Het ei van Spinoza – kende u dat?

Het recentste nummer van Tijdschrift Filosofie, Jrg. 22 nr. 3 mei/juni 2012, is een themanummer over Gilles Deleuze (het juli/augustusnummer is nog in aantocht) Over Gilles Deleuze heb ik al enige blogs geschreven (zie aan het eind). Ik houd afstand tot deze fantastische filosoof, maar wordt toch ook door zijn Spinoza-fascinatie gefascineerd. Naar mijn indruk heeft Deleuze het diepst en vergaandst het immanente karakter van Spinoza’s filosofie gepeild – en proberen na te volgen. Aan de hand van enige artikelen van dit themanummer probeer ik weer iets méér in Deleuze te komen. In het openingsartikel schrijft dr. Rico Sneller:

“Maar het is vooral Spinoza die Deleuze als geen ander bewondert. Wat de persoon van Jezus was voor het christendom, aldus Deleuze, dat was Spinoza voor de filosofie: geen filosoof heeft zo radicaal en consequent de totale immanentie gepredikt, en zozeer afgerekend met de voorstelling van een transcendente werkelijkheid waaraan het aardse hier en nu zou zijn opgehangen. Eén van de aspecten die Deleuze in Spinoza naar voren haalt, is zijn lichaamsfilosofie. De bijdrage van Dolphijn gaat hier uitvoeriger op in. Dolphijn brengt Spinoza's Godsvoorstelling in verband met de lastige aanduiding corps sans organes, 'lichaam zonder organen': het chaotische domein van de fundamentele onbepaaldheid waarop alle bepalingen eerst plaats kunnen vinden. Waar Spinoza tot dan toe vooral als rationalist was opgevat, wijst Deleuze op de fundamentele betekenis van de conatus (het verlangen van een zijnde om in het eigen bestaan te volharden).”

Gilles Deleuze met de altijd onafscheidelijke hoedDan dr. Rick Dolphijn: “In het boek Spinoza, philosophie pratique begint Deleuze met te stellen dat Spinoza de filosofen een nieuw model aanbiedt: het lichaam (1981: 17). Spinoza acht de geest een idee van het lichaam terwijl het lichaam het object van de idee is dat de menselijke geest vormt (waaruit hij concludeert dat lichaam en geest uiteindelijk 'hetzelfde ding' zijn). Daarmee is zijn Ethica (postuum gepubliceerd in 1677) zonder twijfel een van de eerste (en ook zeker één van de meest invloedrijke) bronnen waarin het radicaal doordenken van lichamelijkheid, dus niet als ondergeschikt aan het geestelijke maar als noodzakelijk samenvallend met het geestelijke, wordt geagendeerd. Bij eerste lezing kan het idee ontstaan dat Spinoza vooral rationalist is, maar omdat die rationaliteit uiteindelijk toch vooral een limiet lijkt te zijn, is het daadwerkelijk ondernomen project veel meer een ethische zoektocht naar het onderbewuste van het denken en het ongekende van het lichaam en hoe deze parallelle co-existentie (in zijn samenhang) op zoek is naar blijdschap (laetitia) en droefheid (tristitia) probeert te vermijden.”

Dit is gesneden koek. Ik sla wat over en volg het betoog dan weer:

“Deleuze begint met een denken als een belichaamd denken, als een filosofie die noodzakelijk vanuit het lichaam is. Leibniz, maar vooral Spinoza, laten ons een dergelijke filosofie zien. Daarom heeft Deleuze zich, gedurende zijn hele carrière, als een Spinozist beschouwd. […] [H]et noodzakelijke verband tussen lichamelijkheid en de moraal [is] het vertrekpunt van het denken. Dit betekent dat het denken bij Deleuze niet alleen het lichaam als zijn eerste en grootste interesse beschouwd [sic, …], maar ook dat alle ideeën die zich laten uitdrukken volgens onze lichamelijkheid, niet alleen gevormd worden door dit lichaam, maar zich ook volgens de logica ervan gedragen.

Alle ideeën ontwikkeld door Deleuze zijn ideeën vanuit en tot het lichaam. Als we nogmaals Spinoza's adagium, als hierboven omschreven, herlezen, wordt eens te meer duidelijk hoe sterk deze materialistische filosofie gedacht moet worden in en door het lichaam. Alleen dan kunnen we begrijpen hoe de structuren van ons majeure denken zolang ons lichaam gevangen hielden (en niet andersom), zoals Foucault het al stelde. Alleen een dergelijk radicaal niet-dualistisch vertrekpunt, staat ons toe enig inzicht te krijgen in het onbewuste in ons denken en het ongekende van het lichaam. Alleen dan kunnen we zien dat alle concepten die Deleuze voorstelt noodzakelijk een materialistische of lichamelijke natuur hebben.”

En dan komt de paragraaf over “Het Lichaam-zonder-Organen”, waarvan ik altijd nog eens hoopte te begrijpen waar dat toch over gaat. Laten we zo begripvol mogelijk naar de uitlegger luisteren:

Lichaam-zonder-Organen (LzO)  = God oftewel de Natuur

“Deleuzes ideeën over lichamelijkheid en moraliteit of ethiek worden in de literatuur vandaag vooral ingebracht middels zijn Lichaam-zonder-Organen (Corps-sans-Organes), zoals hij dit, met Guattari, vooral ontwikkelde in l'Anti-Oedipe en Mille Plateaux (hoewel hij het hiervoor ook al in Logique du Sens gebruikte). Het Lichaam-zonder-Organen (LzO) haalt Deleuze uit een tekst van de visionaire theatervernieuwer Antonin Artaud met de titel Pour en finir avec le jugement de Dieu. Het LzO is een thema van het grootste belang in het werk van Deleuze (en Guattari). Het is geen concept, zoals ze herhaaldelijk benadrukken: het is een 'staat van zijn’, een limiet, een zone waar vanuit alles zich ontwikkelt en waarnaar we zouden moeten bewegen. Soms noemen ze het een oersoep bestaande uit puur verlangen, pure appetitus (met Spinoza), pure kracht welke functioneert als een horizon volgens welke beweging plaatsvindt maar tegelijkertijd niet te benaderen is, noch waar wij ons van kunnen verwijderen. Steven Shaviro (2009) stelt het LzO gelijk aan God (wederom met Spinoza). We zouden het ook 'natuur' kunnen noemen, in zijn meest omnipresente, ongrijpbare absoluutheid.

De organen waar het Lichaam-zonder-Organen uiteindelijk van verlost is, hebben weinig te doen met de lever, de maag en de darmen, behalve dat het ook hun vragen zal stellen over de noodzaak van de specifieke organisatie, de structuur waarin zij zijn opgenomen. Teven heeft het LzO, en dit in tegenstelling tot hoe het LzO in veel studies over Deleuze (en Guattari) ten tonele wordt gevoerd, weinig te doen met "het lichaam" anders dan dat "het functioneert als een eenheid" (dat zal de definitie van een lichaam moeten zijn volgens het LzO). Voor Deleuze (en Guattari) is het LzO het universum, het is het ei (dat waar alles uit voortkomt), het is de monade die zich heeft verlost van alle structuren die het wilden bevatten. Het is 0.Ω. In Mille Plateaux (1980: 190), stellen Deleuze en Guattari dat Spinoza's Ethica het grote boek van het LzO is. Want daar waar Spinoza de menselijke geest en het lichaam in hun parallelle bestaan opvoert, zoekt hij ook naar deze staat van "puur verlangen" die het LzO is. Zo conceptualiseert Spinoza lichamelijkheid (het is zelfs het nieuwe model voor filosofie zoals we eerder hebben gezien). Maar wat de Ethica vooral tot het boek van het LzO maakt, is dat het zowel het Universum als het ei denkt, in hoe God natuur is en hoe wij hier in leven, en hoe wij onszelf moeten openstellen vooral alle mogelijke individuele objecten (door Spinoza's derde vorm van kennis). En het is een begrijpen van deze individuele objecten in hun totaliteit. Het geactualiseerde lichaam is dus begrepen in termen van zijn totaliteit, "quòd Corporis essentiam concipit sub specie aeternitatis" (want het brengt de essentie van het lichaam tot stand onder de vorm van de eeuwigheid) (E5P29). Spinoza's Ethica is dus het grote boek van het LzO niet vanwege de wijze waarop het lichaam geconceptualiseerd wordt, niet om hoe het commentaar levert op de organen/organisaties/structuren (passies?) die het vormgeven, maar omdat het op zoek gaat naar absolute vrijheid (die Spinoza de eeuwigheid noemt (aeternitas) (vooral in E5), die noodzakelijk in de lichamelijkheid moet worden gezocht.

In tegenstelling tot Spinoza, in de wijze waarop hij uitreikt naar de eeuwigheid door met name het affect te begrijpen, confronteren Deleuze en Guattari ons in Mille Plateaux, in overeenstemming met Spinoza, met specifieke praktijken van lichamelijkheid, om vervolgens de ethiek, de weg naar het LzO ervan, te openbaren. Als antwoord op Spinoza's stelling “we weten nog niet wat het lichaam kan doen" zoekt vooral plateau zes naar de verschillende typen van verzet zoals die zich in het lichaam (en de daarmee corresponderende geest) articuleren, bevrijd van de strata die het omsloten, van de tijdelijkheid die het voortstuwde. De masochist, de drugsgebruiker en de schizofreen (om slechts enkelen te noemen) indiceren deze particuliere wegen (om een Taoistisch concept te gebruiken) en dus, in tegenstelling tot het LzO, zijn specifieke concepten van lichamelijkheid. Zoals verwacht, praktiseren deze concepten met name een ethiek die zich ten eerste tot doel heeft gesteld zich te verlossen van de organen die hen beperken.”

Zo, ik ben er niet tussendoor gekomen en nu hoop ik dat u het allemaal door hebt - ik ben er geen steek wijzer van geworden waarom dit niet-concept LzO nodig was en tot waar het ons verder helpt. Enfin, we weten nu van het “ei van Spinoza”, zodat we daarover kunnen meepraten.
Of dacht u bij God en "ei" meteen aan de laatste regel van Mariano Shifman’s gedicht SPINOZA OBJECIÓN A BERKELEY:
God is de paardrang, het ei en het nest [cf blog]? 

[Ik beloofde hier de andere blogs over Deleuze te vermelden, maar u vindt die zelf wel door in het zoekvenster zijn naam in te geven.]

Toegevoegd op 7 aug 2012
Felicity Colman reviewed on NDPR: Laura Guillaume and Joe Hughes (eds.), Deleuze and the Body, Edinburgh University Press, 2011

Let wel: bij 'body' gaat het niet per se om het menselijk lichaam, maar om 'Spinozist configurations' in het algemeen: any body in the world; human or non-human, animate or inanimate.

Reacties

Las ik nu Deleuze of de leuge ?

Informatie bijgeplaatst.