Hendrik Willem Tydeman (1778 – 1863) bezorger en kwijtmaker van een brief van Spinoza

Bij de brief die Spinoza in het najaar van 1675 schreef aan Lambert van Velthuysen (brief 69 in de Briefwisseling van Spinoza) lezen we in H.G. Hubbeling’s Aantekeningen: “Deze Latijnse brief komt niet in de OP en NS voor. In 1844 werd door prof. H.W. Tydeman het origineel, dat nadien zoekgeraakt is, in de Utrechtse Volksalmanak gepubliceerd met een facsimile-lithografie.” (blz. 532)

Hendrik Willem Tydeman door C.W. MielingTydeman is dus een man om dubbele gevoelens over te hebben: hij bezorgde ons de inhoud van een niet eerder gepubliceerde brief, maar zorgde er niet voor dat Spinoza’s autograaf die hij in handen had gekregen, zorgvuldig bewaard is gebleven. Hij had hem kunnen (doen) onderbrengen bij de Koninklijke Bibliotheek die al van het eind van de vorige eeuw bestond, of bij de Universiteitsbibliotheek van Leiden, waarvan hem bekend was dat die vanuit 't legaat van P. Marchand in het bezit was van een exemplaar van de TTP dat Spinoza eigenhandig met randglossen had verrijkt. (blz. 28 van de hierna te vermelden brochure). Hij noemt daarin Prof. Bibliothecarius Geel, met wie hij dus bekend was. Had hij hem dat origineel maar bezorgd. 

Tydeman had aan het Athenaeum in Deventer gestudeerd, werd in Leiden doctor in de rechten werd in 1802 hoogleraar in Deventer en vanaf 1803 hoogleraar te Franeker tot de opheffing ervan in 1812, waarna hij in datzelfde jaar te Leiden hoogleraar werd. Hij was bevriend met Bilderdijk met wie hij veel correspondeerde. Sinds 1807 was hij lid van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen; hij kocht het hs. van Bilderdijks voorlezingen over de Gesch. des Vaderlands, dat hij 1832-'53 uitgaf. In 1859 werd hij blind. Hij schreef tal van historische en economische werken en verder Letter- en geschiedkundige Mengelingen (1836). [zie DBNL]

“Om zijnen vriend L.E. Bosch genoegen te geven, plaatste hij van tijd tot tijd een stukje in den door dezen geredigeerden Utrechtschen Volks-Almanak; als in jaargang 1841 een eigen opstel over ‘den overgang van het Sticht aan Karel V’; in jaargang 1842 deelde hij twee minnebrieven van Mr. W. den Elger mede, met iets vooraf over den schrijver; en in jaargang 1844, een brief van B. de Spinoza aan I. van Veldhuijsen, met de vertaling, facsimilé en vele aanteekeningen.” [in: Levensbericht bij de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde - bij DBNL]

Het gaat hier uiteraard vooral over deze uitgave die met gebruikmaking van het exemplaar in de Gentse Universiteitsbibliotheek door Google is gedigitaliseerd (maar zonder de facsimile-lithografie jammer genoeg): Hendrik Willem Tydeman, Brief van Bened. de Spinoza aan Dr. Lamb. van Veldhuysen. s.n. 1843 – 33 pagina’s [books.google]

Tydeman deelt jammer genoeg niet mee hoe hij aan die autograaf is gekomen. Dat vind ik nogal een misser. Over die lithografie die hij door een vakman liet maken (het is de tijd vóór de fotografie) zegt Tydeman in een voetnoot: “De lithographie des briefs is zoo goed uitgevallen als bij het oud en moeijelijk schrift en bij een lithograaf die geen Latijn verstond in billijkheid te vergen was. Doch r. 13 (des briefs, buiten het opschrift) staat hier noles, dit moest zijn nolles; en hetgeen daar verder tusschen (  ) staat, zijn invullingen van mij, alwaar het schrift op de vouwen uitgesleten was.”  

Hij geeft een transcriptie van de Latijnse tekst, alsmede een vertaling in het Nederlands. En daarna uitgebreide toelichting en commentaar. Hij weidt niet uit “over den Schrijver des briefs, den beruchten Portugeesch Joodschen Nederlandschen Wijsgeer Baruch of Benedictus de Spinoza.” Geeft een redelijk uitgebreid overzicht over waar men omstreeks 1844 zoal informatie over Spinoza kon vinden.

Voorbij komt o.a. “de beroemde en ook bij sommigen in ons land hoog vereerde Duitsche Philoloog, Wijsgeer en Godgeleerde, Schleiermacher, die Spinoza tot dweepens toe vereerde, [die wordt] geacht eene helling tot het Pantheïsme te hebben. En wederom wordt Spinoza door latere billijke regters van den blaam van Atheïsme vrijgesproken.”

Wat die laatsten betreft doelt hij op Da Costa, wiens tekst over Spinoza’s aparte pantheïsme door Koenen was aangehaald [zie de betreffende tekst in dit blog over Koenen; en zie dit blog en dit blog over Isaac da Costa]

Aardig is nog een citaat dat hij haalt bij ene Fred. Bremer over Spinoza: “Und dieser an Liebe so reiche Geist vermochte fast zur Schönheit seine traurige Lehre zu erklären – hetgeen hij vertaalt met: “En deze, aan liefde zoo rijke geest, vermogt zijne treurige leer bijkans tot eene schoone te verheffen.” [p. 12] *)

Over Van Veldhuysen geeft hij nauwelijks informatie en naar de in de brief genoemde Nieuwstad wil hij al helemaal geen onderzoek doen.

Lyrisch positief over Spinoza
En dan, als hij het over de inhoud van de brief gaat hebben, wordt Hendrik W. Tydeman haast lyrisch positief over Spinoza:

“Maar vooral vind ik iets groots in de gelatenheid waarmede hij [Spinoza] zich schikt in den haat (het décri) waarin hij wel wist, dat hij was, doch waarin hij zijnen tegenschrijver geenszins wilde wikkelen; hetgeen hij gevoelt, dat het geval kon zijn, indien het bekend werd, dat er eenige schriftelijke gemeenschap, zelfs om tegenwerpingen te opperen, met hem had plaats gehad. Hij vreest althans, dat Veldhuysen zoo iets kon schromen en dit, ofschoon V. het misschien uit bescheidenheid niet zou willen zeggen, eene reden zou kunnen zijn, waarom hij huiverig wezen zou, de verzochte toestemming tot het drukken zijner aanmerkingen te geven. Hij is dus zelf in de voorbaat, om zijnen tegenschrijver voor dezen mogelijken blaam (dit famae dispendium) te behoeden, en doet zelf den voorslag, om deszelfs tegenwerpingen anonym te laten drukken. Men ziet hoe hij zich zelven boven den grooten hoop en al deszelfs opinie verheven gevoelt; doch even zeer gevoelt, dit van een ander, wien daaraan iets mogt gelegen zijn, niet te kunnen vergen.” [p. 22-23]

“krijschende wanklank”
Door uitstel van de publicatie kon hij nog een tekst toevoegen n.a.v. de Spinozabiografie van Colerus. Hij blijkt ontdaan over (het maakt hem verlegen, zoals hij zegt) hoe “de goede Spinoza” met spinnen en vliegen omging en hij gaat die ‘cognitieve dissonantie’ (de “krijschende wanklank” zoals hij het noemt) te lijf met de aanname dat Spinoza misschien sterk doordrongen was van het mechanistische van Descartes. “En zoo vlei ik mij dat de goede Spinoza in die spinnengevechten en worstelingen der vliegen, enz. niet anders zal gezien hebben, dan de ontwikkeling van het konstig zamenstel der bewerktuigde natuur; even als hij, gelijk Colerus verder aldaar getuigt, zich vermaakte met microscopische observatiën op insecten, enz. te doen.” [p. 32]

Het is jammer dat Tydeman Spinoza's autograaf niet heeft helpen bewaren, maar deze wel nagelaten positieve oordelen over Spinoza doen ons hem dat vergeven.

_________

*) Fred. Bremer “Eenige woorden naar aanleiding van het geschrift: Strauss en de Evangeliën. Naar het Hoogd. door (E. J. Hasebroek.) in: De Dagheraut, Haarl., 1843]

 

Reacties

Iets anders in dit verband: wat zit er achter deze brief? Is dat Spinoza's eigen behoedte / wens om evt weerwoord te schrijven op aantijgingen nav de TTP? Of misschien veelmeer een uitgeversbelang: met kritieken en replieken uitgebreide heruitgave van de TTP. Ik denk het laatste. Volop bezig zijnde met de TP stond Spinoza's eigen hoofd niet naar zo'n nieuw project, wel daarentegen het hoofd van Glazemaker, Rieuwertsz' 'vertalende compagnon' die Spinoza trouwens ook al aan dat andere project (TP) had gezet. Zie daarover mijn artikel in NASS #13 (2007): "Glasemaker the addressee of Letter 84?" (voor welke hypothese ik later nog onafhankelijke steun heb gekregen).
Overigens is Spinoza's brief aan Van Velthuysen een hoogwaardig staaltje van zijn taktische schrijfkunst. Het was hem geen gemakkelijke opgave om Nieuwstads onjuiste mededelingen recht te zetten bij een grote en zeer bekende geleerde, die hij eerder publiekelijk, ja, te kijk had gezet in een felle repliek op zijn Ostens-brief en bij wie hij nu wilde, ja 'moest' (!) bedelen om een gunst.

Je kunt die brief zien als een specimen van Spinoza's "taktische schrijfkunst". Maar Tydeman is vooral laaiend enthousiast over de grote mate van inleving, fatsoen en beschaving die Spinoza hier ten toon spreidt. Vond ik wel frappant.

Voor wie het vergeten mocht zijn:
Wim Klever's "Jan Hendricksz Glazemaker: The Addressee of Letter 84?" [In: North American Spinoza Society, NASS Monograph # 13 (2007), pp. 25-31] is op 22 nov. 2011 door mij geherpubliceerd op:

http://www.benedictusdespinoza.nl/lit/Klever_Glazemaker_Addressee_Letter_84.pdf

Heden Klevers artikel weer beschikbaar gemaakt op

http://blogimages.seniorennet.be/bds/attach/139293.pdf