Hegel & Hollak, Brekelmans & Bink over Spinoza

In het verlengde van het vorige blog vind ik het nu een goede gelegenheid om informatie door te geven "die ik al een tijdje had liggen."

Op 11 januari 2013 promoveerden aan de Tilburgse Universiteit de heren Frans Brekelmans & Erik Bink in een dubbelpromotie op een dissertatie, waaraan zij samen werkten en die ieder op aparte onderdelen verdedigde.

Brekelmans, F.H.J.G. & E.F.R. Bink, Beeld en evenbeeld: Een uiteenzetting van Hollaks begrip van Hegels filosofie en diens metafysische gevolgtrekkingen uit dat begrip. Nijmegen, Wolf Legal Publishers, 2013 [Cf hier alwaar twee PDF's zijn aan te klikken]

Het is nogal wat: twee zware kluiven: Hegel en Hollak.

In hun gezamenlijke proef-schrift baseren de auteurs zich op de aparte Nederlandse filosoof Jan Hollak (1915-2003). Volgens Hollak is hoe de mens zichzelf begrijpt hét thema van de filosofie (al sinds het "ken uzelf"). Voor hem betekende dat, dat men in de filosofie tenslotte alles vanuit het zelfbegrip en het zelfzijn moet trachten te begrijpen. Hoe volkomen anders dus dan Spinoza's opvatting, terwijl het beiden gaat om "begrip van de wijze waarop de mens, als lichamelijk-geestelijk wezen in de wereld bestaat en [..] de uiteenzetting van de wijze waarop dit bestaan innerlijk verbonden is met de oerbron van alle bestaan." [Zoals voor Hollak aangeduid in hun voorwoord].

"Het zelfbegrip van de eindige mens in zijn innerlijke relatie met het absolute dat Hollak ontvouwt, is het resultaat van de innerlijke verbinding die hij aanbrengt tussen relevante elementen van de filosofieën van Thomas van Aquino, G.W.F. Hegel en Max Scheler. Die elementen zijn: Thomas’ participatieleer – het deelhebben van het eindige zijn aan het oneindige zijn –, Hegels begrip van de mens als zelfstandig geestelijk-lichamelijk wezen gesitueerd in de wereld en Schelers idee van de menselijke persoon als zuiver geestelijk wezen. In de idee van de persoon zijn de seculiere en de sacrale dimensie – de innerlijke relatie met het absolute – van de eindige mens innerlijk met elkaar verbonden en kan zodoende de absolute individualiteit van de persoon naar voren treden. De metafysische grondslag van de vrije samenleving is gelegen in de idee van de persoon." (Uit de samenvattende typering bij de uitgever) 

Zowel Hegel als Hollak moesten niets hebben van Spinoza's benadering van filosofie en die krijgt er dus flink van langs. Maar is hij daarbij wel goed begrepen? Zie daarover het artikel in het vorige blog.

Brekelmans en Bink namen de moeite om Hegels Philosophie des Geistes parafraserend te vertalen en paragraafsgewijs van kritisch te commentaar te voorzien. Via Hollaks Hegel-interpretatie zouden zij zijn gekomen tot een verdiept begrip van Hegels subjectieve geest door deze te completeren met de idee van de eindige persoon in zijn innerlijke relatie met de oneindige, volmaakte persoon.

Dan begrijpen we wel hoe dit alles volledig anders uitpakt dan bij Spinoza. Een van de grote verschillen tussen Spinoza en Hegel is dat voor de laatste de verhouding tussen Sein en Seiendes een wederzijdse afhankelijkheidsrelatie is, terwijl voor Spinoza God of de substantie niet afhankelijk is van de modi, maar alleen omgekeerd. Een ander verschil is de opvatting bij Hegel dat de mens primair geestelijk wezen is, terwijl Spinoza laat zien hoe de menselijke geest primair aan de lichamelijkheid gekoppeld is (daar de idee van is).  

 

Waarom ik dit proefschrift hier toch vermeld is, doordat de geïnteresseerde hierin alle passages van Hegel én Hollak over Spinoza verzameld vindt. Kan toch handig zijn.

                                               * * *

Om een idee te geven van wat in dit werk te vinden is hier een citaat (zonder noten):

"De verhouding bij Spinoza van absolute substantie en (eindige) modi – die geen substantialiteit, dus geen zelfstandigheid bezitten – kan met het volgende voorbeeld worden verduidelijkt. De absolute substantie kan daar worden voorgesteld als een oneindig plat vlak waarover ontelbaar vele, elkaar kruisende lijnen lopen. Het mozaïek van vlakjes dat zodoende het oneindige vlak bedekt, stelt de eindige zijnden voor waarvan de kruisende lijnen hun bepalingen en grenzen, en wel hun wederzijdse grenzen, zijn, de grens van de een is tegelijk de grens met en van de ander. De eindige vlakjes hebben zodoende geen eigen substantialiteit, ze zijn slechts modi van de absolute substantie, die de enige substantie is. Ofwel, in termen van de relatie Sein en Seiendes: de eindige zijnden vallen volledig samen met het algemene zijn, de absolute substantie. Op deze wijze wordt schijnbaar het, door God als causa sui in positieve zinte bepalen, teloor gaan van het zuivere onderscheid tussen oneindig en eindig wezen opgeheven door dus de eigen substantialiteit van de eindige substanties te ontkennen; want daarmee is de absolute substantie de “enige” en dus de ‘oneindige’, maar wel als causa sui in positieve zin bepaald en dientengevolge toch met eindigheid behept. Terwijl we omgekeerd zouden kunnen zeggen, dat het mozaïek van het samen-zijn van de oneindig vele vlakjes het oneindige vlak, ofwel de absolute substantie vormen. Zeer eenvoudig gesteld wordt in Hegels Logik deze dubbelzijdige verhoudingswijze concreet ontwikkeld.

Als resultaat van deze ontwikkeling is Spinoza’s cogitatio – de “denking” –, niet meer slechts een oneindig attribuut van de absolute substantie, maar is deze als de Vernunft – als het zelfbegrip van het verstandelijk-categoriale – tot het middelpunt van dit proces verheven. Spinoza’s abstracte, eenzijdige noodzakelijkheidsverhouding van natura naturans–natura naturata, dat is de verhouding tussen de ‘scheppende’ God – de absolute substantie=causa sui – en de ‘geschapen’ eindige dingen, heeft Hegel als relatieve tegenstelling opgevat en tot begrip gebracht.

Zodoende was hij in staat om deze, op grond van de daaraan inherente absolute rede, dialectisch te ontwikkelen, ofwel: de eindige menselijke rede zo te doordenken dat haar innerlijke relatie met de absolute rede tot begrip gebracht kon worden.

Daarmee is de starre, eenzijdige noodzakelijkheidsverhouding in Spinoza’s filosofie tussen de absolute substantie en haar oneindige attributen en de eindige modi ontwikkeld tot het eeuwige verwerkelingsproces dat uit het absolute subject als deze totaliteit voortvloeit.  

Hegel karakteriseert deze verhouding bij Spinoza als akosmisme, dat wil zeggen, dat in Spinoza’s systeem more geometrico de eindige modi of zijnden geen eigen substantialiteit toekomt. Om deze toedracht tot in haar uiterste consequentie door te voeren, zouden we kunnen zeggen, dat in Spinoza’s wereldbeeld de eindige zijnden eigenlijk niet bestaan, of beter gezegd: geen eigen bestaan hebben. Met als keerzijde daarvan, dat de absolute substantie, God, de enige substantie is die bestaat. Hegels filosofie is mede en in fundamentele zin een uiteenzetting die deze scheve verhouding recht zet. [p. 385-86]

 

Reacties

Verleden tijd. En terecht. Hollak - ik heb hem lang genoeg gekend - was verwarring in het kwadraat, maar wel op een hautaine toon, die geen tegenspraak of discussie gedoogde. Maar de KU Nijmegen zag legitimatie in hem!