie, het secularisme omstreeks 1900, en de academische rehabilitatie en institutionalisering van Spinoza in de twintigste eeuw. Alhoewel Spinoza maar weinig heeft geschreven en zijn biografie nog altijd in nevelen is gehuld, heeft hij zich blijvend in ons geestesleven verankerd.

De laatste decennia zijn al veel monografieën gepubliceerd – de studie van het spinozisme mag zich verheugen in een toenemende belangstelling. Krop heeft handig gebruik gemaakt van die recente literatuur. Van verzameldrift of luiheid kan de auteur echter niet worden beticht: hij aarzelt niet, daar waar nodig, de bestaande literatuur te corrigeren, te bevragen of aan te vullen met nadere inzichten. Zo plaatst hij ook kritische kanttekeningen bij mijn eigen studie De spinozisten. Wijsgerige beweging in Nederland 1850-1917 (2000). En dat is maar goed ook: wetenschap is immers gebaat bij wrijving en discussie. Maar de receptie van Spinoza’s nalatenschap kent ook omissies, zoals de houding van het Nederlandse Jodendom ten opzichte van Spinoza. Ook het landschap van spinozistische verenigingen, tijdschriften en congressen tijdens het interbellum ontsnapte nog aan onze aandacht. Zo niet bij Henri Krop. Hij heeft veel bronnen ontsloten en een schat aan nieuwe gegevens bijeengebracht. Die prestatie maakt het boek ook tot een eerste handleiding bij vervolgonderzoek.

Naast alle lof, heb ik wel een ‘ideologisch’ probleem met het boek. Veel historici van de wijsbegeerte blijken allereerst kundige filologen. Ze zijn in staat de herkomst van denkbeelden vast te stellen, chronologisch te rangschikken en vervolgens zwermen van ideeën, denkpatronen en zelfs stromingen of scholen in kaart te brengen. Zoals archeologen fossielen rangschikken en cladogrammen maken, in de hoop houvast te vinden in de onmetelijkheid van deep time, proberen historici van de wijsbegeerte door middel van tekstanalyse grip te krijgen op de ontwikkeling van ons denken. Een wetenschapsfilosofische vraag blijft natuurlijk of ons denken wel een (lineaire) ontwikkeling heeft doorgemaakt. En bieden louter geschreven teksten voldoende fundament voor zo’n onderneming? In zijn boek De Ambachtsman (2008) heeft socioloog Richard Sennett laten zien dat de ideeën van de Verlichting zich niet zozeer in de tijd hebben voortgeplant door middel van geleerde boeken, maar juist in de concrete praktijk van het ambacht, waar meesters, gezellen en leerlingen gezamenlijk vormgaven aan kennisoverdracht en burgerschap. Ook filosoof Ronald Commers beklemtoonde eerder in Het vrije denken. Het ongelijk van een humanisme (1991) het belang van de ‘juiste’ levenspraktijk in de gestage opmars van de verlichting in de Europese geschiedenis.

In Spinoza. Een paradoxale icoon van Nederland lijkt ‘de wereld’ echter verneveld en neergeslagen als tekst: ‘In het begin was het woord’. Krop heeft een wel zeer protestants boek geschreven. Zijn stijl herinnert aan de wijze waarop steile theologen en dominees de Bijbel bestuderen. Ook sturen zijn conclusies aan op een protestantse interpretatie en waardering van het spinozisme. Als je de ontvangst van Spinoza goed bestudeert, lijkt de auteur te zeggen, dan was de wijsgeer eigenlijk helemaal niet zo radicaal. Sommige gedachten werden al snel na zijn dood door verstandige denkers afgedaan als lariekoek; andere werden juist gangbaar in het bestaande theologische discours. Twee conclusies dringen zich hier op. Er was in de Lage Landen helemaal geen sprake van een ‘radicale Verlichting’ (zoals Jonathan Israel in zijn studies ten onrechte beweert). En de (moderne) theologie van Nederlandse bodem beschikte over een radicaliteit en vitaliteit die zijn weerga elders niet kende. Krop heeft het beeld van Spinoza als superheld - als ‘blijde boodschapper der mondige mensheid’ – hartstochtelijk gedemystificeerd. Ook reduceert hij het aantal deskundigen: wie niets substantieels over Spinoza heeft geschreven, is simpelweg geen spinozist. Aan ‘Spinoza-koorts’ lijdende klokkenluiders van de negentiende eeuw, denk aan Multatuli en Jacob Moleschott, maakt Krop geen enkel woord vuil. Ook niet aan denkende arbeiders, zoals de Rotterdamse gemeenteambtenaar Bernard Damme, die dankzij Spinoza hordes mensen uit de greep van priesters en dominees wist te bevrijden. Uiteindelijk baseert Krop de betekenis van zijn icoon op slechts veertig auteurs.

Maar deze deconfiture verhindert hem te zien hoe Spinoza kon uitgroeien tot één van de sleutelfiguren in de Nederlandse cultuurgeschiedenis. En hoe kon Spinoza de internationale cultfiguur worden die hij vandaag is? Er is met Spinoza iets geks aan de hand. De Franse filosoof Gilles Deleuze zegt het zo: ‘[Vooral leken] komen tot de ontdekking dat ze spinozisten zijn; inderdaad, zij zullen die conclusie eerder trekken dan professionele filosofen. Je kan spinozist zijn zonder het zelf te beseffen. Spinoza geniet een exclusief voorrecht: hij is een filosoof die een buitengewoon conceptueel apparaat beheerst, hoog ontwikkeld, systematisch en geleerd; en tegelijkertijd staat hij open voor onmiddellijke, onvoorbereide ontmoetingen, zodat een niet-filosoof, of zelfs iemand zonder wijsgerige opleiding, als door een ‘flits’ getroffen en verlicht kan worden. Dan ontdek je dat je spinozist bent; je arriveert in het midden van Spinoza, je wordt opgezogen in het systeem en in de compositie gesleurd’.

Het spinozisme gloeit op voorbij het woord. De receptie van Spinoza wordt evenzeer gekenmerkt door fictie, door metaverhalen. Spinoza was niet alleen een systematisch denker, maar in de grillige, schoksgewijze wording van Europa was hij ook ‘de jood’, ‘de kabbalist’, ‘de balling’, ‘de eenzame profeet’, ‘de rozenkruiser’, ‘de atheïst’, ‘de vrijdenker’, ‘de fatalist’, ‘de democraat’, ‘de natuurwetenschapper’, ‘de proto-marxist’, ‘de proto-fascist’ en ‘de blijde boodschapper der mondige mensheid’. Het is dan ook geen wonder dat fantastische romans als Het raadsel Spinoza (Irvin Yalom, 2012) en The Elixer Of Immortality (Gabi Gleichmann, 2012) zo tot onze verbeelding spreken en in niet-geringe mate hebben bijgedragen aan de populariteit van Spinoza. Door het vermengen van feit en fictie leren we immers zelf te filosoferen en komen we tot inzicht. En uit dankbaarheid projecteren we onze eigen inzichten vervolgens op Spinoza. We zijn immers menselijk, al te menselijk. ‘Er is opmerkelijk weinig bekend over Spinoza’, schreef Yalom in het nawoord van zijn roman. Maar Trouw schreef naar aanleiding van het boek: ‘Door dit boek zie je hoe revolutionair het denken van Spinoza was’. Precies hier, in die fascinerende slingerbeweging, bevindt zich de spinozistische paradox (én Spinoza’s radicaliteit).  

Wellicht heeft Henri Krop met zijn monumentale studie geen beeld van de nalatenschap van Spinoza willen geven, maar wilde hij een nieuwe Beeldenstorm veroorzaken. Daarin is hij geslaagd. De tijd zal echter leren of zijn perspectief op deze wijsbegeerte wel sterk genoeg is om Spinoza zijn plaats in de Nederlandse canon te laten behouden.

 

Siebe Thissen

1 mei 2014