God & Natuur of toch God, oftewel de Natuur? [1]

Ingenieur en filosoof Wim Lintsen geeft (HOVO-)cursussen over o.a. Spinoza. Ik heb in het verleden – voordat de VHS een cursusagenda oppakte – er vaak op gewezen. Eénmaal heb ik hem gesproken in de pauze tijdens een Spinozadag in Paradiso, ik meen twee jaar geleden. Een aantal dagen geleden bood hij aan mij zijn boek toe te zenden God & Natuur. Avontuurlijke dialogen op het grensvlak van wetenschap en religie dat hij in 2010 in eigen beheer uitgaf [ik vermelde dat in dit blog]. Hij wilde mij het boek toesturen naar aanleiding van mijn blog van 1 juli 2012: “Niemand weet wat het Universum vermag.” Een aardig gebaar. Maar wat was het precies waarom hij tot dat besluit kwam? Ik was benieuwd of dit boek het antwoord op die vraag bevatte. Dinsdag ontving ik het. Het ziet er goed verzorgd uit: ingenaaid gelijmd met een stevige omslag.

Ik waarschuw de lezer van dit blog alvast: ik volg hier mijn leeservaring als het ware op de voet en die begon enigszins afwijzend, maar werd ‘lezenderweg’ almaar positiever.

Ik begon eerst hoofdstuk 5 te lezen: “Vier vroege dialogen rondom God en Natuur,” te weten Bento de Spinoza, Isaac Newton, Immanuel Kant en Albert Einstein. Z’n thema was duidelijk: hij was op zoek naar ‘dialoog’ tussen God en Natuur, tussen religie resp. theologie en wetenschap. En bij Spinoza kom je dan in de knel. Bij de tweede zin kwam er bij mij direct al met een potloodje “nee” in de kantlijn: “Het begon allemaal in de 17e eeuw. Spinoza en Newton voelden de behoefte om God een nieuwe plek te geven tegenover de natuur.” En ook niet helemaal helder leek mij: “Deze complexe verhouding tussen God en natuur is te voelen als een dubbele natuur in onszelf.” Enerzijds het lijden en stuurloosheid en anderzijds vrijheid en vreugde, ziet hij als die dubbele natuur in onszelf (p. 73). “Wanneer wij in onszelf de spinozistische vrijheid en vreugde ervaren, dan ervaren wij in feite de optimale verhouding tussen God en natuur, namelijk als een verhouding van interne, logische verstrengeling.”(74) Ik kan er me niet duidelijk iets bij voorstellen en vraag me dan af of zijn vooraf gekozen schema de auteur geen parten speelde, waardoor zijn zicht op Spinoza enigszins beslagen was geraakt. Maar even verderop erkent hij zelf dat die scheiding tussen God en Natuur of wereld er bij Spinoza niet is. Maar dan toch weer zo’n onmogelijke slotzin: “Bij Spinoza wordt God als persoon ondergeschikt gemaakt aan God als natuur.” (76)

Bij Einstein zag hij de God van Spinoza bewerkt en ingevuld op een Kantiaanse wijze (99) – een opdeling in en samengaan van waarheid en waarde.

Oké, maar met enige opgerichte stekeltjes begon ik hierna vooraan en las in de inleiding dat hij een dialoog tussen religie en wetenschap voorstond, wat hij dan bedoelde als innerlijke dialoog bij de lezer die hij daartoe materiaal aanreikt uit de wereld van de wetenschap en met name van wetenschappers die tevens theoloog zijn of natuurwetenschappers die zich serieus met God en zingevingsvragen hadden bezig gehouden. Zoals Jan Barbour (fysicus en theoloog, die jarenlang wetenschap en religie doceerde) en John Polkinghorne (fysicus en theoloog).

Soms, vooral in het tweede en delen van het derde hoofdstuk, waarin hij de geschiedenis van de ontwikkeling van het natuurbegrip en van de wetenschappen schetste, kreeg ik het gevoel dat hij z’n lezers als enigszins infantiele onwetenden zag, terwijl velen toch wel eens íets zullen hebben meegekregen?  

En toen ineens, bij de laatste paragraaf van dat hoofdstuk, met de titel “De Natuur is autonoom”, begreep ik dat hij me daarom het boek had toegezonden. Hij zag mij in mijn blog uitgaan van, of misschien wel worstelen met vragen over hoe autonoom de natuur is, “de natuur die de plaats van God inneemt”, in staat zichzelf voort te brengen en geheel uit zichzelf te werken, oneindig krachtig en creatief en in staat – via de mens – wetenschap voort te brengen en zo a.h.w. zelfreflectief is. Iets wat volgens de auteur nooit bewezen zal kunnen worden. Maar dan schrijft hij toch: “zelf heeft de natuur geen weet van haar eigen mogelijkheden [ik hoor hier mijn blog klinken]; het enige wat zij doet is almaar structuren opbouwen. Een dergelijke natuur die oneindig creatief is in zelfordening en zelforganisatie, zou best eens in staat kunnen zijn, zichzelf voortdurend voort te brengen. Zo’n natuur is dan de oorzaak van zichzelf.” (51)

Vooral in Hoofdstuk 4, “Hoe kom ik tot een innerlijke dialoog?” ging ik me steeds meer afvragen waar de auteur zelf stond: welke positie neem hij in? Wat is zijn godsbeeld? Was hij een vage ‘ietsist’? Toch leek een zin als deze in een andere richting te wijzen: “De gedachte dat God wel eens (zeer) nauw verbonden zou kunnen zijn met de natuur, komt nog weinig voor.” (58) Of waar hij nog eens het concept van de natuur als zelfscheppend, zelfordenend bespreekt, waarbij de dialoog tussen God en Natuur vooral een dialoog is tussen de religieuze emoties aan de ene kant en de feiten van de wetenschap aan de andere kant, die zich alleen in ons afspeelt: was dát dan zijn positie? Min of meer spinozist? Maar spinozisme zag hij dan weer als een metafysica die God als een objectieve universele waarheid zou willen claimen. De bijgeplaatste eindnoot verwees daar naar Spinoza en onthult: “maar vandaag de dag heeft God mijns inziens een andere status gekregen. Hij valt nu geheel in het domein van de religieuze ervaring. Hij is een bron van inspiratie, zingeving en moraliteit. Er is geen vruchtbaar debat meer over God als een bestaand wezen dat beschreven kan worden in zijn essentie en eigenschappen. Zo’n debat is niet meer van deze tijd.”

Vooral via de vele uitvoerige eindnoten komen we meer over de stellingname van de auteur zelf te weten. Zo in eindnoot 9 van het 5e hoofdstuk, waarin hij Spinoza i.v.m. de termen pantheïsme en panentheïsme plaatst, zegt hij: “Zelf zie ik de God van Spinoza niet groter dan de kenbare natuur en daarmee is mijn visie pantheïstisch.”

Ik ben nu op de helft van het boek beland en moet mijn leeservaring sterker gaan inkorten. Het boek wordt vanaf hier overigens almaar interessanter. En daarmee ga ik verder in een volgend blog.

Vervolgblog 2   -   vervolgblog 3

Reacties

Stan,
Voor mij is het duidelijk dat de auteur de klok heeft horen luiden maar niet weet waar de klepel hangt.

Stan,
Het belangrijkste spinozistische bezwaar tegen Lintsen's opvattingen over Spinoza's God - althans voor zover ik jouw interpretatie van zijn werk begrepen heb - lijkt mij dat hij theologie en naturalisme met elkaar probeert te verbinden, terwijl Spinoza juist een scheiding tussen beiden aanbrengt, zie TTP14. In TIE14-15 laat Spinoza de theologie zelfs geheel weg in het programma van spinozistische Bildung, en wordt zij blijkbaar van geen waarde geacht. Lintsen zet daarentegen op de titelpagina van zijn boek een geweldig &-teken tussen 'God' en 'natuur' - en geen identiteitsteken - en haalt - althans volgens jouw blogs - een keur van natuurkundig geïnspireerde theologen en/of theologisch geïnspireerde natuurkundigen aan. Zo dreigt Ethica 1 theologie te worden, en Ethica 5 theologische eschatologie, en zijn we terug bij de idealistisch- mystieke interpretatie van Spinoza door Van Eeden, Van Suchtelen e.a. Walden-aanhangers. Het is tevens voor mij een argument te meer om Spinoza geen theïst te noemen, zie de discussie van een week geleden bij een eerder blog.

Adrie, je geeft een scherpe analyse en inderdaad, dat grote "&"-teken op de cover suggereert een poging tot verbinding tussen theologie en wetenschap. Hij ziet die echter toch, net als Spinoza, als twee gescheiden domeinen, die echter in een mens zodanig samenkomen dat de natuurwetenschap hem of haar kennis brengt over het universum, waarover hij of zij vervolgens een (gevoels-)houding bepaalt (van verwondering, bewondering, mogelijk eerbied en ontzag - ik denk aan Schleiermacher, die hij niet noemt). Hij wil ook de termen scheiden. Voor het eerste domein wil hij de term Natuur hanteren en voor het tweede God. Riskant, maar kún je doen. Vergeet niet dat Spinoza in de TTP14, nadat hij de punten van het algemene geloof heeft geformuleerd, aangeeft dat het er verder niet zoveel toe doet hoe iedereen zijn of haar God vervolgens ziet - daarin is iedereen vrij.
In plaats van een idealistische mystiek, staat Lintsen een "realistische mystiek" voor die hij aan de hand van een beschouwing van Russell in een bijlage brengt. Ik denk dat hij eerder aan een benadering als die van Einstein denkt dan aan die van de aanhangers van Walden. Die toekenning van de termen God en Natuur aan verschillende domeinen, vind ook ik een te grote verwijdering van Spinoza en dat is voor mij juist een argument te meer om Spinoza juist wel een theïst te noemen (vanwege het didactieve-pedagogische motief).
Hier het blog van die eerdere discussie
http://spinoza.blogse.nl/log/spinoza-the-atheist-niet-doen.html