François Poullain de La Barre logenstraft Spinoza's vrouwbeeld

Uit de lezing die Piets Steenbakkers gisteren als laatste in de voorjaarscursus van de VHS die dit jaar ging over de Politieke verhandeling, hield over democratie (hfst. 11), haal ik slechts één ding: de uitsluiting van vrouwen (naast servi/slaven e.a.) van deelname aan het bestuur. Over dat onderwerp is veel geschreven. En ook vormde dat hét onderwerp van het nagesprek van mijn groep. Sommige namen het Spinoza kwalijk dat hij zo kortzichtig had geschreven en iemand zei zich plaatsvervangend te schamen over wat Spinoza daar in §4 van hoofdstuk 11 had geschreven...

Ik wil hier naar voren halen waar Steenbakkers op wees tegen degenen die ter vergoelijking van Spinoza erop wijzen dat hij een kind was van zijn tijd en dat je dus eigenlijk geen ander standpunt van hem had kunnen verwachten: zo vond men dat toen nu eenmaal. Dat argument, dus dat Spinoza niet anders had kunnen schrijven, wordt volgens Steenbakkers onderuit gehaald doordat in 1673, dus twee jaar voor Spinoza aan zijn Tractatus politicus begon, van de Frans-Zwitserse cartesiaanse filosoof François Poullain de La Barre (1647-1723) anoniem het boek verscheen De l’Égalité des deux sexes, discours physique et moral où l’on voit l’importance de se défaire des préjugés [Paris, Chez Jean du Puis, 1673 - "Over de gelijkheid van de twee seksen. Natuurfilosofisch en moreel vertoog, waarin men ziet hoe belangrijk het is zich van vooroordelen te bevrijden"]

In dat boek bestreed De La Barre de ongelijkheid der geslachten en stelde hij de beperkte rol van de vrouw in de samenleving aan de kaak. Hij veroordeelde de seksistische vooroordelen en discriminatie van vrouwen. Hij ontkrachtte met name het idee dat de natuur zelf voor de ongelijke behandeling verantwoordelijk was, volgens hem waren de vooroordelen en de manier waarop de samenleving ingericht was verantwoordelijk voor de ongelijke behandeling. Betere toegang tot en deelname van vrouwen aan onderwijs, die hen nu onthouden werd, zou laten zien dat het anders kon en dat hun deelname aan beroepen tot in het natuurwetenschappelijke veld mogelijk kon worden.

                                             * * *

Het doet er niet toe of Spinoza dat boek gekend heeft of niet. Het gaat erom dat iemand uit zijn tijd vanuit cartesiaanse beginselen tot deze gelijkheidsopvattingen kon komen. François Poullain de la Barre kon zijn tijd wél ver vooruit zijn door cartesiaanse beginselen toe te passen op de 'vrouwenkwestie' en met rationele afleidingen aan te tonen dat de zgn. vanzelfsprekende ongelijkheid der seksen niets meer was dan ongefundeerd vooroordeel. Voor Spinoza bestond er geen vrouwenkwestie.

Het enige dat je hierover m.i. nog kunt zeggen is dat Spinoza met zijn politieke traktaat een heel ander doel had. Het ging hem niet om een sociale theorie of een onderzoek naar maatschappelijke ongelijkheidskwesties, maar om het zodanig inrichten van een staat dat vrede, veiligheid en welvaart voor iedereen mogelijk was.

 

François Poullain de la Barre, Three Cartesian Feminist Treatises. introduction by Marcelle Maistre Welch, translated by Vivien Bosley. University of Chicago Press, 2002 [Cf.]

François Poullain de la Barre, De l’Égalité des deux sexes, discours physique et moral où l’on voit l’importance de se défaire des préjugés [transcriptie, correcties en aantekeninmgen door Michel Fingerhut, 2010 - PDF]

Siep Stuurman, François Poulain de la Barre and the Invention of Modern Equality, Cambridge (Mass.), Harvard University Press, 2004

Ik volstond met het lezen van zijn paragraaf "De radicalisering van de cartesiaanse gelijkheid door Poullain de la Barre" in Siep Stuurman, De uitvinding van de mensheid. Korte wereldgeschiedenis van het denken over gelijkheid en cultuurverschil (Bert Bakker, 12009, 52010)

Twee jaar geleden was er nog een Colloque international pluridisciplinaire "François Poulain de la Barre (1647-1723) : égalité, radicalité, modernité" [Cf.]

Reacties

Dit vind ik een heel zwakke blog, Stan. Ter verontschuldiging moge dienen, dat je gisteren slecht onderwijs hebt gekregen. Poulain de la Barre had achterwege kunnen blijven. Diens streven was dichter bij Spinoza's hart en een tiental jaren eerder al geincorporeerd in Van den Enden' pleidooi, niet alleen voor verbetering vd positie van vrouwen door onderwijs, maar ook door hen in te schakelen in het medisch onderzoek en onderwijs in overheidscolleges en verder in zijn strijd voor hun recht op sexuele bevrediging in het huwelijk ( gelijk aan die van de man).
Maar dat is helemaal de kwestie niet in het praktisch voltooide TP11. Het gaat daar om het principe dat alleen degenen die in hun eigen onderhoud kunnen voorzien en dat van de hunnen en zo tesamen het nationale inkomen produceren, de publieke zaken beheren en het beleid bepalen. IN FEITE behoorden daar vrouwen niet toe. Bij een veranderde maatschappelijke situatie, waarin er werkende en kostwinnende vrouwen bestaan, zou Van den Enden, en in zijn spoor ook Spinoza, de laatste(n) zijn om hun het lid zijn van de oppermachtige volksraad te ontzeggen, dit op basis van het gehanteerde principe. Zij zouden in dat geval, als zijnde ook sui juris, immers mede de nationale welvaart produceren.
'Sui juris' is geenszins anti-vrouw, maar anti buergerschap voor afhankelijke personen, hoe dan ook.

Hierbij wil ik nog opmerken, dat spinoza zich blijkbaar niet kon voorstellen dat de menselijke soort zich ergens ter wereld zo zou ontwikkelen dat vrouwen gelijke bekwaamheid en macht als mannen zouden verwerven. Dit zou men wetenschappelijke kortzichtigheid kunnen noemen en hem kunnen verwijten. Om die reden komt hij ook tot de conclusie dat vrouwen van nature zwakker dan mannen zij. En het onderspit delven . Foute conclusie, ook al omdat er volgens zijn eigen natuurkunde geen tegenstelling tussen 'phusis' en 'nomos' kan bestaan.

Het ging in het blog niet over het sui juris zijn op zich, maar om de vraag in §4 van hoofdstuk 11 of vrouwen dat 'van nature' of 'qua institutie' zijn. Dus over datgene waarvan ook jij, Wim, in je tweede reactie, Spinoza wetenschappelijke kortzichtigheid verwijt. Het ging hier alleen maar om het onderuit halen van het "kind van zijn tijd"-argument. Op basis van die niet bestaande tegenstelling tussen 'phusis' en 'nomos' had hij hier aan die bestaande uitsluitingen een paar kritische woorden kunnen wijden en dan had hij op dit punt als een François Poullain de La Barre kunnen zijn.

Tja. Alles is historisch: de rol van de vrouw in de maatschappij, de menselijke soort, de natuur.

Interessante gedachtewisseling, zowel afgelopen zaterdag (ik zat in het groepje o.l.v. Piet Steenbakkers zelf) als in en n.a.v. deze blog. Ik heb zelf ook een steentje bijgedragen op mijn blog.