Enige emotie over de behandeling van Spinoza's emotieleer

Enige weken geleden verscheen het boek van Frans Jacobs, Een filosofie van emoties en verlangens, Uitg. Nieuwezijds, Amsterdam, 2008.

Het belangrijkste thema van het boek is het aanbrengen van een onderscheid tussen verlangens en emoties. Ik besprak het elders (zie hier deze bespreking).

Op dit weblog wil ik enige ruimte geven aan het feit dat en de manier waarop Jacobs aandacht geeft aan Spinoza in zijn boek. Positief is dát hij op een aantal plaatsen Spinoza’s behandeling van de passies bespreekt. Hij citeert een aantal omschrijvingen van emoties uit de Ethica. Goed is dus dat Spinoza niet – zoals zo vaak gebeurt – wordt genegeerd.

Jacobs besteedt zelfs een hele paragraaf aan “Spinoza over affecten”. (p. 23 – 25), maar die is toch enigszins merkwaardig. Ik neem hier de eerste helft van deze paragraaf over om er vervolgens enig commentaar op te geven.

"In het derde en vierde boek van zijn Ethica ontwikkelt Spinoza een theorie van emoties, die hij ‘affecten’(affectus) noemt. Er zijn drie primaire affecten, waaruit hij alle andere affecten zegt te kunnen afleiden, namelijk vreugde (laetitia), verdriet (tristitia) en streving (conatus). Van deze drie is de streving weer het belangrijkst. Dit kan worden uitgelegd aan de hand van Newtons wet der traagheid, die aldus luidt: een voorwerp waarop geen kracht inwerkt, verkeert ofwel in rust ofwel het beweegt zich rechtlijnig voort met een constante snelheid. Laten we de toepassing hiervan op mensen bezien. Mensen streven ernaar om zichzelf in stand te houden (te blijven bewegen). Als er een kracht op hen wordt uitgeoefend die die beweging versnelt, ervaren ze vreugde, door Spinoza omschreven als een ondergaan van een invloed waardoor ze overgaan naar een grotere volkomenheid (sneller gaan bewegen). Als er een kracht op hen wordt uitgeoefend die de beweging vertraagt, ervaren ze droefheid, door Spinoza omschreven als een ondergaan van een invloed waardoor ze overgaan naar een geringere volkomenheid (langzamer gaan bewegen). Externe krachten zijn alleen van betekenis voor zover ze de beweging kunnen versnellen of vertragen. Dat heeft een belangrijk gevolg: ‘Uit dit alles blijkt, dat wij niets nastreven, willen, verlangen of begeren omdat wij van mening zijn dat het goed is. Integendeel wij zijn van mening dat iets goed is omdat wij het nastreven, willen, verlangen en begeren.”2 Dingen hebben geen waarde op zichzelf; ze zijn alleen goed of slecht voozover ze ons voortbestaan (ons bewegen) bevorderen of benadelen (versnellen of vertragen). In zijn toepassing op liefde en haat leidt dit tot deze definities: ‘Liefde is namelijk hetzelfde als blijdschap samen met het idee van een uitwendige oorzaak; haat is niets anders dan droefheid samen met het idee van een uitwendige oorzaak.’3 Je houdt dus van iemand omdat zij je voortbestaan bevordert, en je haat haar omdat zij je voortbestaan benadeelt.”

Voetnoot 1, Newton (1643-1727) was jonger dan Spinoza (1632-1677), maar de door hem geformuleerde wet van de traagheid was al eerder bekend.

Voetnoot 2,  Commentaar bij stelling 9 van het derde deel van de Ethica, p. 241

Voetnoot 3, Commentaar bij stelling 13 van het derde deel van de Ethica, p. 247

Gebruikt werd de vertaling van Henri Knop.

 

Tot zover dit lange citaat. In de tweede helft van de paragraaf behandelt hij dat Spinoza geen scherp onderscheid maakt tussen verlangen en emoties, een onderscheid waarvoor Jacobs juist een pleidooi opbouwt. Met dat gedeelte heb ik geen moeite, maar dit citaat vertoont een paar merkwaardigheden.

Die Newtoniaanse wet van de traagheid! Het verschijnsel van de inertia. Ik weet niet waar Jacobs deze toepassing op de passies in de Ethica heeft opgedaan (of van welke Spinozauitlegger deze afkomstig is), maar hier klopt weinig van. Als hij schrijft “Dit kan worden uitgelegd aan de hand van Newtons wet der traagheid” is zeer de vraag wat de auteur daarvan zelf heeft begrepen.

Om te beginnen is merkwaardig dat hij de wet van de traagheid van Newton inbrengt, hoewel ‘al eerder bekend’. De eerste die over deze natuurwet begon was Galileï, maar Descartes was de eerste die de inertia als eerste natuurwet formuleerde op een ongeveer gelijkluidende manier, zodat Wim Klever van wie ik dit heb, Newton van plagiaat beschuldigt. Newton kwam er niet goed mee uit de voeten en beschouwde de inertia eigenlijk als een soort van inwendige kracht in de materie.  

Spinoza echter heeft Descartes verbeterd door er consequenter dan wie ook vanuit te gaan dat er altijd krachten worden uitgeoefend vanuit de omgeving, dat er altijd oorzaken zijn, niet alleen voor het tot stand komen van een ding (een modus), maar ook voor het voortbestaan ervan. Niet alleen voor de versnelling of vertraging van de beweging, maar ook voor het voortzetten van de beweging. De inertia is geen soort inwendige eigenschap of kracht van wat dan ook, maar altijd het resultaat, een gevolg van erop uitgeoefende krachten. Dus eigenlijk, zo is mijn conclusie, is het verschijnsel van inertia schijn en een vorm van onbegrip.

Zie voor meer over dit onderwerp het artikel van Wim Klever dat een paar dagen geleden nog voorbijkwam in een reactie op dit blog onder Einstein: "CONDITIONED INERTIA" in the physics of Spinoza and his followers”. Te raadplegen hier in PDF van de Italiaanse site Foglio Spinoziano  of hier van een Russische site.

Zoals Jacobs erover schrijft lijkt het of het feit dat “Mensen streven ernaar om zichzelf in stand te houden” een kracht uit henzelf is, waar krachten van buiten dan in positieve of negatieve manier op inwerken. Alleen iemand die Spinoza niet heeft begrepen kan schrijven: “Externe krachten zijn alleen van betekenis voor zover ze de beweging kunnen versnellen of vertragen.” Niks daarvan: externe krachten zijn altijd van betekenis voor het tot stand komen (het bestaan) én voor het voortbestaan van elk ding en uiteraard dus ook voor het streven in zijn bestaan te volharden. Ook dat hebben we niet van onszelf maar overkomt ons door krachten die voortdurend op ons inwerken. 

Stelling 28 van het eerste deel van de Ethica geldt altijd:

"Elk individueel of eindig ding met een beperkt bestaan, kan alleen door een oorzaak die ook eindig is en een begrensd bestaan heeft, tot bestaan of werken worden aangezet. Deze oorzaak kan op haar beurt alleen tot bestaan en werken worden aangezet door een andere eindige oorzaak die ook een beperkt bestaan heeft en tot bestaan aangezet wordt, en zo tot in het oneindige."