[Hersteld] Hebben vrouwen bij Spinoza een bijzondere natuur?

Teruggehaald uit het cachegeheugen van Google, nadat blogse.nl alle blogs van 2½ maand gewist had. 

Hebben vrouwen bij Spinoza een bijzondere natuur?

Het lijkt inderdaad in par 4 van hfst XI van de Tractatus politicus dat Spinoza de ‘vrouwelijke natuur’ stelt tegenover ‘wettelijke bepalingen’ of instituties – nature tegenover nurture. In de vertaling van Meijer luiden die passages: “Misschien zal men mij vragen of de vrouwen dan van nature of krachtens een wettelijke bepaling van de mannen afhankelijk zijn.” En verderop: “Indien nu de vrouwen van nature aan de mannen gelijk waren, en zoowel in geestkracht als vernuft, waarin hoofdzakelijk ’s menschen macht en dus zijn recht bestaat, gelijkwaardig waren; dan zou men …”
(deze ‘gelijkwaardigheid qua geestkracht en vernuft’ komt volgens Spinoza nergens voor, en vandaar) “mag men gerust beweren dat de vrouwen van nature geen rechten hebben gelijk aan de mannen, maar verplicht zijn voor hen onder te doen…”etc.

De vraag is nu of dit zo gelezen moet worden dat Spinoza het heeft over een (andere) vrouwelijke natuur dan de mannelijke natuur. Zo  is het wel gelezen.

Als Spinoza in de TTP ernaar verwijst dat de natuur zo is ingericht dat de grote vissen de kleine vissen opeten, bedoelt hij dan dat de kleine vissen een andere (n.l. kleine vissen-) natuur hebben? Nee, hij doelt erop aan te geven hoe de (ene en dezelfde) natuur in elkaar zit, waarin de verschillende levensvormen en individuen een verschillende kracht en macht hebben.

Maar nu moeten we oppassen en goed onderscheid blijven maken, want uiteindelijk is voor Spinoza alles natuur. ‘Er is niets wat geen natuur is’, zo typeert Van Reijen ergens terecht. Toch moet het een flink verschil uitmaken of iets tot de biologische natuur of tot de cultuur (de tweede natuur) behoort.

Deze verschillende kijk komt goed tot uiting in een 'klein debat' van ruim een kwart eeuw geleden.

Bij de verdediging in 1980 van zijn proefschrift*) stelde F. Akkerman in zijn 2e stelling: ”Ten onrechte meent H. de Dijn dat Spinoza in Tract. Pol. XI § 4, concludeert tot “de natuurlijke inferioriteit van de vrouw”. Spinoza leidt uit de ervaring af dat het in de natuur, dat wil zeggen in de noodzakelijkheid der dingen, niet in een bijzondere natuur van de vrouw, ligt opgesloten dat de vrouw ondergeschikt is aan de man. Als een oorzaak van haar relatieve zwakheid (minder geestkracht, minder verstand) wijst hij de opvoeding aan. Verder leidt hij uit zijn eigen leer der affecten o.a. af dat de man verstand en wijsheid van de vrouw naar de mate van haar schoonheid waardeert. Alleen zo geïnterpreteerd is de beschouwing van Spinoza consequent; zo is ook de ervaring in overeenstemming met de “geometrische” theorie, in de zin zoals door De Dijn betoogd.” **)

Akkerman wijst terecht De Dijns typering af – van toen die nog aan het begin van zijn Spinozacarrière stond – want ‘inferioriteit’ met z’n negatieve normatief geladen connotatie is niet des Spinoza’s. Maar vervolgens ligt voor Akkerman de ‘noodzakelijkheid der dingen’ niet in de biologische natuur, maar in de culturele natuur: de opvoeding. Uiteindelijk is, zoals gezegd, alles natuur. Ook onze geestelijke vermogens liggen via de genen verankerd in onze hersenen – ons lichaam. Maar er is uiteraard enig verschil in maakbaarheid/veranderbaarheid als iets voornamelijk om cultuur, om opvoeding gaat. Ik heb proberen te vinden waar Spinoza als een oorzaak van de relatieve zwakheid (minder geestkracht, minder verstand) van vrouwen de opvoeding aanwijst, maar kan die passage niet vinden. Ik houd mij dus aanbevolen voor de vindplaats, als die er is.

Ik ging vervolgens nog eens nalezen hoe Miriam van Reijen erover schrijft. Zij is degene die het recents, maar vooral het geprononceerds een uiteenzetting over dit onderwerp heeft gegeven.

In mijn bespreking [hier] van haar boek***) schreef ik onder meer: “Ook haar verdediging van Spinoza’s opstelling over de positie van de vrouw in de democratie vanuit Spinoza’s eigen leer (‘principes’), waarin ze zijn consequentheid aantoont en ze achter hem gaat staan, is interessant.” Ik schreef dit omdat ik – net als velen, heb ik gemerkt – in eerste instantie nogal moeite had en enigszins moest wennen aan haar ‘verdediging van Spinoza’ op dit punt. Maar ik vond het werkelijk de moeite waard om nader te bezien of haar lezing van Spinoza stand houdt. Van Reijen behandelt Spinoza’s opstelling aan de hand van vier principes uit de Ethica. Ik noem ze hier niet, ik ga ervan uit dat elke bezoeker van dit weblog die zelf kan opzoeken in haar boek op blz 209. Ik meen dat daaraan nog (en zelfs als eerste) hét basisprincipe van Spinoza kon worden toegevoegd: het principe dat de natuur overal dezelfde is. Dat de natuurwetten overal en altijd gelden en dezelfde zijn. Maar dan zie ik dat ze het 2e principe [van de gemeenschappelijke (universele) begrippen] in haar verdere behandeling eigenlijk opdeelt in twee principes: de gemeenschappelijke menselijke natuur en gemeenschappelijke noties. Het principe van de ene menselijke natuur zou m.i. beter apart kunnen worden vermeld en kan dan namelijk ook gebruikt worden waar het gaat om verschillen in kracht en andere (gemiddelde) sekse-verschillen.
Als oorzaak van de geringere macht van vrouwen, zoals Spinoza die ziet, heeft Van Reijen het lef niet naar cultuur (opvattingen, opvoeding) maar uitdrukkelijk te verwijzen naar lichamelijke,  biologische, verschillen en daarop geënte geestelijke verschillen als verklaring voor de blijvende grotere feitelijke macht van mannen.

Het kan de achtergrond vormen voor een verklaring waarom vrouwen ook na zoveel jaren emancipatorische actie en beleid achterstanden laten zien bij de machtsverdelingen in de samenleving. Zij onderstreept aldus dat Spinoza geen tijdgebonden en vergissend normatief oordeel, maar een echte (eeuwige) natuurwetmatigheid heeft aangewezen.

Wat niet wil zeggen dat de ‘natuurtoestand’ op dit vlak altijd zo moet blijven en dat er via samenwerkingsvormen en coalities geen tegenwicht gevormd kan worden en tot grotere gelijkwaardigheid kan worden gekomen. Maar dat dat een niet eenvoudige en langdurige zaak (en strijd) is, blijkt uit de recente geschiedenis.

Nogmaals de vraag: Hebben vrouwen bij Spinoza een bijzondere natuur? Ja en nee. Nee, want er is maar één natuur, dus ook slechts één menselijke natuur. Maar, Ja, er zijn daarbinnen wel krachts- en machtsverschillen. Je hebt grote en kleine vissen. En je hebt mannen en vrouwen.

 

*) F. Akkerman, Studies in the posthumous works of Spinoza. On style, earliest translation and reception, earliest and modern edition of some texts. Diss. R.U. Groningen, 26 juni 1980 

**) H. de Dijn, Ervaring en theorie in de staatkunde. Een analyse van Spinoza’s Tractatus Politicus, in: Tijdschrift voor Filosofie 32 (1970) 30-71, vooral 61 e.v. (noot van Akkerman)

***) Miriam van Reijen, 'Spinoza. De geest is gewillig, maar het vlees is sterk', Klement-Pelckmans, Kampen, 2008

Reacties

Dat Spinoza's plaatsbepaling van de vrouw mij interesseert, moge hieruit blijken dat ik er reeds driemaal over heb gepubliceerd. De eerste keer in het Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte Jg. 84, p. 38-52, o.d.t. "Een zwarte bladzijde? Spinoza over de vrouw", waarop een discussie tussen Martin van Amerongen en mij gevolgd is in de NRC (7 en 13 maart 1993). Daarin behandelde ik ook de twee beste artikelen die tot dan toe over het onderwerp waren verschenen, die van Genevieve Rodis-Lewis en Alexandre Matheron (beide in 1977). Vervolgens hoofdstuk 34 in mijn "Een nieuwe Spinoza" o.d.t. 'Spinoza's vrouw'. Ten slotte nog een passage in mijn "Ddirecte democratie" (p. 134-135), met name de toelichting op de betekenis van 'sui juris'. Het is vreemd dat Miriam van Reijen in haar uitgebreide hoofdstuk over 'de positie van de vrouw in Spinoza's politieke filosofie' voorbij gaat aan de relevante buitenlandse en binnenlandse literatuur.
Nog vreemder is het dat zij - en jij eigenlijk ook, Stan - geen aandacht schenkt aan de reden waarom Spinoza voor de vrouw geen plaats inruimt in de burgerraad. De vrouw is gewoon geen burger omdat zij niet economisch zelfstandig is, hetgeen een voorwaarde is voor het burgerschap. Dat heeft natuurlijk wel zijn geschiedenis (godsdienstige zeden en opvoeding), die haar natuur tot een zwakkere hebben gemaakt. Die geschiedenis heeft nu trouwens, zoals het zich laat aanzien, een en ander bijgesteld. Vrouwen zijn thans, althans in ons land, wel 'sui juris' geworden en in vele opzichten geenszins meer het zwakke geslacht. Maar dat was in Spinoza's tijd anders.

Bedankt Wim voor je treffende aanvulling. Ik had jouw benadering van het thema in 'Directe democratie' gelezen - met instemming. Mij ging het hier alleen om de ontkenning van een soort 'eigen vrouwelijke natuur' en het benadrukken van Spinoza's 'een natuur'-opvatting. Zo ging ik a.h.w. via Akkerman nog eens de discussie aan met De Dijn. Mij ging het slechts om een deeltje van het thema.