Eén zwarte zwaan ontkracht de 'Wet van Gueroult'

Hoe Martial Gueroult het in zijn Spinoza II zegt, weet ik niet, ik bezit dat boek niet, maar vaak kom je het als bijna een ‘Wet van Gueroult’ tegen, namelijk diens ‘waarneming’ dat Spinoza ‘Lichaam’ (Corpus) en ‘Geest’ (Mens) met hoofdletters schrijft, wanneer hij het menselijk lichaam of de menselijke geest op het oog heeft.

Misschien is dit in sommige of zelfs vele gevallen een nuttige, bruikbare leestip, maar als het in minstens één geval niet opgaat, kan het niet een soort van algemene wet betreffen.

Nu meen ik zelfs twee zwarte zwanen waar te nemen.

Slechts éénmaal spreekt Spinoza over ‘geesten van andere dingen’. Dat is in deel III van de Ethica, en wel in het bewijs bij stelling 1. Daar is sprake van “De inadequate ideeën in de geest [van de mens, zo blijkt uit de zin ervoor] zijn verder ook adequaat in God (..), omdat hij niet alleen het wezen van die geest, maar tegelijk ook de geesten van de andere dingen in zich bevat.” In het Latijn: ‘…sed etiam quatenus aliarum rerum Mentes in se simul continet – ‘geesten van de andere dingen’, hoewel met hoofdletter, verwijzen hier niet naar alleen maar andere menselijke geesten!

De belangrijkste zwarte zwaan is voor mij echter de derde definitie in deel II over het begrip ‘idee’: “Onder een idee versta ik een concept van de Geest, dat de Geest vormt, omdat hij een zaak is die denkt.”

Ik heb al eens een lang blog over ‘Het idee van Spinoza” gemaakt, maar daar kwam dit aandachtspunt pas aan het eind aan de orde. Ik vind het belangrijk genoeg om hier naar voren te halen en apart te bespreken. Mijn punt is dat het hier in deze definitie niet alleen over de menselijke Geest kan gaan. Als je namelijk ziet hoevaak Spinoza het begrip ‘idee’ in de volgende stellingen gebruikt, waar het niet over de mens gaat, maar over God.

In stelling II/3 (“In God bestaat noodzakelijk een idee van…”) gaat het over idee in God; in stelling II/4 (“Er kan slechts één idee van God zijn…”) redeneert Spinoza in het bewijs vanuit ‘een oneindig verstand’; in stelling II/5 (“Het formele zijn van de ideeën kent God als oorzaak…”) wordt God als ‘denkend ding’ beschouwd; in stelling 8 geldt zelfs “de ideeën van niet-bestaande individuele dingen of modi moeten in de oneindige idee van God op dezelfde manier besloten liggen, als de formele essenties van individuele dingen of modi in de attributen van God.” Daar gaat het allemaal niet over de ‘Mens’ (geest) van de mens. Dat gaat zo door in de volgende stelling.
Pas bij II/11 komt de menselijke geest aan bod. Maar dan zou in al de daaraan voorafgaande stellingen waar Spinoza de term ‘idee’ gebruikte de definitie ervan niet aan de orde zijn?

Als je kijkt hoe Spinoza zelf zijn definitie gebruikt, toepast, kan het eenvoudig niet zo zijn dat, doordat in die definitie ‘Mens’ (Geest) met hoofdletter staat geschreven, aldaar (alleen) de menselijke geest bedoeld kan zijn.

Kortom, de waarneming en leestip van Gueroult mag niet gehanteerd worden als een ‘Wet van Gueroult.’ Gezien de zwarte zwanen! QED!