Fritz Mauthner (1849 - 1923) en Spinoza

 Taalfilosoof Frits Mauthner heeft zich ook meermalen met Spinoza bezig gehouden en dat is uiteraard de reden waarom ik hier een blog over hem maak, maar laat ik hem eerst voorstellen:

Die Sprache ist nichts als Gedächtnis,
weil sie gar nichts anderes sein kann.
Fritz Mauthner
 
Fritz Mauthner, geboren in Bohemen als zoon van een joods-Duitse bezitter van een weverij, moet een heel veelzijdig en bijzonder figuur geweest zijn. Hij bezocht het Piarist gymnasium in Praag, ging daarna aan de universiteit rechten studeren, maar hield zich meer bezig met filosofie, geschiedenis en kunst. Nadat hij zijn rechtenstudie had gestopt had hij kort een baantje op een advocatenkantoor, maar besloot al snel van z’n pen te gaan leven. Eerst in Praag, maar vanaf 1876 werd hij redacteur van het Berliner Tageblatt, waarvoor hij tot 1905 als journalist werkte en theaterkritieken schreef. In 1905 ging hij naar Freiburg en in 1909 naar Meersburg aan de Bodensee waar hij zelfstandig studeerde. Hij schreef verschillende taalfilosofische en cultuurhistorische werken.

Daarnaast schreef hij vele romans, novellen en satiren. Best bekend is een sociaal-kritische trilogie Berlin W (1886-90). Tot zijn novellen horen Der neue Ahasver (2 delen, 1882) en Die böhmische Handschrift (1897). Zijn populaire parodieën op Duitse klassieke gedichten bracht hem in bescheiden mate roem.

In 1880 was hij medeoprichter van de 'Gesellschaft der Zwanglosen`, een trefpunt voor kunstenaars in München dat tegenwoordig nog bestaat. In 1888 verscheen de mediasatire Schmock oder die Karriere der Gegenwart. Verder was hij ook lid van de Kantgesellschaft.

Als filosoof stelde hij de waarde van de taal als middel voor kennis in Frage. Voor Mauthner hadden woorden vooral een pragmatische sociale betekenis, maar vanwege het feit dat ze voortdurend veranderen en subjectief worden toegepast vertegenwoordigen ze alelen maar – en dat nog imperfect – zinervaring. Woorden kunnen niet adekwaat gedachten uitdrukken en geven noodwendig een foute interpretatie van de werkelijkheid. Door deze overtuigingen was hij filosofisch-epistemologisch een scepticist. In zijn belangrijkste werken Wörterbuch der Philosophie, 2 vol. (1910) en Der Atheismus und seine Geschichte im Abendlande, 4 vol. (1921–23) paste hij zijn taalkundige linguistic analyses toe. “His Skepticism was not new, but his approach to epistemology through language was unique.” (Enc. Britannica) Hij muntte het begrip taalkritiek waarnaar Wittgenstein in zijn Tractatus logico-philosophicus verwees.

In 1999 werd een Symposion bij zijn 150e geboortejaar gehouden en een representatieve publicatie van zijn werk uitgegeven.

Mauthner heeft zich ook meermalen met Spinoza bezig gehouden en dat is uiteraard de reden waarom ik hier een blog over hem maak. Ik verwees op dit weblog trouwens al enige keren naar hem en in de secundaire literatuur van de bijbehorende website staan links naar een aantal van zijn teksten, waarvan met name zijn stuk, getiteld Spinoza. Ein Umriß seines Lebens und Wirkens, uit 1921,  interessant is.

 

Der neue Ahasver  Der neue Ahasver. Roman aus Jung- Berlin.

In 1882 verscheen Der neue Ahasver, zijn eerste roman. [De cover is van een heruitgave in 2001]. Het verhaal verscheen in 1881 als feuilleton in het gerespecteerde Berliner Tageblatt en een jaar later als boek.

Het speelt in het milieu van "Jung-Berlin", een decennium na de (een)wording ('Reichsgrundung') van Duitsland. De euforie daarover is vervlogen en sociale spanningen verstoren de prille nationale blijdschap erover. Zondebokken zijn nodig en méér nog dan erfvijand Frankrijk worden dat de joden. Een hele ‘beweging’ maakt jacht op hen. De historicus Theodor Mommsen schrijft „De joden zijn ons nationale ongeluk“. Er wordt veel gesproken en geschreven over 'die Judenfrage'. In die periode verandert het eeuwenoude religieuze anti-judaïsme in rassistisch antisemitisme. Dat maakt het moeilijk voor de assimilerende joden die zo vóór de eenwording van Duitsland zijn, waarin zij zich konden emancipren, zich echt en volledig Duitser te voelen.

Der neue Ahasver schetst tegen de achtergrond van diverse milieus in het Berlijn van de jaren 1880 een liefdesgeschiedenis tussen een geseculariseerde jonge joodse arts en een meisje uit een aristocratisch milleu; een verbintenis die in de omstandigheden van die jaren wel moest mislukken. De hoofdpersoon was eerder best bereid om zich tot christen te laten dopen, maar de antisemitische haat en aanvallen maakt dat onmogelijk; het zou verraad zijn. De verbintenis kan nu dus niet meer doorgaan.

In de hoofdstukken III en XVIII is de hoofdpersoon ook bezig met Spinoza.

[Kapitel III] Heinrich hielt den Spinoza jetzt sehr oft in der Hand. Er las zwar selten darin, schlug es auch wohl nur auf, um über das Buch hinweg zu träumen, aber er fand diese Art des Studiums sehr seelenberuhigend und fast noch tiefer ergreifend als den Text. Das ist ja wohl das Schöne an einem solchen Buche, daß man darin oft nur wenige Zeilen zu lesen braucht, um die umgebende Welt, wie vom Gipfel eines Berges, im Lichte der Unendlichkeit zu erblicken. Und in so einem Buche ist eine getrocknete Rose als Lesezeichen nicht zu verachten. Ihre Blätter werden zwar welk und runzelig, aber noch schimmert überall das schöne Rot hindurch, und fast unzerstörbar schleicht ein süßer Duft aus den Blättern der Rose, bald aus allen Blättern des Buches und zaubert dem jungen Philosophen ein wenig Frühling in sein Arbeitszimmer. […] So war der Winter vergangen, ohne daß Heinrichs Stellung sich wesentlich verändert hätte. Zwar gewann ihm eine glückliche Zahnoperation das volle Vertrauen der Portiersfrau, und durch deren Vermittlung sah er von nun an manchen armen Kranken bei sich; aber trotzdem hatte er in seiner Sprechstunde manche müßige Minute, in welcher er in seinem Spinoza das Wesen der Leidenschaften studieren und die philosophische Definition der Liebe bezweifeln konnte.

[Kapitel XVIII Nadat er van alles mis is gelopen]: »Es gibt keinen Trost, nicht in der Arbeit, nicht im Denken, nicht im Spinoza. Solange man jung und glücklich ist, versteht man die Philosophen falsch, weil man sich ihre Sätze für den eigenen Frohsinn zurechtlegt. Die Philosopheme sind Kirchhöfe, jeder Gedanke ein Grab, mit bunten Blumen überwachsen. Solange man jung und glücklich ist, hält man das Ganze für einen Garten; dann kommt ein Tag, an welchem die Blumen verblühen und bald liegt kalt und schauerlich der schneebedeckte Kirchhof da.« […] »Einst leuchtete mir zwischen den knisternden Blättern des lateinischen Buches eine deutsche Rose hindurch. Man hat mir die Rose geraubt. Noch weht aus dem Buche ein schwacher Duft hervor; wenn ich mich aber an ihm erquicken will, so ist er nicht mehr zu fassen. Man hat mir die deutsche Rose geraubt. Und seitdem spricht das Buch eine tote Sprache für mich.« [op Gutenberg]

Mauthner over de kategorieën van Aristoteles: „Soll ich es versuchen, meine kritischen Bemerkungen über die Kategorien in knappen Worten zusammenzufassen, so muss ich sagen: der Plan des Aristoteles, die abstraktesten Analogien der Sprache mit den allgemeinsten Analogien der Wirklichkeitswelt in Übereinstimmung zu bringen, scheiterte und musste kläglich scheitern an seiner erkenntnistheoretischen Unschuld, die auf dem Gebiete der Sprache ebenso groß war wie auf dem Gebiete der Wirklichkeit; wenn wir mit beiderlei Kenntnissen unendlich besser ausgerüstet, den alten Plan wieder aufzunehmen suchen, so kommen wir zu demselben oder zu einem viel wichtigeren Ergebnis, zu dem nämlich, dass die allgemeinsten Begriffe der Sprache den allgemeinsten Analogien der Wirklichkeit nicht entsprechen und nicht entsprechen können, dass es Kategorien der Wirklichkeit nicht gibt.“  [hier]

Bronnen

Wiki

Britannica

Zijn Erinnerungen, Prager Jungendjahre, Erstdruck: München (Georg Müller) 1918.

Gutenberg

Philos-website

Reacties

Ja, Mauthner is iemand met een behoorlijke reputatie en draagt Spinoza een warm hart toe (zoals blijkt uit de paar mooie citaten in de blog). Maar of hij diens taaltheorie heeft begrepen, durf ik te betwijfelen. Volgens Spinoza drukt taal helemaal geen gedachten uit, ook niet imperfect. "Het wezen van woorden [gesproken] en beelden [op papier] bestaat enkel in lichamelijke bewegingen, die allerminst [MINIME] een begrip van denking impliceren"(2/49s). Zie het korte commentaar hierop in mijn ETHICOM (Delft: Eburon) p. 256. Ook elders, zoals in "Mannen rond Spinoza" (Hilversum 1997), ben ik n.a.v. van Pieter Balling en Lodewijk Meyer, ingegaan op Spinoza's paradoxale taalfilosofie, die zo moeilijk verteerbaar is voor hedendaagse taalfilosofen of ook taalkundigen. Ik heb ook nog een onuitgegeven manuscript over wat ik maar noem de 'demon van het expressionisme'. Spinoza's wetenschappelijke proposities zijn meestal het omgekeerde van wat naar onze mening het geval is. De lucht is niet licht maar zwaar; taal drukt geen gedachten uit maar gedachten drukken lichamelijke processen uit. Aangedreven door ik weet niet wat en hoe, zit ik nu op mijn keybord te hameren. Jij, Stan, of een andere lezer, ziet wat op zijn scherm verschijnen en komt door deze 'zinneprikkeling' tot deze of die denking van die aandoening.