G.J.P.J. Bolland (1854 – 1922) een biografie zonder Spinoza

In dit blog gaat het minder over Bolland, de selfmade filosoof die, hoewel hij geen universitaire studie gedaan had, laat staan gepromoveerd was, in 1896 geroepen werd om J.P.N. Land als hoogleraar in de wijsbegeerte te Leiden op te volgen, en iets meer over wat zijn biograaf, Willem Otterspeer, achterwege liet. Zojuist beëindigde ik diens Bolland. Een biografie [Bert Bakker, 1995]. Misschien was dat ‘een’ biografie om zich in te dekken dat er over die verwarrende figuur nog vele biografieën te schrijven zouden zijn, waaronder wellicht een, waarin méér over Bolland én Spinoza gemeld zou kunnen worden? Wie weet.

Maar misschien moeten we er maar blij mee zijn dat Otterspeer, die zo’n door ieder geroemde biografie schreef over die merkwaardige man in de filosofie die Bolland was, eigenlijk niets over diens Spinoza-connectie schreef? Je vraagt je af hoe die vreemde snoeshaan die biograaf zó kon fascineren dat hij er zoveel van zijn tijd en kunde in investeerde om die biografie te schrijven. O, hij hield voldoende afstand tot zijn onderwerp: hoe vaak benadrukt hij niet diens autodidactisme en dan is er zijn altijd wat ironische en meewarige toon over die rare snuiter die zijn onderwerp was. Opdat hij maar niet beticht zou kunnen worden van sympathie, laat staan vereenzelviging?

Spinoza komt in die vuistdikke biografie van 632 bladzijden nauwelijks voor. We lezen dat Bolland in zijn opstel “Schijn en wezen,” wel aantrok dat Spinoza Descartes’ dualisme van geest en stof reduceerde tot twee bestaanswijzen van God, maar dat het jammer was “dat Spinoza verzuimt ons te beduiden, vanwaar zijn denken deszelfs zekerheid verkrijgt omtrent den aard der werkelijkheid.” (p. 166) Het probleem was dus nog niet opgelost en schreeuwde om een Hegel, of nee, eigenlijk een Bolland.

Op een paar plaatsen lezen we dat Bolland er geen twijfel over liet bestaan dat hij Spinoza en Kant tot de grote voorlopers van Hegel, zijn definitieve meester, beschouwde, maar de biograaf gaat alleen op sommige plaatsen in op Kant, maar zegt nergens iets over Spinoza. Zo o.a. op p. 246 waar volkomen in de lucht blijft hangen dat Bolland de inwijdingsrede hield bij de opening van het herstelde Spinozahuis te Rijnsburg op 24 maart 1899. Dat Bolland op 12 juni 1897 voorzitter werd van de Vereniging Het Spinozahuis: we lezen er niets over en ook niet – oké een kleinigheid - dat op 27 mei 1900 de handtekening van Bolland in het gastenboek van het Spinozahuis staat, maar ook niet dat (laat staan waarom) hij in 1901 alweer aftrad. Goed, Otterspeer heeft daarover later nog eens wat geschreven (in “Het heilige huisje”, 1999), maar in die biografie lezen we niets over de handel en wandel van Bolland op het terrein van het praktische Spinozisme.

Otterspeer negeert het uitgesproken antisemitisme dat de rabiaat conservatieve Bolland aan het eind van zijn leven openlijk tentoonspreidde niet (in zijn op diverse plaatsen in 1921 gehouden rede “De teekenen des tijds,” waarin Bolland waarschuwde voor het kankergezwel van het jodendom: “Een beschaving, die zóó is verloopen, moet bestemd zijn, om door zelfverkankering aan haar einde te komen, een einde vol smerigheid, stank en verrotting.”). Maar hij wilde de indruk doen postvatten dat dit een late ontsporing was en dat het eerdere ‘anti-judaïsme’ van zijn godsdienstkritiek niets met het latere maatschappelijk antisemitisme te maken had. Maar wat is er godsdienstkritisch anti-judaïsch aan die openingsrede van 1899 in een zin als deze:  

“Ik reken op eene als van zelve sprekende instemming aller aanwezigen, wanneer ik het niet eens geheel betamelijk noem, in het bijzijn hier van hooggeachte joodsche landgenooten de zelf iet en wat potsierlijke verzekering uit te spreken, dat een geboren Nederlander, die Nederlandsch op onzen grond gedacht heeft en gesproken en Nederlanders tot vrienden heeft gehad, van zijne verdiensten en zijne eerwaardigheid door eene Semitische afkomst in onze oogen niets verliezen kan.”

Bolland gedoogde als het ware Spinoza’s joodse afkomst – die deed niets af aan zijn verdiensten en eerwaardigheid - jawel. Hij betoogde “hoezeer de wijze jood met de geestesgeschiedenis van het Nederland der zeventiende eeuw valt saam te denken.” Hoezo zou dat anti-judaïsme en geen antisemitisme zijn – al geuit tijdens de openingsrede van het Spinozahuis! Ik houd dus het gevoel over dat de biograaf van die indertijd veelgeprezen biografie daar wat verdoezelde door er gewoon geen aandacht aan te geven.

Een knappe, maar op 't punt Spinoza betreffende nogal tegenvallende biografie.

 

Reacties

Spimoza was niet besteed aan deze zigeuner, over wiens JEUGD EN INDISCHE JAREN ik ooit nog een boekje heb geschreven dat op voorspraak van Prof. Sassen in 1969 werd uitgegeven door N..Holl. Uitg. / op kosten van de KNAW. Ik was daar enigszins ingerold vanwege mijn toenmalige sympathie met de filosofie van Hegel en mijn beroepsmatige verantwoordelijkheid voor het Bolland archief in UBA. Echter: ik knapte totaal af op karakter, denkwijze en manieren van dit heerschap. En heb mij bijgevolg ook nooit bezig gehouden met wat hij later over Spinoza te melden had.