God kan niet niet bestaan (en is een Persoon)

Ziedaar wat Emanuel Rutten meent bewezen te hebben.

Op donderdag 20 september a.s. zal aan de Vrije Universiteit Emanuel Rutten zijn proefschrift verdedigen, getiteld: A Critical Assessment of Contemporary Cosmological Arguments: Towards a Renewed Case for Theism.

Jeroen de Ridder en René van Woudenberg zijn de begeleiders van Ruttens promotieproject. Als kritisch meelezer is atheïst Herman Philipse opgetreden die het proefschrift inmiddels zijn fiat gaf.

Rutten baarde vorig jaar opzien met een kennelijk als nogal ingenieus ervaren argument (“modaal-epistemisch argument”) dat hij bedacht voor de conclusie dat het onmogelijk is dat God niet bestaat.

Hij gaat uit van twee premissen. Eerst een algemeen principe dat zegt dat als het onmogelijk is voor wie dan ook om te weten dat een uitspraak waar is, die uitspraak onwaar moet zijn (of anders gezegd: wat mogelijk waar is, is ook kenbaar). Ten tweede dat het onmogelijk is om te weten dat God niet bestaat. Uit die twee premissen stelt hij logisch sluitend af te leiden dat God bestaat.

Maar wat mij het meest verbaast is dat hij en passant en haast geruisloos subjectiviteit en vrije wil, kortom persoonlijkheid binnensmokkelt: God als een uitvergroot mens! Opmerkelijk is dat in zijn proefschrift Spinoza niet voorkomt (één x komt zijdelings in een voetnoot zijn naam langs). Met Spinoza gaat hij geen discussie aan.

Des te merkwaardiger daar hij, net als Spinoza, uitgaat van een parallellie tussen denken en zijn, tussen de kenorde en de zijnsorde van de werkelijkheid, tussen kennis over de wereld en de wereld zelf. Als je dat niet zou doen, kun je als filosoof-metafysicus trouwens wel ophouden.

Hij heeft daarbij geen enkel probleem met analogieredeneringen. Hij redeneert bijvoorbeeld zo: “Indien kennis over de wereld in laatste instantie geen kwestie is van louter formele mechanische ontdekking, maar van innerlijke begripsvorming, van het subjectief vertrouwd raken met oftewel het persoonlijk verstaan van de wereld, dan is het redelijk om te veronderstellen dat de grond van de wereld zelf evenmin een formele mechanische natuur heeft, maar in plaats daarvan ten diepste eveneens een subjectkarakter heeft.” (Uit zijn samenvatting)

Je kunt uren kwijt zijn als je alle blogs waarin sinds hij zijn godsbewijs naar buiten bracht daarover is gediscussieerd zou willen nalezen. Dat ben ik niet van plan. Ik wil hier alleen maar mijn verbazing erover uitspreken dat je in Nederland een groot filosoof die zich juist ook met dit onderwerp diepgaand heeft bezig gehouden, simpelweg kunt negeren en aan de VU het doctoraat kunt verkrijgen – onder goedkeuring van prof. dr. mr. Herman Philipse (die als het er op aan komt ook weinig met Spinoza op heeft).

En met behulp van de bewezen Godpersoon bewijst hij ook (want ja, men kan wel van alles beweren) dat het vliegend spaghettimonster niet bestaat...

                

__________

weblog van Emanuel Rutten en zijn twitterpagina

discussie op prosblogion over Ruttens argument

Radiogesprek van Andries Knevel met Emanuel Rutten

Reacties

Ik stel als tweede premise voor dat het onmogelijk is om te weten dat God bestaat. De conclusie is dan, in combinatie met de eerste premisse, dat God niet bestaat. Dat is het dus waard.

De geest van Abraham Kuyper waart nog steeds rond op de VU.

Henk, begin er maar niet aan. Jouw objectie heeft E. Rutten, volgens zijn overtuiging althans, al lang weerlegd in een van de vele e-debatten, waarvoor je dan wel onnoemlijk veel woorden langs moet lopen, b.v. in
http://gjerutten.blogspot.nl/2011/10/metaphysical-principle-entailing-theism.html
Hij redeneert als een gelovige zeloot. Hij werd christen in de tijd dat hij zich volpropte met moderne logica; vooral op de mogelijkheden die de 'mogelijke werelden logica' biedt, raakt hij niet uitgekeken. Zijn geloofsovertuiging gaat duidelijk vooraf aan zijn rationaliteit, die geheel ten dienste staat van die overtuiging.
Ik heb al vele 'weerleggers' in wanhoop zich van hem af zien keren, omdat hij ofwel veel kan verzinnen, maar nog vaker niet op objecties ingaat en in plaats daarvan verwijst naar teksten waar zijn eerdere antwoorden al gegeven zouden zijn - zo glibbert hij onder alle tegenstanders weg.
Ik begrijp niet dat Herman Philipse zich heeft willen lenen om dit gelovige gefilosofeer dat vooral getheologiseer is van een aureool van onberispelijkheid te voorzien.
Ik wilde in dit blog alleen mijn verbazing erover uitspreken dat je aan de VU Spinoza eenvoudigweg kunt negeren.

Stan, maak je niet ongerust, dit waren de enige twee regels die ik er aan wilde wijden (ze lijken me afdoende) en al helemaal wil ik er verder niet iets over lezen.

Op het eerste gezicht leek me de stelling buitengewoon dwaas, en ik vroeg me dan ook af hoe het mogelijk is hiermee een doctorstitel te behalen. Alleen om deze reden heb ik toch eens op bovenstaande link geklikt, en kon zo het volledige proefschrift inkijken. Ik moet mijn eerste inzicht nu toch nuanceren: de auteur heeft het ondewerp zeer grondig behandeld, en de argumenten die hij aanhaalt vallen niet onmiddellijk door de mand. Mi is het niet juist dat hij " geruisloos persoonlijkheid binnensmokkelt" voor de entiteit die de Eerste Oorzaak is: hij baseert zich op de "stelling van Gale en Pruss", die hij uitvoerig analyseert. Ik heb wel mezelf niet kunnen motiveren om deze analyse door te nemen: als er een persoonlijke God zou bestaan, zou hij niet gewacht hebben op Rutten om het bewijs van zijn bestaan aan de wereld kenbaar te maken. Bovendien blijkt het bewijs te vertrekken van de PSR als premisse, in de zin dat de wereld intelligibel is, en dit is in een andere discussie op deze blog reeds als startprincipe verworpen.

Wat een rancuneus stukje! Verdult heeft vlgs mij niets begrepen van
het werk van Emanuel Rutten. Zijn ongenoegen is gewekt door het feit dat Rutten blijk geeft, Spinoza voor zijn studie niet nodig te hebben.
En dat terwijl Verdult nu juist Spinoza in een HOVO-cursus heeft ontdekt! Probeer nu eerst maar eens Ruttens proefschrift te lezen en te begrijpen, Stan Verdult. Ik zelf was onder de indruk van diens denkkracht

Rutten heeft misschien een grote denkkracht, maar uit zijn godsbewijs blijkt dit geenszins. De eerste premisse is fout. Het is niet zo dat wat door niemand gekend kan worden, daarom onwaar is. Het is alleen niet kenbaar. Merkwaardig is dat deze denkfout -verwarring tussen het kennen en het zijn- exact dezelfde is als deze in het Godsbewijs van Anselmus in de Middeleeuwen. O.a. Schopenhauer heeft dit uitvoerig aangetoond in zijn doctoraal proefschrift "Over de viervoudige wortel van het principe van voldoende reden". Maar dit werk wordt nergens vermeld in Ruttens proefschrift...

Mark bedankt voor ja aanwijzing.Ik ga Schoppenhauer er eens op lezen.
Rutten lijkt mij te slim om in zijn proefschrift een fout in zijn argumetatie te maken en naar mijn gevoel zat de fout in de eerste premisse.Ik kon het alleen niet benoemen.En wat als de tweede premisse zou luiden: het is onmogelijk om te weten dat God die de God ,die de oorzaak van zich zelf is, geschapen heeft niet bestaat.
Rutten zelf spreekt overigens niet over een godsbewijs maar over een argument voor het bestaan van een persoonlijke god.
Overigens ben ik van mening dat alle basale problemen gelegen zijn in premissen, axioma's en definities of het nu over de wetenschap, de wiskunde of ook Spinoza's Ethica gaat.

Stan e.a.,
1. Wat ik uit de korte beschrijving van Rutten - die inderdaad tamelijk duister is - begrijp, brengt hij een variant van het ontologisch godsbewijs m.b.v. de modale logica (= de logica van het mogelijke, onmogelijke en noodzakeleijke). Het bekendste modale godsbewijs is geformuleerd door Alvin Plantinga, en luidt kort als volgt, zie SEP, lemma ontological arguments:
- It is possible that that God exists.
- God is not a contingent being, i.e., either it is not possible that God exists, or it is necessary that God exists.
- Hence, it is necessary that God exists.
- Hence, God exists. (See Malcolm 1960, Hartshorne 1965, and Plantinga 1974 for closely related arguments.)
2. Elk ontologisch godsbewijs heeft een geloofwaardigheidspro-bleem, maar dat hebben de paradoxen van Zeno ook. Het is lastiger om ze te weerleggen, en er wordt over beiden al eeuwenlang gediscussieerd.
3. Spinoza brengt in de Ethica 4 ontologische bewijzen (E1p7 en E1p11, aliter 1 en s), en 1 kosmologisch bewijs, in E1p11al2.

Begrijp ik het goed Adrie dat jij nog twijfelt of de godsbewijzen toch niet geldig zouden zijn? Zijn alle ontkrachtingen door grote filosofen als Kant, Schopenhauer, Russell...dan voor niets geweest? Ik ben zeker geen expert in deze materie, maar het bewijs dat je hierboven aanhaalt, lijkt me weer een geval van verwarring tussen het niveau van het kennen en het niveau van het zijn. "God is mogelijk" is een uitspraak over onze kennis. "God is onmogelijk of noodzakelijk" een uitspraak over het zijn. Waarom wil men in de filosofie toch steeds alles opnieuw in vraag stellen? Moet Kant of Schopenhauer terug komen naar dit ondermaanse?

Mark,
!. Spinoza vindt het ontologische godsbewijs wel geldig, evenals Descartes. Je vindt de gelovige Th. van Aquino aan je zijde, want die vindt het niet geldig, en gaf 5 kosmologische (a posteriori) godsbewijzen.
2. Kan jij het godsbewijs weerleggen dat ik boven uit de SEP overgenomen heb? Ik niet, maar ik ben nieuwsgierig. Alleen maar beweren dat het om een category-mistake gaat, zoals Kant zegt, klopt als je ervan uitgaat dat ruimte, tijd, causaliteit en existentie menselijke aanschouwingsvormen en categorieën zijn, en geen kenmerken van de wereld zoals zij werkelijk is, zoals Spinoza beweert. Spinoza kent geen Ding-an-sich. Schopenhauer's Wil is het equivalent van Sp.'s substantie, alleen is de wil rationeel niet kenbaar, wij ervaren haar hooguit bij honger en voortplanting, Sp.'s substantie is wel kenbaar.
3. Mogelijk, onmogelijk en noodzakelijk zijn alledrie logische begrippen uit de modale logica en geen ontologische begrippen.
4. De filosofie gaat juist over onoplosbare vraagstukken. Dat wat opgelost is behoort allang tot het gebied van de overige wetenschappen. Je wilt een paar onopgeloste problemen?
- Het universalia-probleem, d.w.z. klassen van individuen brengen we onder in begrippen, echter bij universele klassen kom je in problemen (Aristoteles- de universele klasse is een logische onmogelijkheid, Russell- paradoxen)
- De relatie tussen logica en waarneming, zie Zeno's paradoxen.
- Het inductie-probleem bij de natuurwetten (Hume)
- De relatie geest - lichaam
- Ethiek, de rechtvaardige samenleving, het kwaad, esthetica
- Taal en haar beperkingen (linguistic imprisonment)
- Vrijheid en determinatie, etc.

Adrie, heel interessant (en erudiet). Ik waag me niet aan een discussie. Maar dat bewijs van Plantinga ....

- It is possible that that God exists.
- God is not a contingent being, ...

Staat daar niet gewoon:

- God is a contingent being
- God is not a contingent being
?

Of het is zoals ik hierboven aangaf, dan zijn de eerste twee uitspraken onverenigbare uitspraken binnen eenzelfde wereld (de wereld van de begrippen en hun (logische) relaties). Dan stokt het bewijs in de tweede regel. Of je zegt: De eerste zin is een uitspraak over de werkelijkheid, het kan zijn dat God bestaat, het kan ook zijn dat hij niet bestaat. En vervolgens stap je over van de werkelijkheid naar de wereld van gedefinieerde begrippen ('contingentie') en de (logische) relaties daartussen. Vervolgens hussel je de twee werelden door elkaar en je betrekt de conclusie op de werkelijke wereld.
Misschien moet het nog anders, maar volgens mij is het niet zo moeilijk om het godsbewijs van Plantinga te weerleggen.

Beter misschien: je past iets wat volgt uit de definitie van een begrip ('contingentie') toe op een stand van zaken in de werkelijkheid.

Henk,
1. Ontologische bewijzen gaan uit van de definitie van God (almachtig, alwetend, oneindig, etc.). De vraag is dan: is het mogelijk dat God bestaat? M.a.w. is er iets dat almachtig, oneindig is. Zo'n wezen kan niet contingent zijn, want een contingente propositie is niet noodzakelijk waar, maar ook niet noodzakelijk onwaar, en dat is in strijd met zijn almacht etc. Blijven over onmogelijk of noodzakelijk. Onmogelijk is ook in strijd met de definitie, dus noodzakelijk.
2. Een theorema van de modale logica is, voor zover id begrijp, dat mogelijk-mogelijk noodzakelijk betekent. Dus: het is mogelijk dat God mogelijk bestaat, betekent volgen dat theorema 'noodzakelijk'.
3. De termen 'noodzakelijk', 'mogelijk' en 'onmogelijk' zijn in dit geval logische termen, want ze kunnen teruggevoerd worden tot de universele en existentiële kwantificator van de propositielogica.
4. Ik gaf al aan dat het ontologische bewijs een geloofwaardigheids-probleem heeft. De achterliggende vraag is: kunnen de rede en de logica de structuur van deze wereld verklaren? Volgens Spinoza wel, want deze wereld is de enig mogelijke, en dus noodzakelijke, wereld. M.a.w. de rede heeft niet alleen een kentheoretische status, maar ook een ontologische status, van daar zijn godsbewijzen. Volgens Leibniz niet, want er is een oneindige veelheid aan logisch mogelijke werelden, en onder deze mogelijkheden is ook een redeloze wereld.

Adrie, je reageert niet echt op wat ik inbreng. Je komt met een verhaal over ontologische Godsbewijzen in het algemeen, ik had mij puur gericht op de redenering van Plantinga, waarvan jij zei dat je die niet kon weerleggen. Maar je reactie heeft me wel gescherpt.

Plantinga geeft in de tweede zin een definitie van een NIET- CONTINGENT wezen:
het is niet mogelijk dat het bestaat OF het is noodzakelijk dat het bestaat.
Deze definitie impliceert een definitie van een CONTINGENT wezen, nl. een niet- (niet-contingent) wezen. Daarvoor geldt:
het is mogelijk dat het bestaat EN het is niet noodzakelijk dat het bestaat. (Dat herinner ik me nog uit de propositielogica)
Dus zegt Plantinga in de eerste zin gewoon dat God een contingent wezen is en in de tweede zin dat God niet een contingent wezen is.

Weliswaar geeft Plantinga in de eerste zin niet de VOLLEDIGE definitie van een contingent wezen. Hij zegt er nl. niet bij 'EN dat God niet noodzakelijk bestaat'. Maar hij zegt dit wel impliciet. Als hij toegevoegd zou hebben 'EN God bestaat noodzakelijk' dan was hij in de eerste regel al klaar geweest en was verder bewijs overbodig. DUS voegt hij impliciet toe: 'en God bestaat niet noodzakelijk'.
In de eerste zin zegt hij dus dat God contingent is, in de tweede zin enz.

Adrie,
Je reactie is zoals altijd zeer interessant. Ik leer veel uit je bijdragen, ik vind er zelfs de argumenten in om je conclusies tegen te spreken (niet ironisch bedoeld). In dit geval: je hebt me in een vorige discussie op het spoor van de PSR dissertatie van Schopenhauer gebracht, die, hoewel Schopenhauer uiteraard geen modale logica kende, toch mi de sleutel geeft om dit bewijs te “weerleggen” (tussen aanhalingstekens want ik weet uiteraard te weinig van de modale logica om het volledig sluitend te formuleren in termen van die logica zelf). Zoals Henk het hierboven m.i. zeer correct aantoont, is het bewijs niet geldig omdat premisse 1 en 2 zich respectievelijk in de wereld van het kennen en in de wereld van het zijn bevinden. Schopenhauer stelt dat deze verwarring aan de basis ligt van alle ontologische godsbewijzen . Volgens hem stelde Aristoteles al dat je vanuit een definitie (wereld van de kennis) niet het zijn kan afleiden. Uiteraard vond Schopenhauer ook de Godsbewijzen van Spinoza ongeldig (en dreef hij, in zijn gebruikelijke stijl, hier uitgebreid de spot mee). Eigenlijk zeg je hetzelfde hierboven: Spinoza gaat uit van de gelijkheid tussen de wereld van het kennen en het zijn, maar dit is een premisse waarvoor geen bewijs bestaat.
Je zal ook ongetwijfeld weten dat Plantinga geen “neutrale logicus” is (voor zover die bestaat uiteraard). Hij is een overtuigd christen, waar ik niets tegen heb, maar waarbij je wel de vraag kan stellen wat eerst kwam: zijn christelijke overtuiging of het bewijs…
Je stelling dat filosofie gaat over onoplosbare vraagstukken is ook interessant. Onoplosbaar wil toch niet zeggen dat er geen vooruitgang mogelijk is en dat foute antwoorden niet kunnen geëlimineerd worden? Ik hoorde op de (zeer bescheiden) filosofielessen die ik als ingenieursstudent op de universiteit kreeg, het volgende: hoewel filosofie waarschijnlijk nooit tot bij “de waarheid” raakt, komt ze er in een spiraalvormige beweging toch wel dichterbij. De godsbewijzen lijken me al lang en voldoende overtuigend (vanaf Kant) bij de foute antwoorden geklasseerd, en ik begrijp dus niet waarom een universiteit nog een doctoraat wil begeleiden dat daar over gaat.

En deze keer, Adrie, weet ik dat ie helemaal goed is.

Voor de goede orde: Plantinga heeft het niet over al of niet contingente PROPOSITIES (wat jij inbrengt). Hij heeft het over een niet-contingent WEZEN en geeft aan wat dat betekent. Daaruit volgt wat 'een contingent wezen' betekent. En dan gaat zijn redenering onderuit, zoals ik heb aangetoond.

Henk,
Ik denk dat je interpretatie van de 2e zin van het modale godsbewijs van Plantinga c.s. niet geheel correct is.
- Je vertaalt de zin met: "OF het is niet mogelijk dat het bestaat OF het is noodzakelijk dat het bestaat."
- Je interpreteert 'niet mogelijk' als: niet- (niet-contingent). Dit moet naar mijn mening zijn: niet-(contingent), oftewel: onmogelijk. En 'onmogelijk' is in strijd met de eerste regel: "It is possible that that God exists", vertaald: het is mogelijk dat, dat God bestaat.
- Blijft de onontkoombare conclusie: het is noodzakelijk dat God bestaat.

Mark,
1. Schopenhauer volgt Kant in zijn opvatting m.b.t. de ontologische godsbewijzen: ze passen categorieën van het empirische denken toe op zaken waarvoor geen empirische kennis beschikbaar is. En dat is niet toelaatbaar, want deze wereld heeft niet een rationele structuur. Kant's 'Ding-sich', en Schopenhauer's 'Wil' zijn voor hen de uiteindelijke bestanddelen van deze wereld, en deze zijn niet rationeel benaderbaar of analyseerbaar. Het interessante van Spinoza is dat hij stelt dat deze wereld in haar uiteindelijke bestanddelen geheel rationeel is, analyseerbaar is, en dat we, voor zover we adequate ideeën hebben, ware opvattingen over deze wereld hebben. M.a.w. als we zuiver denken dan denken we rationeel, en als we rationeel denken dan kennen wij naar waarheid de wereld. Voilà, de godsbewijzen: als we een ware definitie van God hebben, dan komt die overeen met het bestaande (E1ax6). Spinoza geloofde overigens, i.t.t. jouw docent, dat hij de waarheid wèl ontdekt had ((Br76.5).
2. Je corrigeert terecht: filosofie gaat over onoplosbare en onopgeloste vraagstukken van deze wereld. De logica en de natuurwetenschap hebben zich daarvan intussen losgemaakt.

Adrie, IK GEEF GEEN INTERPRETATIE VAN NIET- MOGELIJK, zoals jij stelt!! Op die manier is het lastig discussiëren. Ik geef aan wat Plantinga onder 'niet een contingent wezen' of 'een NIET- CONTINGENT wezen verstaat. Dat is blijkbaar (citaat): 'either it is not possible that God exists, or it is necessary that God exists', wat ik heb vertaald met 'het is niet mogelijk dat God bestaat OF het is noodzakelijk dat God bestaat' (wat is er mis met deze vertaling?). Daaruit volgt wat hij onder een CONTINGENT ofwel een niet-(niet-contingent) wezen verstaat. Dat is volgens de propositielogica: 'it is possible that God exists AND it is not necessary that God exists'. Daarom zegt Plantinga in DE EERSTE ZIN ('It is possible that that God exists') dat God een contingent wezen is (de toevoeging 'AND it is not necessary that God exists' is impliciet zoals ik boven heb aangetoond) en in de TWEEDE ZIN dat God niet een contingent wezen is. Plantinga's conclusie kan dus in de prullenbak.

Adrie
1. Henk heeft mi gelijk. Vraag is dan waarom professor Plantinga zo'n zware fout kan maken. M.i. kan dit als volgt best ingezien worden: laten we eens starten met de tweede premisse, zijnde de definitie van God als niet-contingent wezen. Dan zie je onmiddellijk in dat men volgens deze definitie de eerste premisse, als een vaststelling, niet kan maken over de aldus gedefinieerde God. De eerste premisse gaat dus niet over een eigenschap van God, maar wel over een eigenschap van de propositie "God bestaat": deze propositie kan waar of onwaar zijn, en daarom noemt Plantinga ze "mogelijk". De twee premissen gaan dus over verschillende dingen, of het bewijs is niet geldig.
2. Ik weet dat Spinoza er van overtuigd was dat  hij de waarheid gevonden had. En als ik hem goed begrijp, niet alleen omwille van de (vermeende) maar ook omwille van de "ervaring": "wie de waarheid kent, weet ook dat ze waar is". Schopenhauer meende ook de waarheid te kennen, maar dan alleen op basis van het laatste (waarbij hij zich niet alleen steunde op zijn eigen ervaring, maar ook op de ervaringen beschreven door de boeddhisten bijvoorbeeld). Op het werk ken ik er ook een paar die menen de waarheid in pacht te hebben, maar ik weet niet of ze zich al eens afgevraagd hebben waarop ze zich baseren. Ik wil maar zeggen: ieder kan zich alleen baseren op zijn eigen ervaring om te beoordelen wat de waarheid is, die hij echter een leven lang in vraag moet durven stellen als nieuwe ervaringen of kennis daartoe aanleiding geven. Akkoord?