Ferdinand Tönnies (1855 - 1936) verwerkte naast Hobbes ook Spinoza in zijn sociologische theorie

De Duitse socioloog is bij degenen die iets van sociologie in hun studie hadden, vooral bekend vanwege zijn Gemeinschaft und Gesellschaft (1887), waarin hij nadruk legde op een onderscheid tussen «gemeenschap» en «maatschappij». Hij heeft - naast Georg Simmel, Werner Sombart en Max Weber - een belangrijke bijdrage geleverd aan de sociologische theorievorming, maar ook aan de institutionalisering van de sociologische discipline: in 1909 richtte hij de Duitse Sociologische Vereniging op. In 1933 werd hij door het naziregime uit zijn hoogleraarsambt verwijderd.

Door het opnieuw publiceren van werk van Thomas Hobbes had hij grote impact op de receptie van de Engelse filosoof in de twintigste eeuw. Ook schreef hij Thomas Hobbes, der Mann und der Denker (1910). Maar met Spinoza hield hij zich ook serieus bezig. Uit twee dit jaar verschenen werken (coïncidentie?) blijkt dat hij ook Spinoza’s bijdrage aan de sociale wetenschap erkende en benutte. Kon voor Hobbes een samenleving alleen bestaan door de beslissende tussenkomst van de staat, Spinoza wijst vooral op het sociale karakter van de mens en op het feit dat een stabiel regime altijd in de volksmassa geworteld dient te zijn. Je zou kunnen zeggen dat Tönnies voor de sociologische vertaling van Spinoza's filosofie zorgde! Lang werd Tönnies gezien als een nostalgische bard van het gemeenschapsgevoel tegen de mislukkingen van de corporatistische beschaving en de harde maatschappij. Maar die tijd is wel voorbij. Dit jaar verschenen:

Arno Bammé (Hg.), Ferdinand Tönnies. Schriften zu Spinoza. [Band 26 in der Reihe: Materialien der Ferdinand-Tönnies-Arbeitsstelle am Institut für Technik- und Wissenschaftsforschung der Alpen-Adria-Universität Klagenfurt], Profil Verlag, 2016

[Flaptekst] In der Beschäftigung mit Spinoza und Hobbes vollzieht Tönnies den Übergang von der Philosophie zur Soziologie. Spinoza hatte ihm die Grundlage einer Weltanschauung vermittelt, die zugleich Kritik und Korrektur der bisherigen Wissenschaft war. Aus ihr ergab sich für ihn fast zwangsläufig das genuin soziologische Problem, wie das Verhältnis zwischen der menschlichen Natur und den Notwendigkeiten des menschlichen Zusammenlebens zu bestimmen sei. In der Verortung der Grenze, wo der Individualismus an die Notwendigkeiten des Zusammenlebens stößt, hatte Spinoza eine Lösung vorgeschlagen, die letztlich auf die Konstruktion des Hobbes hinaus laufen musste.   Der Grundsatz des Spinoza, dass die menschlichen Handlungen wie jedes andere Bedingte aus den Bedingungen selbst müsse erklärt werden, bezeichnet genau den Punkt, an dem Tönnies seine Wendung von der (metaphysischen) Philosophie zur (empirischen) Soziologie vollzog: „Jedenfalls werde ich mich vor solchen philosophischen Arbeiten, die zunächst den Gaumen reizen, aber nachher den Magen beschweren, in Zukunft hüten. Es ist nicht mein Fach.“   Was Tönnies statt dessen ins Auge fasst, ist eine Wissenschaft des sozialen Verhaltens, eine Kunstlehre für die soziale Welt von genau derselben Art, wonach die Beherrschung der Natur durch Technologien erreicht wird, die, um wirksam zu sein, auf naturwissenschaftlichen Kenntnissen beruhen müssen. Will man eine solche soziale Technologie, so ist ihre unabdingbare Voraussetzung eine Sozialwissenschaft als Gesellschaftstheorie. Diese Abkehr wurde von ihm konsequent vollzogen und bezeichnet in ihrer tiefgreifenden Folgewirkung den Anfangspunkt der wissenschaftlichen Soziologie, welche, in der ihr angemessen Form, dahinzukommen strebt, alle Versuche einer Technik des moralischen und politischen Wollens und Handelns und einer vernunftmäßigen Wertschätzung der menschlichen Dinge von ihren Ergebnissen her abhängig zu machen. Denn „Wissenschaft im eigentlichen Sinne, nämlich als a priori demonstrierbare, ist nur möglich von Gegenständen, deren Entstehung wir kennen und gewiss wissen.  

Onlangs verscheen in Italië:

 

Ferdinand Tönnies, La teoria sociale di Spinoza. Nicholas Marcucci (Cur), Mimesis, 2016

De artikelen in deze bundel zouden de eerste essaybundel vormen over de aandacht die Ferdinand Tönnies aan Spinoza’s denken gaf (maar zie de vorige uitgave). Sommige artikelen illustreren de bijdrage van de Duitse socioloog aan ‘t moderne morele en politieke denken, met de nadruk op het belang van Spinoza's denken door middel van een zorgvuldige lezing van zijn ethiek en een vergelijking met auteurs als Hobbes en Marx, waarbij de relevantie ervan voor een democratische theorie wordt opgespoord. Andere artikelen gaan in op hoe de reflectie op de filosofie van Spinoza's sociologische theorie Tönnies hielp om een aantal van de belangrijkste aspecten ervan, met inbegrip van het onderscheid tussen de gemeenschap en de samenleving, te definiëren. Vanuit dit dubbele perspectief laten deze essays zien hoe de sociologie een specifieke wijze van optreden in de geschiedenis van het wijsgerig denken vertegenwoordigde, n.l. in het verstrekken van een herformulering van een aantal van de fundamentele concepten van de metafysica, moraal en moderne politiek.

Zie hier of beter nog hier een bespreking van dit werk door Maurizio Ricciardi.