Friedrich Adolf Trendelenburg (1802 - 1872) 'Wo bleiben denn die irrigen Gedanken?'

Friedrich Adolf TrendelenburgIn vervolg op het blog waarin ik bio- en bibliografische informatie over Adolf Trendelenburg gaf, volgt hier iets over zijn Spinoza-kritiek.

In meerdere werken behandelde Trendelenburg zijn inzicht dat er drie en niet meer dan drie verschillende mogelijke relaties bestaan tussen, zoals hij ze tegenover elkaar zet: blinde krachten en bewust denken. Ofwel wordt kracht als de fundamentele grootheid gezien, zodat denken niet meer is dan een resultaat (product of gevolgelijke gebeurtenis) van op zich blinde krachten. Het gaat dan om – in navolging van Democritus - materialistische, fysicalistische/naturalistische resp. mechanicistische filosofische stelsels of wereldbeelden waarin slechts de werkende oorzaak, causa efficiens, telt.

In het tweede geval gaat denken vooraf aan kracht (het gaat dan om – in navolging van Plato en Aristoteles - idealistische filosofische stelsels waarin de causa finalis telt, zoals in organische of  teleologische wereldbeelden zoals die van de grote Duitse idealisten.

En dan is er de derde benadering, waar Spinoza als eerste mee kwam (“eine ursprüngliche und eigenthümliche Stellung, die noch nicht da gewesen war,” volgens Trendelenburg), waarbij er geen voorrang aan de ene of de andere wordt gegeven, maar waarbij kracht en denken onafhankelijk van elkaar - evenwaardig - elk op zich uiting geven aan het wezen van de ene en oneindige substantie. Anders gezegd, beide, kracht en denken, zijn fundamenteel hetzelfde en onderscheiden zich slechts van elkaar in het opvattende verstand. [Ik laat deze veel gehoorde, maar discutabele interpretatie van Spinoza’s attributenleer hier rusten, maar noteer dat het niet verwonderlijk is dat juist een Aristoteliaan meegaat in de subjectieve, resp. idealistische exegese].

Maar eigenlijk beschouwt Trendelenburg deze derde positie als niet meer dan een theoretische mogelijkheid die in werkelijkheid niet kan worden volgehouden, daar in de praktijk ofwel naar de ene ofwel naar de andere kant zal worden overgeheld; dus ofwel meer in de richting van naturalisme zal ontwikkelen, ofwel in die van het idealisme.

Ook in Über Spinoza's Grundgedanken und dessen Erfolg is dit zijn vertrekpunt. In deze kennelijk als voordracht begonnen tekst, geeft hij aan dat je onder Spinozisten die stromingen kunt zien van overhelling naar de meer idealistische (Schelling) of meer naturalistische kant (het zou me niet verbazen als hij bij die laatste richting aan Van Vloten dacht). Zijn punt is dat de Ethica van Spinoza zelf aanleiding geeft tot deze overhelling naar de ene of de andere kant. En tenslotte komt hij in het stuk met argumenten waarmee hij van mening is in voldoende mate aan te tonen dat Spinoza zelf uiteindelijk meer naar de idealistische zijde overhelde.

Daar volgens Trendelenburg slechts één van deze drie posities de werkelijke en ware kan zijn, zijn ze in een voortdurende strijd om erkenning als dé enig ware. Trendelenburg is vooral Aristoteliaan en bepaald geen Spinozist, zodat duidelijk is dat deze tekst een pamflet is dat het ongelijk van Spinoza’s positie wil aantonen. Maar daarmee mag het niet eenvoudig aan de kant worden geschoven. Want het wordt bij lezing van de tekst duidelijk dat Trendelenburg zich zeer diep met Spinoza’s teksten heeft bezig gehouden. En dat hij vandaaruit met interessante aandachtspunten komt. Hij neemt Spinoza zeer serieus en ziet in hem een oorspronkelijk filosoof die diepgaande bestudering alleszins waard is.

Een paar jaar eerder, in ‘Ueber den letzten Unterschied der Philosophischen Systeme’ (1847) waarin hij deze driedeling uitvoerig had geschetst, had hij al een hint gegeven in welke richting zijn bestrijding van Spinoza zal gaan:

“Selbst in Spinoza, dessen metaphysische Principien sich in der [cf Plato & Aristoteles] entgegengesetzten Richtung bewegen, findet sich Verwandtes [die Vorstellung des reinen Denkens], da er das befreiende intelligere gegen das irrende imaginari als die eigenliche Erlösung von allem Uebel hervorhebt. In dem intelligere, das aus dem Ganzen, aus der Substanz geschieht, liegt Nothwendigkeit und Ewigkeit; aus ihm fliessen die ideae adaequatae, die aus dem Wesen des Denkes folgen. Indessen fehlt bei Spinoza eine genügende Ausführung dieses intelligere von der logische Seite. [p. 357]

In Über Spinoza's Grundgedanken und dessen Erfolg gaat Trendelenburg hier nog eens diep op in. Hij geeft de basishoofdlijnen van Spinoza’s filosofie en hij doet dat voortreffelijk en eerlijk. Hij gaat bijvoorbeeld niet eenvoudig mee met Jacobi volgens wie Spinoza een systeem van mechanicistische oorzaken zou hebben. Hij vindt dat Jacobi Spinoza daarin niet goed begrepen heeft, want het mechanisme der uitgebreidheid levert bij Spinoza geen denken op – uit het lichamelijke kan het denken niet begrepen worden en omgekeerd. Trendelenburg vraagt zich dan af of Spinoza zijn fundament kan volhouden en er zijn hele systeem op kan bouwen. Na de eerste schets op hoofdlijnen, gaat Trendelenburg in een tweede ronde Spinoza’s systeem na, waarna hij met z’n kritische toets begint. Hij wil een louter immanente kritiek bieden, dus Spinoza alleen aan zijn eigen beginselen en systeem toetsen en niet met van buiten komende criteria confronteren.

Hij begint met commentaar op de geometrische methode en vindt dat Spinoza’s definities slechts naamverklaringen zijn en dat hij zijn begrippen niet (zoals Euclides) construeert en zo tot zaakverklaringen kan komen. Vervolgens onderwerpt hij Spinoza’s stelsel aan een kritisch onderzoek dat ik hier uiteraard niet in z’n geheel ga samenvatten. Ik doe enige grepen.

Trendelenburg heeft moeite ermee (dit komt enige malen terug): hoe stellen we ons de dwalende gedachten voor als delen van het perfect denkende Wezen voor? Als de ware gedachten het oneindige Verstand van God uitmaken, waar blijven dan de dwalende gedachten van de eindige geesten die in het oneindige denken geen plaats kunnen hebben?

Uitvoerig beschrijft hij de verschillen tussen verstand en verbeelding en in mijn ogen doet hij dat heel goed. Hij laat ook goed zien dat het tussen die twee geen absolute tegenstelling is en dat ondanks de inadequate kenwijze van de verbeelding er ook voorstellingen van de verbeelding zijn die met die van het verstand overeenkomen. Uitvoerig gaat hij erop in dat Spinoza nergens duidelijk maakt hoe uit het oneindige (oneindige attributen) de eindige dingen bepaald worden. Bijvoorbeeld niet hoe het verstand van oneindige (volledig positieve bevestiging) tot bepaling, begrenzing (is ontkenning) komt.

Hij ontwaart een gat tussen begrip en beeld, ofwel intellectus en imaginatio en daarmee ontbreekt een verklaring van de verwarde en verkeerde voorstellingen in de consequentie van het systeem. Toch zegt Spinoza dat ook inadequate/verwarde voorstellingen met dezelfde noodzakelijkheid volgen, want alle zijn in God.

Dan gaat hij na hoe Spinoza zijn Ethiek uitwerkt. Hij ziet een overeenkomst met Socrates: beiden zien de deugd in kennis steken. Trendelenburg is aanvankelijk behoorlijk positief: wat Spinoza in zijn derde deel laat zien, hoe hij vanuit het streven naar zelfbehoud en de ideeënassociatie de lijdende passies en strevingen van de geest afleidt... “Bis jezt ist die einfache und bündige Weise nicht übertroffen.” (p. 36). Maar hij vraagt zich af hoe de conatus (deze samenvattende term wordt door hem nog niet gebruikt) in Spinoza’s systeem past. Elk enkelding wordt bepaald door andere enkeldingen en is uit zichzelf niets, heeft geen middelpunt waarin het zichzelf heeft en waarmee het zijn streven stuurt. Vanuit het wezen dat iets-in-zich is had aangegeven moeten worden hoe het eindige ontstaat en in zichzelf bestaat en voortbestaan nastreeft. Hij mist het (‘ideale’) centrum waardoor iets in zich is en waarmee krachten bewogen worden. Trendelenburg wijst erop dat Spinoza aanneemt dat samengestelde individuen tezamen oorzaken van werking kunnen zijn, maar hoe? Dat blijft in het midden. Volgens hem heeft Spinoza daarmee meer beweerd dan in zijn premissen besloten lag. “Es sind darin die Zwecke des individuellen Lebens vorausgesetzt, und erst dadurch bekommt der Ausdruck, dass jedes Ding, soweit es in sich is, in seinem Wesen zu beharren strebe, wirkliche Bedeutung.”(p. 39) Spinoza moet “stillschweigend die Vorstellung des zweckbestimmten Lebens unterschieben.”(p. 40)

Trendelenburg ziet bij Spinoza doeloorzaken terugkomen, bijvoorbeeld in het algemene begrip van het menselijke voorbeeld dat wij trachten te benaderen. Meermalen gebruikt Spinoza doelbegrippen (p. 44)

Nog een punt. Hoe kan van intelligere een macht uitgaan op de affecten? En hoe kan Spinoza spreken over affecten van het lichaam die het denken hinderen? (E.V.10. dem). Trendelenburg concludeert dat waar we volgens Spinoza ons van de uit het imaginaire voortkomende verwarde de zielstoestanden kunnen bevrijden door inzicht, intelligere, daar zich de lichaamstoestanden naar de begrippen die wij herordenen voegen, dit niet met zijn basisfilosofie klopt. “Dem intelligere wird darin eine Wirkung auf die leiblichen Zustände zugeschrieben, welche der Grundgedanke nicht erträgt.” (p. 43, 44, 57)

Veel werk maakt hij van de z.i. inconsequentie waarmee Spinoza in het laatste stuk van het Vijfde deel van de Ethica een deel van de geest als eeuwig ziet. Waar blijft dan – gezien de altijd gelijke orde en aaneenschakeling – de overeenkomstige uitgebreidheid?

Voor Trendelenburg is duidelijk: zie je wel, het denken (het idealistische) heeft bij Spinoza “ein wesentlich “Ubergewicht” (aangenomen dat je denken kunt wegen, SV). Spinoza volgt voor Trendelenburg een weg die tot inconsequenties voert als je ze houdt tegen de basisgedachten. Door het hier overhellen naar het teleologische en daar naar het materialistische kan volgens Trendelenburg Spinoza’s poging tot vereniging van kracht en denken, uit de rijen der strijdenden worden buitengesloten. Centraal staan volgens hem de natuurwetten van de geest, die Spinoza overigens in het derde deel van de Ethica schitterend heeft beschreven.

***

Waarom ik dit zo’n fraai stuk vind (ook al heeft Trendelenburg volgens mij uiteindelijk ongelijk) is dat elke lezer, in ieder geval deze blogger, bezwaren, tegenwerpingen en minstens moeilijkheden bij het lezen van vele stellingen en posities van Spinoza bij Trendelenburg tegenkomt, die ook bij hemzelf zijn opgekomen. Het was wat mij betreft bijna als een feest der herkenning. Zijn we immers niet allemaal opgevoed in een cultuur die eeuwenlang doordrongen is geweest van een naar Plato (via Plotinus, via Augustinus) en naar Aristoteles (via Thomas van Aquino) vormgegeven christendom?
Die leesbezwaren moeten genoemd blijven worden. En het heeft zin pogingen te blijven doen om die (zogenaamde of werkelijke) inconsequenties te verzoenen met de basisgedachten van Spinoza – de sterke en niet te ontrafelen samenhang van denken en kracht, om Trendelenburgs term over te nemen - die immers zoveel meer belovend zijn dan elk van beide andere door Trrendelenbrug zo adequaat beschreven elkaar uitsluitende filosofische posities.