God & Natuur of toch God, oftewel de Natuur? [2]

Het vorige blog over het boek van Wim Lintsen, God & Natuur. Avontuurlijke dialogen op het grensvlak van wetenschap en religie [2010] eindigde met: “Ik ben nu op de helft van het boek beland en moet mijn leeservaring sterker gaan inkorten. Het boek wordt vanaf hier overigens almaar interessanter.” En dat wordt het. Ik sta perplex over de grote hoeveelheid boeken die Lintsen de voorbije jaren moet hebben verwerkt – voor zichzelf en in dit boek.

In hoofdstuk 6 staan auteurs over de evolutie centraal (en komt uiteraard het lawaai van het creationisme en Intelligent Design aan de orde). Hij behandelt Sjoerd Bonting (Anglicaans priester die in Schepping en Evolutie de wetenschappelijke uitgangspunten onweersproken als uitgangspunt neemt voor het theologische verhaal over de schepping) en uitgebreid Willem Drees (wetenschapper, filosoof en theoloog) van wie hij meerdere boeken behandelt. Ik moet eerlijk bekennen dat ik die tekst heb overgeslagen. Verder komen aan de orde Francis Collins en zijn “theïstische evolutie” in zijn De taal van God, en de gelovige celbiologe Ursula Goodenough en haar The secred depth of nature. In de beschrijving van haar “religieus naturalisme” lijkt veel van de auteur zelf naar boven te komen. En ook ikzelf herkende me wel in het ‘mysterieachtige’ gevoel dat je overkomt bij het overdenken van de feitelijkheden van het leven: sexualiteit en reproductieproces – het besef dat jij aan de voortzettende kant zit van een ononderbroken levensketen teruggaand tot het eerste begin van het leven miljoenen jaren geleden; een haast oneindig lang natuurlijk streven… De verwonderende en bewonderende belevingskant daarvan zelf ook weer als een natuurproces beseffen, bracht Lintsen me hier via Goodenough bij en dat past geheel in de Spinozistische denklijn.

In het 7e hoofdstuk komen langs Philip Clayton (theoloog en wetenschapper), zeer uitvoerig, en  Paul Davies (astrofysicus en kosmoloog), nog uitvoeriger; het lijkt wel of alle vele boeken door Lintsen verwerkt zijn. Ik haal er alleen uit dat Davies onze rationaliteit als weerspiegeling van “kosmische rationaliteit” ziet en het heelal zijn “eigen zelfbewustzijn” in ons ziet organiseren (alsof je de Duitse romantici en idealisten hoort) - en zeer waarschijnlijk niet alleen in ons. Onze hersen zouden, vooral in hun vermogen wiskundige taal te hanteren, de kosmische structuur onthullen. “Het is alsof de kosmische code zichzelf in onze hersenen opnieuw teruggevonden heeft” (p. 172). (Alsof de kosmische structuur dan weer als een soort hersenproces één groot kennisveld en bewustzijn zou vormen? Dat staat er niet, maar lijkt wel enigszins geïmpliceerd te worden, hetgeen toch wel een wat obscure esoterische kant zou opgaan). Maar Davies heeft, volgens de auteur, de balans tussen God en de natuur, tussen een diepe emotie en een diep inzicht, samen vormend een “rationele mystiek”, niet gevonden; terwijl dat is waar Lintsen voor gaat en nog eens een aparte bijlage aan wijdt. Voor hij die brengt wendt hij zich daartoe eerst naar een laatste auteur, Edward Harrison (kosmoloog, Masks of the Universe, 1985) die intelligent goochelt met het domein van het kenbare en dat van het onkenbare met daartussen een almaar opschuivend gordijn als blijvende grens of wijkende horizon. Zowel God als het Universum horen volgens hem in dat tweede domein. Enigszins verwarrend is dat het onkenbaar, maar vaak ook als ondenkbaar wordt getypeerd, terwijl er voortdurend over wordt gedacht (gespeculeerd). Ik weet niet of dat door elkaar hutselen van onkenbaarheid en ondenkbaarheid aan Harrison of aan zijn vertaler ligt. Maar interessant is die paragraaf wel, waarin ook Spinoza uitdrukkelijk aan de orde komt, door Harrison omgevormd, aangepast en ingelijfd in een “eenmaking van God en het Universum in een UniGod.” Hoe dat gebeurt kan ik hier niet laten zien, daarvoor verwijs ik naar het boek, want om dit zich te zien voltrekken, dient de hele paragraaf gelezen te worden. Deze UniGod zal qua totaliteit altijd onkenbaar blijven (zo ook bij Spinoza). Deze Harrison was voor mij een ontdekking. Fijn om die hier zo uitgebreid samengevat voorgezet te krijgen, met lange door Lintsen vertaalde citaten.

Ook in dit hoofdstuk geeft Lintsen weer iets van zijn eigen visie prijs via een eindnoot (68): “Hoewel Spinoza weer actueel is om zijn emotieleer en zijn politieke ideeën, geldt dat niet voor zijn theologische ideeën. De religie wil ze niet en de wetenschap hoeft ze niet.” (p. 196)

En dan, eindelijk, in het “Woord tot slot”, komt de auteur uit de kast als (min of meer toch) Spinozist, waar hij zegt: “Zelf word ik in mijn denken geïnspireerd door Spinoza’s filosofie.”(p. 198) En, opvallend, daarbij blijkt het dan toch niet om diens emotieleer te gaan, maar om zijn ontologie en kenleer. Een interessante langere passage die ik – met toestemming van de auteur – in een volgend blog apart zal brengen.

Kom ik hier tot mijn slot. Ik ervoer het als een almaar boeiender, intrigerend en zelfs imponerend boek. In het begin moest ik aan de opzet, het gekozen schema en thema (God & Natuur) wennen. Maar het is wel nuttig dat een auteur via thema en schema greep houdt op zijn materie, zeker als zoveel boeken verwerkt worden. Ik ervoer het als een integer boek, waarin de schrijver niet zichzelf centraal stelt, maar wel zijn eigen intellectuele en spirituele zoektocht en belezenheid aan de belangstellende zoekende lezer aanbiedt. Een zoektocht die nooit eindigt. Sinds dit boek is gesloten, zijn er al weer zoveel boeken verschenen, The Grand Design: New Answers to the Ultimate Questions of Life van Stephen Hawking bijvoorbeeld, wiens A Brief History of Time, door mij hier nog niet genoemd, uiteraard ook aan de orde kwam… Er hebben zich alweer nieuwe kandidaten aangediend, zoals onlangs van Jim Holt, Why does the World exist? (zie de New York Times van gisteren:  “the effort to understand the universe is one of the very few things that lifts human life above the level of farce, and gives it some of the grace of tragedy.”). Het zou mij niet verbazen als Lintsen daarmee alweer bezig is?

Lintsen brengt in zijn God & Natuur veel kennis en zienswijzen samen en dringt daarbij niets op, houdt zijn eigen keuze en voorkeuren zoveel mogelijk op de achtergrond, maar laat die hier en daar wel doorschemeren. Tot hij zich dan eindelijk ‘laat kennen’. Een boek zonder enig esoterisch of spiritualistisch gezweef. Aanbevolen.