"Formele essenties" zijn tóch geen "mogelijkheden"

Het boek van Alan Danagan, waarover ik eerder blogde, had ik in het zicht laten liggen, omdat ik mijn keuze voor zijn benadering van de ‘formele essenties’, n.l. ze als "mogelijkheden” te lezen, waar ik mij achter had opgesteld, bij nader inzien toch niet zo’n gelukkige vind. Ik had gedacht dat die blogs - ik vermeld ze onder - wel de laatsten zouden zijn over dat onderwerp wat betreft “de ideeën der niet bestaande dingen”, maar ik moet die draad nog eenmaal oppakken om hem opnieuw en beter af te hechten.

Het gaat me om het tweede blog. Het eerste had ik toegevoegd om te laten zien dat Donagan ‘mogelijkheden’ bepaald niet in de zin van Leibniz las en dat verleidde mij om in het tweede blog met hem mee te gaan in zijn toelichting over hoe je dingen die nog niet of niet meer bestaan en waarvan volgens 2/8 de ‘formele essenties’ vervat liggen in de attributen, zou kunnen zien als “mogelijkheden.”

Van die lezing wil ik mij alsnog distantiëren. Spinoza’s metafysica kent geen mogelijkheden. Mogelijkheden (en contingenties)  bestaan alleen voor ons met onze gebrekkige kennis. Maar in de werkelijkheid bestaan er bij Spinoza geen mogelijkheden. Waarom ik dus bij nader inzien toch afstand wil nemen van Donagan’s lezing, is omdat ‘mogelijkheden’ teveel suggereert dat sommige dingen die mogelijk lijken, toch niet gerealiseerd werden of worden. En dat is niet zoals het volgens Spinoza in de werkelijkheid gaat. De in de attributen vervatte ‘formele essenties’ verwijst naar dingen die ooit bestaan hebben (maar nu niet meer) of die nog zullen komen te bestaan (en daarna ophouden te bestaan). Alle ‘formele essenties’ hebben ooit bestaan, bestaan nu, of zullen ooit gaan bestaan. Zo ligt het gedetermineerd en noodzakelijk in de natuur vast; daarbuiten is er niets en dus ook geen “mogelijkheden” (die nooit gerealiseerd zouden worden). 

Onnodig had Donagan het over "non-existent possible bodies" en “possible existence in an attribute”. Ik vermoed dat hij daartoe kwam vanwege het citaat dat hij nam uit Matheron, die sprak over “The ideas of non-existent bodies therefore have a slightly different status from that of their ideata; the former exist only so far as they are comprehended in the attribute Extension (E2p8c), as being logical possibilities, conceivable combinations of motion and rest;“ [vetdruk van SV]. *)

Dat het bij Spinoza zou gaan om “logisch mogelijke, afleidbare combinaties van beweging en rust,” is een interpretatie van Matheron zelf, waar Donagan in meegaat. Misschien kwamen ze ertoe dat te zeggen vanwege het voorbeeld dat Spinoza gaf in 28s; daarin kun je inderdaad spreken van logisch mogelijke rechthoeken; dat gaat echter alleen op voor zo’n wiskundig voorbeeld (waarbij we over entia rationis nadenken), maar niet voor de werkelijkheid, waarin daadwerkelijke gebeurtenissen volgens wetmatigheden nieuwe gebeurtenissen (uitkomsten) bepalen. Wat er allemaal aan dingen tevoorschijn komen, ligt net zo vast als de dingen die een verleden bestaan hebben.

Kortom, ik distantieer me bij nader inzien van het lezen van "formele essenties" als "mogelijkheden. In plaats daarvan, blijven we het dichtst bij Spinoza door te spreken over (ideeën van) “dingen die nog niet of niet meer bestaan.”

Zo, nu kan ik het boek opbergen.

__________________________

11-07-2015: Wat als je "formele essenties" als "mogelijkheden" leest – zoals Alan Donagan deed [1]

12-07-2015: Nogmaals 2/8, 2/8c en 2/8s over het kennen van niet bestaande dingen - Of: Wat als je "formele essenties" als "mogelijkheden" leest – zoals Alan Donagan deed [2]

*) Alexandre Matheron is wellicht wel door het mogelijkheidsvirus van Leibniz besmet? In zijn hoofdstuk "Bemerkungen zur Unsterblichkeit der Seele bei Spinoza," in Michael Hampe en Robert Schnepf (Hrsg) Baruch de Spinoza Ethik in geometrischer Ordnung dargestellt [Akademie Verlag, Berlin, 2006] heeft hij het over het 'eeuwig streven' en 'tenderen naar' het bestaan van het eeuwige Wesen des Körpers" en van de eeuwige Idee ervan om ziel te worden. "Die Idee des Wesens des Körpers ist tendenziell eine Seele, so wie das Wesen des Körpers selbst tendenziel ein "Körper ist." [p.302}

Ook vertaald in Alexandre Matheron, “Remarks on the Immortality of the Soul in Spinoza” In: Michael Hampe, Ursula Renz, Robert Schnepf (Eds.). Spinoza's Ethics. A Collective Commentary [Brill, 2011] – books.google