Geen Nederlandse 18e eeuwse Spinozismusstreit

Daartoe geïnspireerd door het artikel van Henri Krop “A Dutch Spinozismusstreit: the new view of Spinoza at the end of the eighteenth century” [In: LIAS 32 (2005), 1, p. 185 – 211] heb ik mij de voorbije weken bezig gehouden met – en blogs gewijd aan (waarbij ik dat artikel flink ‘plunderde’):

 

François Hemsterhuis. Litho door J.J.A. Last. UB A'damŸ Francois Hemsterhuis (1721-1790), de eerste Ned. Filosoof die een ander beeld van Spinoza bracht

 

Johan Frederik HennertŸ Johan Frederik Hennert (1733 – 1813), Utrechtse professor in filosofie en wiskunde

 

Bernardus Nieuhoff; zwartekunst-portretŸ Bernard Nieuhoff (1747 – 1831), filosofieprofessor in Harderwijk, schreef Over Spinozisme

 

Ik begon met mijn twijfel uit te Spreken en antwoordde zelfs ontkennend op de vraag: Kende Nederland eind 18e eeuw ook een Spinozismestrijd? Daarbij bekeek ik ook het boekje van Jonathan Israel dat een paar jaar later verscheen, In strijd met Spinoza. Het failliet van de Nederlandse Verlichting (1670-1800) [Bert Bakker, 2007]. Vervolgens wijdde ik blogs – in omgekeerde volgorde dan eigenlijk had gemoeten en zoals Krop ze ook behandeld had - aan elk van de genoemde drie.

Al is er een tijdje verstreken sinds dat eerste blog, ik moet een en ander voor mijn gevoel toch nog even in een korte terugblik afronden. Ook daarbij gebruik ik nogmaals het artikel van Henri Krop (en kan het LIAS-boek terug naar de bibliotheek).

Hij zag alle drie, Hemsterhuis, Hennert en Nieuhoff, pogingen doen om Spinoza serieus en objectief te begrijpen en met hem ‘de discussie aan te gaan’. En dat ging wel even anders dan in het eerste kwart van die eeuw en het eind van de 17e eeuw.*) Geen zag hem nog als een ketter of als een valse filosoof, zoals dat in het begin van de achttiende eeuw de gebruikelijke praktijk was geweest. Hemsterhuis had er grote moeite mee om hem als atheïst te zien.

Intussen was - vanuit Duitsland overgewaaid - de historische blik de filosofie binnengekomen. Iets waarmee Spinoza in de TTP in zekere zin al begonnen was, hoewel hij nog niet echt in historische ontwikkelingen dacht. Ook de drie Nederlandse filosofen waar we het nu over hebben, ontwikkelden zo’n historische blik. Zij zagen Spinoza als een waardevolle schakel in het vanaf de antieke oudheid voortschrijdende filosofische proces, waarbij de filosofie intussen wel elke wetenschappelijke status verloren had. Er was een duidelijke demarcatie tussen filosofie en (natuur)wetenschap ontstaan, waarbij wetenschap duidelijke criteria had om ware en valse uitspraken te scheiden. In de filosofie bleef ‘waarheid’ toch erg subjectief en waren objectieve geldigheidsaanspraken verdwenen.

Krop wijst er nog op dat die scheiding in 1815 zelfs geïnstitutiona-liseerd werd toen de oude filosofie faculteiten werden afgeschaft en nieuwe faculteiten wis- en natuurkunde werden opgericht. De zogenaamde ‘speculatieve filosofie’ vond onderdak in de nieuwe faculteit van de menswetenschappen. Tevens werd sindsdien geschiedenis van de filosofie een apart studieterrein. Hij wijst erop dat tussen 1815 en 1850 aan de Groningse universiteit geen systematische filosofische thesis werd verdedigd, alleen historische. De scheiding tussen filosofie en wetenschap zou ook de opkomst van het subjectivisme in de filosofie hebben geïntroduceerd.

Voor Hennert was filosofie al voornamelijk: persoonlijkheid, stijl. Bij hem werd i.p.v. de metafysica de psychologie de eerste filosofie. Psychologie of antropologie hielp de student zijn ziel te leren kennen. En daartoe achtte Hennert de Ethica van Spinoza zeer geschikt.

Ook voor Nieuhoff was het doel van de filosofie: geluk. Geluk die je alleen als individuele kunst kunt bereiken. En we leren deze kunst door in de voetstappen van de antieken te treden, terwijl het nut van metafysica is te betwijfelen. Aan psychologie en literatuur hebben we veel meer; net als aan morele wetenschappen. Filosofie werd een praktische en persoonlijke zaak.

Terugblikkend op hun houding tegenover Spinoza. Ze zagen in hem een groot denker, maar wel uit een tijd die voorgoed voorbij was. Ze hadden sterk de behoefte om zijn filosofie te veranderen, verder te ontwikkelen, waarbij ze er zo aan sleutelden (wél een persoonlijke God, wel vrije wil, een ziel etc.) dat wat overbleef geen Spinozisme meer was. Elk voor zich gingen ze de strijd aan met Spinoza, maar niet met elkaar of met anderen, zodat je voor het Nederland van rond 1800 niet echt kunt spreken van een Spinozismestrijd.

                                                  * * *

Over hoe dat eerder toeging geeft F.A. Snellaert in zijn Schets eener geschiedenis der Nederlandsche letterkunde (1850, in ‘Vijfde tijdvak’) een indruk als hij schrijft:

"Spinoza, die onmiddellijk na hem [Descartes] optrad, en wiens, oorspronkelijk in de volkstaal [sic] opgestelde, werken in 't jaar zijner dood (1677) in 't nederduitsch verschenen, werd niet openlijk goedgekeurd, en zijne werken kwamen in 't licht, slechts geteekend met de voorletters van zijn' naam en zonder aanwijzing van drukker. Het is waar, Nieuwentijt was hem een waardige tegenstander, en dit benam wellicht sommigen den moed om openlijk eene lans te breken ter gunste van voorstellingen minder helder dan die van Descartes; want het mangelde niet aan hevige schriften voor en tegen het Spinozisme. Wat er ook van zij, het is een trek in ons nationaal karakter ongeern te zien dat algemeen aangenomene begrippen door landgenooten worden aangevallen. De nederlandsche natuur brengt er dus toe, dat men vraagpunten van hooger belang liever in eene vreemde dan in de volkstaal ziet behandeld, inzonderheid zoo die vraagpunten voor doel hebben vastgezette begrippen aan te vallen." [vet van SV - van DBNL

 

Vorige blogs

Blog van 11 februari 2011: Kende Nederland eind 18e eeuw ook een Spinozismestrijd?

Blog van 13 februari 2011: Bernard Nieuhoff (1747 – 1831) schreef 'Over Spinozisme'

Blog van 18 februari 2011: Johan Frederik Hennert (1733 – 1813) hervormde het Spinozisme omzeep

Blog van 5 maart 2011: Frans Hemsterhuis (1721-1790) zag 'Système de Spinosa' als een soort theïsme