Heidegger (1889 - 1976) en zijn omkering van Spinoza

   [cf.]

Opmerkelijk is dat twee van de weinige teksten – voor zover mij bekend – die iets zeggen over Heidegger en Spinoza, dat niet doen aan de hand van het werk van Spinoza zelf maar dat van Deleuze over Spinoza. En beide wijzen op het verschil in filosofische benadering van de dood. Wat Spinoza betreft houdt de wijze (vrije) mens zich met niets minder bezig dan met de dood [EIVP67]. Bij Heidegger, die zich minder met het eeuwige en volstrekt ene bezig houdt, dan met het tijdelijke en eindige, is zo ongeveer het belangrijkste om mee bezig te zijn: de dood – het sein zum Tode.  

Ik ga niet proberen om een gedegen zelfgemaakt blog over Heidegger’s Spinoza te maken. Zijn verzameld werk omvat zo ongeveer 100 banden, die ik uiteraard niet gelezen heb. Mijn opzet met dit blog is te wijzen op een artikel van James Luchte, van de universiteit van Wales, dat al enige tijd op internet staat: On Freedom: Heidegger (and Deleuze) on Spinoza. [Hier - de andere tekst waar ik op doelde is de dissertatie van Marion Raddan: Heidegger and the mystery of being, 2009, PDF). Vooral interessant is het stuk van James Luchte. Ik was het al ruim een jaar geleden tegengekomen, maar onlangs attendeerde de Franse Spinozavereniging er nog eens op en ging ik er weer eens heen. Het artikel van zo’n 10-A4-pagina’s geeft een aardige impressie van de belangrijkste verschillen tussen Heidegger en Spinoza. Dat de auteur zich overigens meer met Heidegger dan met Spinoza heeft bezig gehouden, blijkt er bijvoorbeeld uit dat hij alleen Deleuze gebruikt en dat hij het tot tweemaal toe heeft over sub specie aeternitatus (i.p.v. aeternitatis). Het zij hem vergeven. Maar juist daarin steekt hét grote verschil tussen beide filosofen. Heidegger wil zich niet met het absoluut ene, eeuwige en noodzakelijke bezig houden, maar met het tijdelijke, aardse en menselijke. Niet met (rationele) metafysica, maar met het concrete bestaan, met de diepste ervaring van wat het is mens in de wereld te zijn – dus met het tijdelijke en eindige.

In tegenstelling tot de vrijheid die ligt in het beseffen van en handelen naar de gedetermineerde noodzakelijkheid – anders gezegd, van de bevestiging via de intuïtieve kennis (sub specie aeternitatis) van de immanente noodzaak die in de natuur van het singuliere ding zelf opreist (Spinoza’s vrijheid) – zou voor Heidegger de vrijheid zitten (in het verlengde van Schelling’s revolte tegenover God) in een actieve bevestiging van het eigen menselijke bestaan en dat als het eigenlijke bestaan te zien (i.p.v. te (be)rusten in het goddelijke). Beiden geven zo een heel verschillende epistemologische rol aan de passies: Spinoza om ze te overwinnen door ze te doorzien; Heidegger (en dan vooral wat betreft de angst) door ze diepgaand te doorleven en te doordenken. Voor Heidegger zou Spinoza’s God, de eeuwige (niet-tijdelijke) substantie, juist niet, dus oneigenlijk, onze eigen menselijke manier van zijn uitdrukken. Acquiescentia als een soort rustgevende acceptatie t.o.v. zo’n God, zo’n noodzakelijkheid, is dus tegengesteld aan werkelijke zelfbepaling volgens de wet van iemands eigen zijn. Die acquiescentia zou dus eigenlijk geen vrijheid zijn, maar een overgave aan wat in feite mij transcendeert als een onwerelds zijnde. Dit is Heidegger een gruwel.

Hoe dan ook is voor Heidegger Spinoza sinds Plato het belangrijkste mikpunt in zijn destructie van de historie van de ontologie. Maar, zegt James Luchte, daar werkelijke destructie geen eliminatie is, maar een vrijmaking van de oorspronkelijke impulsen die ten grondslag lagen aan dit (Spinoza’s) ontologische systeem, zou er veel overeenkomst tussen Heidegger en Spinoza te ontdekken zijn en zou Heidegger in feite een ‘radicalisator’ van Spinoza zijn (zoals Spinoza dat was van Descartes). Ik heb de indruk dat Luchte dit niet waarmaakt en dat hij hooguit een Heidegger als een omkeerder van Spinoza laat zien. Luchte:

“Spinoza seeks to use the dead language of logic to transcend his emotional, personal being, in a leap into the infinity of substance – indeed, in a negative mirror image of the tomb of logic, as a seemingly impossible escape into the Unlimited. Heidegger, on the contrary, would indicate that we must not seek freedom in the impossible other-world of eternity, but that we must comprehend that we are by necessity free to love and hate and to chose a ‘world’ – not to mention free to radically question the world of the present, sub specie temporis. It is our radical openness to the other, to the different, to the event of radical possibility, which intimates the ground of freedom that is expressed in a living language.”

Heidegger suggereert volgens Luchte, dat Spinoza nagelaten heeft om ons bekend te maken met de echte radicaliteit en diepten van het menselijk bestaan, zoals hij (Heidegger) dat wel gedaan zou hebben door ons op te roepen om moedig onze wereld en onze toekomst-die-onherroepelijk-in-de-richting-van-de dood wijst, improviserend op te bouwen en over onszelf te beslissen. Dit als dé waarheid ofwel onthulling van het Zijn. Het gaat Heidegger dus om het zich staande houden temidden van de onvermijdelijke en 'positieve' negativiteit van de 'midden-wereld' (Mitwelt) van eindige transcendentie die betrekking heeft op de intimiteit van ons eigen zijn. Het is op deze manier dat we het verlangen dat ons wezen (onze conatus) is, bevestigen, en er geen afstand van te doen voor een eeuwigheid die eigenlijk alleen een 'gevangenis van graven' is.

   

Nog iets over Heidegger en Spinoza, waarover ik eerder, op 16 juli 2008, schreef. Rüdiger Safranski wijdt in "Heidegger en zijn tijd", een hoofdstuk aan Heideggers foute geheul met de Nazi's. Daarin een passage waarin Spinoza voorkomt. Op blz 318 gaat het erover dat Heidegger geen antisemiet was. En daar staat dan: "Maar bij Heidegger bestaat die 'joodse geest', waarvoor je zou moeten oppassen, niet. Tegen dat 'geestelijke' antisemitisme heeft hij zich steeds verzet. In een college halverwege de jaren dertig verdedigt hij Spinoza en verklaart dat als Spinoza's filosofie joods zou zijn, de hele filosofie van Leibniz tot Hegel joods was. Die afwijzing van het 'geestelijke' antisemitisme is des te opmerkelijker omdat Heidegger anders het Duitse in de filosofie graag accentueert en het afzet tegen het rationalisme van de Fransen, het utilitarisme van de Engelsen en de bezetenheid door de techniek van de Amerikanen. Maar in tegenstelling tot zijn medestrijders en tegenspelers Krieck en Baeumler heeft Heidegger dat Duitse in de filosofie nooit gebruikt ter afbakening van het 'joodse'.”

Kennelijk bedoeld om Heidegger van 'althans iets aan foute mentaliteit' vrij pleiten, houdt dit soort spreken toch iets onfris.

Hier een video met stukjes lezing door Heidegger (uit: NESKE Documentary 1975).

deel 2

Reacties

Prijzenswaardig, Stan, dat je er eens de aandacht op vestigt (aan de hand van beschikbare literatuur) dat Heidegger ene Spinoza onverzoenbaar zijn. Er is geen andere relatie tussen de honderd banden Heideggeriaanse filosofie en de werken van Spinoza in een band dan die tussen oeverloze Zwarte Woud fantasie en compacte wetenschap. Net als bij Hegel en Spinoza, het is het een OF het andere. God zij dank zijn in Nederland thans behalve Kant ook Hegel, Heidegger e tuti quanti francesi in hun spoor op hun retour.