Goethe’s zoektocht naar de essentia formalis

Goethe had een levenslange fascinatie om de archetypische plant, de Urpflanze, te vinden – die fundamentele plantvorm, die wel móest bestaan, want hoe zouden we anders weten met een plant te maken te hebben? Vervolgens kreeg hij zijn intuïtie dat de hele morfologie van een plant (en vervolgens ook van larven tot en met gewervelde dieren) te vinden moest zijn in ‘het blad’! De ontstaans- en vormende krachten, de metamorfose van planten zouden juist de fluctuaties van een basisbladvorm zijn.

Fascinerend (en eigenlijk ongelooflijk) vind ik de idee dat hij de door hem ontwikkelde wetenschap van de morfologie, de leer der vormen, als een soort van toegepast Spinozisme zou hebben gezien. Dat met name de scientia intuitiva hem op het spoor van die zoektocht naar de Urpflanze zou hebben gezet.

Twee publicaties over Goethe in hetzelfde jaar, 2012, zonder dat ze van elkaar weten (ik noem ze hierna), menen aan de brief die Goethe op 5 mei 1786 aan Friedrich Heinrich Jacobi schreef te kunnen ontlenen dat hij zijn wetenschap, zijn Zur Morphologie,  als een Spinozistische scientia intuitiva zou zien. Hij schreef:

Wenn du sagst man könne an Gott nur glauben p. 101. so sage ich dir, ich halte viel aufs schauen, und wenn Spinoza von der Scientia intuitiva spricht, und sagt: Hoc cognoscendi genus procedit ab adaequata idea essentiae formalis quorundam Dei attributorum ad adaequatam cognitionem essentiae rerum; so geben mir diese wenigen Worte Muth, mein ganzes Leben der Betrachtung der Dinge zu widmen die ich reichen und von deren essentia formali ich mir eine adäquate Idee zu bilden hoffen kann, ohne mich im mindsten zu bekümmern, wie weit ich kommen werde und was mir zugeschnitten ist. [Cf. Zeno.org]

In plaats van de daar (in Ethica 2/40s2) bedoelde formele essentie van individuele dingen (want alleen die bestonden voor Spinoza), interpreteerde Goethe het kennelijk als iets dat nog verder dan een soort-essentie zou gaan, een oervorm a.h.w. door vele soorten heen, of misschien bijna wel een soort Platoonse idee. Het verbaast en fascineert me.

Ik volsta hier met het wijzen op twee publicaties die (mede) hierover gaan:

Michael Vlasopoulos, Spinoza, Goethe, and the Philosophy of Form, Master’s thesis aan de Harvard University Graduate School of Design, 2012, te vinden bij issuu.com, maar makkelijker in te zien in het PDF dat hij op academia.edu heeft geplaatst.

Eckart Förster, The Twenty-Five Years of Philosophy: A Systematic Reconstruction [Harvard University Press, 2012, waarop ik al eerder in een blog wees.