Hermann Lotze (1817 - 1881) schreef gedicht over Spinoza

Nadat ik het vorige blog over Lotze had gemaakt, bleef ik nog wat verder zoeken en vond nog een paar wetenswaardige dingen: dat n.l. Freudenthal les van Lotze had en dat de laatste in z'n jeugd een gedicht aan Spinoza wijdde.

Al eerder, in 2012, had ik een blog over W.G.C. Byvanck, bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek en schrijver, die onder meer jarenlang redacteur was van het tijdschrift De Gids. In 1904 verscheen een in mijn ogen werkelijk prachtig en nog steeds zeer leesbaar artikel over Spinoza, getiteld: “Een nieuw leven van Spinoza” (De Gids, jaargang 68). De aanleiding vormde het toen net uitgegeven boek van J. Freudenthal, Spinoza, sein Leben und seine Lehre [Stuttgart, 1904. Dl. I. Das Leben Spinozas]. In dat Gids-artikel schrijft Byvanck:

"Prof. Freudenthal heeft daarenboven het voorrecht gehad om een leerling van Lotze te zijn, dien Herman Lotze dien men den laatste van de rij der klassieke philosofen van Duitschland heeft genoemd. Misschien is het aan Lotze niet geheel gelukt om zijn stelsel - een bemiddeling tusschen het moderne weten en de persoonlijkheid van den mensch - zoo vast aaneen te sluiten, dat het in zichzelf een volledigen en individueel-eigenaardigen samenhang vertoonde, - hij heeft zelf wel eens gezegd dat er ‘viele Umwege und kleine Kunstgriffe’ toe noodig waren om hier en daar iets van de eenheid en het plan van het universum gewaar te worden; - maar take him all in all, hij was een keurproduct van een man. Als men van hem hoort spreken door wie hem gekend hebben, dan deelt zich de ontroering en de bewondering van den spreker al licht mede aan den toehoorder; men krijgt eerbied voor de veelzijdigheid van zijn gaven, voor de degelijkheid van zijn geest en zijn hart, en het is ons alsof we een weerklank vernemen van dien allergrootsten tijd, toen Kant en Herder en Goethe als sterren stonden aan den Duitschen hemel.

Wie van Hermann Lotze philosofie heeft geleerd, moet gevoel hebben gekregen voor de aaneengeslotenheid van stelsel en persoonlijkheid bij Spinoza, en uit de eerste woorden van Prof. Freudenthal's inleiding voor zijn biographie van den klassieken wijsgeer der 17e eeuw begrijpt men al hoe hoog zijn opvatting is geweest van de hem gestelde taak." [Cf. bij DBNL]

De vorige alinea verwees naar een noot: "Ter orienteering over Lotze: M. Kronenberg. Moderne Philosophen. 1899."

Laat ik nu net voor ik dit las ontdekt hebben dat in Moritz Kronenberg, Moderne Philosophen. Porträts und Charakteristiken [München, 1899 - dat in microfilms bij archive.org staat] een gedicht over Spinoza van de hand van Lotze opgenomen is.

Kronenberg deelt mee dat hij al eens een opstel schreef "Lotze als Dichter" in de bijlage van de Münchener Alg. Zeitung jg 1891 nr 188 en 189.

Deze jeugdgedichten van Lotze [Leipzig, 1841] bleven zo goed als onbekend maar ze tonen volgens Kronenberg wel enig filosofisch karakter zodat hij er enige opneemt. Lotze maakte gedichten van Thales tot Hegel, waarin hij de grondgedachten van hun filosofie dichterlijk inkleedde. Het meest staat hij stil bij de Griekse filosofen, terwijl hij van de modernen alleen Spinoza, Schelling en Hegel een gedicht waardig achtte. Van historisch standpunt uit gezien vind Kronenberg het "natürlich besonders interessant, die Stellungnahme des jugendlichen Lotze zu jenen drei Philosophen kennen zu lernen, welcher auf die Ausbildung seiner eigenen Weltanschauung alle nicht ohne Einwirkung geblieben sind. Die betreffenden Gedichte lauten:" Ik geef hier alleen dat over Spinoza, waarin Lotze in de woorden van Kronenberg, de vermeende grondfout van zijn systeem in drastische bewoordingen onder ogen brengt; dat over Hegel krijgt een ironisch slot en alleen het gedicht op Schelling verraadt een levende sympathie.



                                      Spinoza.

Staunend im Abendglanz vor dem offenen Himmel, Spinoza,
    Standest auch du; und es sank glühend die Sonne hinab.
Purpurne Wölkchen durchzogen die blauen duftigen Höhen,
    Vögel sangen auch dir schmelzend vom Himmel herab;
Nicht das rührte dein Herz. Vorüber ging der Gestalten
    Fülle dem träumenden Blick; und sie erweckte dich nicht.
Nur die abstrakte Form des Raumes däuchte dir seltsam;
    Und daβ alles sich dehnt, wunderbar schien das gemacht.
Nun, den Hintergrund hast du der Welt. Jezt zeige die Bilder!
    Ach, nun schüttelst du dort böse den dehnenden Raum,
Daβ er Gestalten gebäre; ja schüttle nur! Lange hinab sank
    Tag und Licht und Gestalt; Nacht ist und Stille bereits.
Werke nun gleich an der Nacht: es brauchte wohl mehr als des Raumes
    Leere Dehnung, die Welt leuchtend zu ziehnen aus dem Nichts.


 

Ik geef ook het gedicht in het Gotisch origineel, zodat u mijn transcriptie kunt controleren en kunt zien dat ik een zetfout corrigeerde.