Hendrik Johan Betz (1842-1905) zag Spinoza als dé Nederlandse vrijdenker (maar hij vermengde hem wel met Kant)

Betz was geneeskundige en wijsgeer, maar schreef vooral over wijsgerige onderwerpen en vooral over Spinoza. Hij woonde als privaatgeleerde in Den Haag en was betrokken bij het tot stand komen van het Haagse Spinoza-beeld.

Je komt niet veel over deze 19e eeuwse Spinoza geleerde tegen. In Siebe Thissen's De Spinozisten wordt zijn naam wel enige malen samen met kleine feitjes vermeld, maar krijgt hij geen eigen paragraaf. Wel lezen we op p. 154 van dat boek een citaat, waardoor je H.J. Betz wellicht als een soort 'beschermheer' zou kunnen zien van een blog als dit. In tegenstelling tot Van der Wijck die tegenstander van het publieke debat zou zijn, stelde Betz:

"Vrijheid in onbeperkte mate, tot bandeloosheid toe, want het is beter, dat er duizend onzinnigheden worden verkondigd, dan dat er een enkel juist denkbeeld verloren gaat, of blijft sluimeren."

 

Van Betz zelf is - met één uitzondering die ik straks noem - geen tekst op internet te vinden. Google heeft wel alles gedigitaliseerd, maar dat is alleen in de VS te openen, niet in het land waar men hem zou kunnen lezen! Bij de DBNL vind je enkel teksten over hem (vooral van critici - "Betz schamperde tegen ieder die ongunstig over Spinoza oordeelde en hing een van alle sporen van godsdienstige begrippen gelouterd Spinozisme aan", Spruijt) en een uitvoerige bespreking van zijn filosofie door Ferdinand Sassen [cf. DBNL]. Daarnaast is er recent iets over hem en zijn Spinozisme te vinden bij Wiep van Bunge's Spinoza Past and Present: Essays on Spinoza, Spinozism, and Spinoza Scholarship [Brill, 2012] en kreeg hij in Henri Krop's Spinoza. Een paradoxale icoon van Nederland [Bert Bakker, 2014] zelfs een tamelijk uitgebreide paragraaf!  

Hendrik Johan Betz werd op 20 december 1842 geboren als zoon van Gerardus Henri Betz en Johanna Catharina van Staveren. Zijn vader was fabrikant die het tot minister bracht in het tweede kabinet Thorbecke. Hendrik Johan ging na het Erasmiaans Gymnasium in 1861 in Leiden medicijnen studeren. In 1866 verdedigde hij het proefschrift De theorie der ontsteking. (Bij gebreke van een foto van Betz breng ik hier de afbeelding van zijn proefschrift dat zich notabene in de Maastrichtse bibliotheek bevindt). Na zijn promotie was hij enige jaren assist.-geneesheer in het ziekenhuis aan de Coolsingel in Rotterdam, doch enige jaren daarna stopte hij met dit beroep en vertrok hij naar den Haag, waar hij zich als schrijver vestigde. Hij schreef artikelen, vooral op filosofisch en staatkundig gebied, werkte mee aan De Ned. Spectator, De Banier en De Tijdspiegel en vanaf 1875 aan De Levensbode van Van Vloten. Hij huwde op 25 mei 1871 te Amsterdam met Adriana Elisabeth Andriessen. [Cf. en cf.]

 

Tijdens de eerste vergadering van het Voorlopig Spinoza-comité op 17 aug. 1875 werd Hendrik Johan Betz tot secretaris benoemd. [Cf. blog] Betz wordt samen met Lotsy [cf. blog] als een soort van leerlingen van Van Vloten beschouwd.

Van hem verschenen de volgende werken:

• "Over den aard onzer kennis." In: Levensbode, VIII (1875) [drie uitvoerige artikelen, die volgens Sassen "meer inhouden dan de titel doen verwachten en dat door hemzelf met den naam van ‘natuurwetenschappelijk materialisme of monisme’ werd bestempeld." Ze werden uitvoerig en frivool besproken in De Gids van 1876 door C.B. Spruijt - nog altijd heerlijk om te lezen, maar wel erg lang - in die tijd had men nog tijd]

• "De wording van het Spinoza-standbeeld." In: De Nederlandsche spectator 38 (29.1.1876), 301ff.

Levensschets van Baruch de Spinoza: met een kort overzicht van zijn stelsel. 's Gravenhage, Nijhoff, 1876. - 107 pp.

Volgens H.J. Gunning Jr. die hem citeert (en die ook de aanleiding is dat ik dit blog maak) zou hij geschreven hebben: "Terecht lacht men om dien wiskundige die, na een meesterstuk van Beethoven te hebben hooren uitvoeren, vroeg wat dat dat nu bewees? Niets hoegenaamd, en het woû ook niets bewijzen. Maar zoodra men meent, met schoonheid, kunst, geloof, in éen woord met iets dat geen ervaringsfeit is, wel degelijk het een of ander te bewijzen, of die idealen zelve bewijzen wil als of het ervaringsfeiten waren, is men juist even belachelijk als gene." (p. 105/6)

Spinoza en de vrijheid. Eenige bedenkingen tegen de spinoza-studie van den Heer J.H. Gunning Jr. ('s-Gravenhage, Nijhoff, 1877)

Ervaringswijsbegeerte ('s-Gravenhage, Nijhoff, 1881) [Uitvoerige kritisch-laconieke bespreking in De Gids van 1881 door W. Koster: "Dikke boeken, als die van Betz, Spruyt en honderden anderen, worden geschreven omdat de een Spinoza zus, Kant zóó begrijpt!" - DBNL]

Het spiritisme ('s-Gravenhage, Nijhoff, 1882)

Spinoza en Kant ('s-Gravenhage, Nijhoff, 1883. - XX, 89) [op microfilm bij archive.org]

• "Een nieuwe Spinoza?" In: De tijdspiegel, Jaarg. (1901)

                                            * * *

Betz omschreef zijn filosofie als "natuurwetenschappelijk materialisme", maar hij sprak vooral van "ervaringswijsbegeerte": alle kennis moet uit de ervaring stammen, maar de wijsbegeerte zag hij niet als wetenschap. "De leek heeft daarom evenzeer als de academicus het recht zich met filosofie bezig te houden en zich door het gezag van de grote denkers niet de deur te laten wijzen," zoals Krop hem samenvat. Hij stond dus vooral een niet professionele wijsbegeerte voor, en had daarmee best invloed.

Anders dan Van Vloten, daar wijzen zowel Van Bunge als Krop op, typeerde Betz in zijn werk Spinoza nooit als 'naturalist', want naturalisme werd gezien als voor wie alleen materie/uitgebreidheid bestond, terwijl Betz heel goed wist dat Spinoza's Deus sive Natura als natura naturans oneindig meer attributen omvatte.

Overigens ging hij ervan uit dat Spinoza de werkelijkheid afleidde van een absoluut algemeen concept, terwijl Betz, zoals gezegd, meer het empirisme aanhing bij het bestuderen van het gedrag van singuliere modi. Maar in beide gevallen is er sprake van monisme en determinisme en van eenheid van lichaam en geest. Wel vond hij merkwaardig dat Spinoza alleen denken en uitgebreidheid voor ons kenbaar achtte en mede vanuit dat vraagstuk ging hij zich meer tot Kant wenden, die zo duidelijk bewezen had dat we het reële niet van het ideële kunnen afleiden. En hier wreekte zich volgens Betz Spinoza's incoherentie tussen zijn deductieve stijl van redeneren en zijn inductieve inhoud. Dit leidde tot de vernietiging van zijn metafysica. De taak van het hedendaagse spinozisme was dan ook niet om die metafysica te repareren, maar om terug te keren naar z'n ware doelstellingen. Met Pollock was hij van mening dat de sterkte van het Spinozisme niet lag in het systeem als zodanig, maar in z'n 'habit of mind' (iets waar later Leo Polak graag en meermalen naar verwees). In de 1880 en 1890-iger jaren liet hij Spinoza los en baseerde zich alleen nog op Kant, volgens Van Bunge. Volgens Krop bleef Spinoza toch Betz's voorkeur boven Kant houden. Hij schreef in Ervaringswijsbegeerte: "ontdoe Spinoza's gedachten van hun metafysisch omhulsel en 't blijkt dat hij schier overal verder heeft gezien dan anderen." Krop concludeert dan over Betz: "Met behulp van Kant kan men dus het eerste deel uit de Ethica wegsnijden om de in wezen moderne ethiek van de delen drie en vier over te houden. De uitkomst van Betz is dus een merkwaardige vermenging van Spinoza en Kant." (p.. 384)

                                               * * *  

Om een idee te geven hier het begin van het 6e hoofdstuk van zijn Spinoza en Kant ('s-Gravenhage, Nijhoff, 1883

HET SPINOZISME VAN SPINOZA.

Het spinozistisch Monisme is het ei van Columbus op wijsgeerig gebied. Maar — er is een groote maar. 't Is namelijk duidelijk, dat wij met het begrip der Substantie het gebied der ontologie betreden hebben. De Substantie is het zelfstandig Bestaande, het waarachtig Zijnde, datgene, wat bestand heeft, niet, als het geschieden, het Wordende, in den tijd zich ontwikkelt. Even duidelijk is het, dat wij met die Substantie niet het minste beginnen kunnen, en ons in de richting maar het Absolute even onvermijdelijk vastpraten als in de richting naar het oneindig kleine. De meêdeeling, dat al het geschieden, al het worden, al het veranderen op iets onveranderlijks steunt, is juist het tegendeel van hetgeen wij gewoon zijn, eene verklaring te noemen. Door onze verklaringen brengen wij het bizondere onder een algemeen gezichtspunt. Of die verklaringen wezenlijk zooveel beteekenen als de meesten denken, is hier de vraag niet; maar dat het onveranderlijke geen verklaring is van veranderingen, zal iedereen toestemmen.

Bovendien, zoo wij van de Substantie uitgaan, weten wij van verandering nog niets. Of wij het begrip der Substantie a priori bezitten, of wij het inductorisch afgeleid hebben uit de voorspelbaarheid van gebeurtenissen, of het een zoowel als het ander het geval is; in het begrip van het zelfstandig Bestaande als zoodanig ligt in 't allerminst niet opgesloten, dat het de gemeenschappelijke grondslag van het veranderen in de stoffelijke wereld en ons denken, of van aanschouwen en denken, of van gewaarworden en denken is. In 't begrip der Substantie ligt niets anders opgesloten dan dat van iets, [etc.]