Geeft De Dijn ons Spinoza's God?

emeritus prof. dr. Herman De DijnDe korte impressie die ik gaf van de op zaterdag 1 juni 2013 op de ledenvergadering van de Vereniging Het Spinozahuis gegeven lezing door emeritus prof. dr. Herman De Dijn over Galilei en Spinoza die - globaal gezien - tijdgenoten waren, eindigde ik met: "zeker de moeite waard om er over een jaar de dan in de Mededelingen-reeks gedrukte lezing nog eens op na te lezen."

Ruim eerder dan een jaar ontvingen de leden gisteren de gedrukte lezing, samen met die van Martin Saar (lezing dec. 2012) en Michael Della Rocca (lezing sept. 2009!). De Dijn zet duidelijk uiteen hoe het Spinoza en niet Galileï was die echt het moderne, seculiere denken in de wetenschap begon. Interessant om goed in onze oren te krnopen, maar daar wil ik het verder niet over hebben. Wel wil ik mijn verbazing uiten over waar hij toch mee bezig is als hij Spinoza's filosofische godsleer uiteenzet.

Zijn opzet is wel duidelijk: hij wil tegenwicht geven tegen de opvatting dat Spinoza pantheïst was in de zin dat alles maar God zou zijn. Dat doet hij in mijn ogen terecht, want in die typering wordt Spinoza niet goed begrepen. Maar hij doet dat op een manier die op zichzelf toch ook discutabel is.

In De uitgelezen Spinoza (1999) en in zijn hoofdstuk over de "God van Spinoza" in Libertas philosophandi. Spinoza als gids voor een vrije wereld (2008) typeerde hij de God van Spinoza als transcendent. In Spinoza, de doornen en de roos (2009) deed hij dat eveneens en lichtte dit nader toe. Dat deed hij onder meer door het hoofdstuk "De God van Spinoza", de ondertitel mee te geven: Deus sive Natura, niet Natura sive Deus en daar dan een heel punt van te maken. Wat toch echt wel een beetje onzin is. Voor Spinoza zijn het andere termen voor hetzelfde. Wat ook al blijkt doordat God vervolgens getypeerd wordt als Natura naturans en de wereld der modi als Natura naturata.

Ook in de Galilei-lezing geeft De Dijn weer eens uitgebreid weer wat volgens hem Spinoza over God zou zeggen. En daarin geeft hij weer een zeer dualistische schets, alsof er niet één werkelijkheid, maar er twee werkelijkheden zijn - die van God en die van de wereld. Het monistische van de éne werkelijkheid die onder twee perspectieven te beschouwen is (God-oorzaak en wereld-effect) verdwijnt bij hem eerst uit beeld, waar hij schrijft:

"God of de substantie staat tegenover de werkelijkheid van oneindige en eindige modi als de Natura naturans tegenover de Natura naturata (E I St 29 Opm). Alle modi (de genatuurde natuur) zijn immanent in de ene substantie (E I St 15 en 18); ze kunnen noch bestaan noch gedacht worden zonder die substantie (maar wel omgekeerd: E II St 10 Opm 2). Spinoza is dus geen pantheïst, maar een monistisch panentheïst: er is uiteindelijk maar één echte, substantiële werkelijkheid waarvan alle modi als noodzakelijke, immanente effecten afhangen." [Vet van mij]

Daarna wijst hij er op dat Spinoza's God gedacht wordt als causa sui et omnium rerum (E I St 25 Opm) en vermeldt hij nog eens de "immanente productie" van de fysische natuur.

Maar opvallend is dat je hem niet hoort over "Deus est omnium rerum causa immanens, non vero transiens" (E I St 18). Niet alleen de effecten zijn immanent in de substantie, ook God als oorzaak blijft immanent in alle dingen. Spinoza doet juist zijn uiterste best om dat onderscheid tussen God en wereld te verkleinen: het resultaat van Gods maakproces is niet dat we twee dingen hebben [schepper en schepping] naast of tegenover elkaar, maar één. Wel uiteraard één werkelijkheid die op een gigantisch verschillende manier te zien is (als oorzaak Natura naturans, resp. als effect Natura naturata). Maar Natura naturans staat niet tegenover de werkelijkheid van de Natura naturata, maar zit daar immanent in (als niet transiënte, niet overgaande oorzaak).

Wat Spinoza in E II St 10 Opm 2 doet is benadrukken dat we vanuit God of de substantie naar de wereld van dingen en mensen moeten kijken en niet omgekeerd: als we vanuit de ervaring van de dingen over God gaan denken komen we niet goed uit en gaan we God teveel vanuit onze fantasie invullen. Dát is wat hij daar vertelt - niet dat God of de substantie zou kunnen bestaan zonder de modi; dat is namelijk helemaal niet zo, zoals ook De Dijn uiteindelijk erkent: God komt bij wijze van spreken niet onder de noodzakelijke productie van de wereld uit die noodzakelijk uit de volmaakste natuur voortvloeit - is één en al actuosa essentia. Zeg je God, dan zeg je gelijkoorspronkelijk wereld.

Het "Substantia prior est natura suis affectionibus" (E I St 1) is een logisch voorafgaan en vooraf te denken, niet een in tijd en niet in plaats voorafgaan: er staat niets tegenover iets anders.

Inderdaad "Quicquid est, in Deo est et nihil sine Deo esse neque concipi potest" (E I St 15), "Al wat is, is in God en niets kan zonder God zijn noch begrepen worden," die stelling kun je (beter) niet omdraaien. Dat is wat Spinoza in E II St 10 Opm 2 nog eens toelicht en waar De Dijn terecht zo zwaar belang aan hecht. Alleen doet hij dat in mijn ogen op een enigszins verkeerde manier waardoor de immanentie van Spinoza's God uit zicht verdwijnt

 

Stan Verdult