Een inspirerend en uitdagend boek over Spinoza´s filosofie

Eerder signaleerde ik (hier) dit boek en kondigde ik vrijmoedig aan erover te willen schrijven. Intussen deed en las ik van alles, maar onlangs ben ik dan toch aan dit boek begonnen. En niet met tegenzin nam ik het telkens weer op.

Interpreting SpinozaInterpreting Spinoza. Critical Essays
Edited by Charlie Huenemann (Utah State University), Cambridge University Press, ISBN 9780521871839, 2008 (Published February), 206 pages £45.00

Ik knip mijn lezen en bespreken in tweeën: vandaag de eerste, meer metafysische, helft en later het andere deel, waaronder een aantal artikelen over Spinoza´s politieke theorie.  

Don Garrett – Representation and consciousness in Spinoza’s naturalistic theory of the imagination

Don Garrett behandelt enige vragen die Spinoza’s filosofische systeem  oproept en die samengebald zijn in de vraag: faalt Spinoza’s theorie niet om een echte theorie van het mentale te zijn? Is hij wel serieus te nemen als hij [1] benadrukt dat elk individueel ding (ook een steen) waarneemt wat er allemaal in het lichaam omgaat? [2] Hoe kan Spinoza beweren dat verbeelding zoals hij het opvat, altijd iets externs representeert? [3] Hoe kan Spinoza sommige verbeeldingen als meer bewust beschouwen dan andere? [4] Hoe kan Spinoza uitleggen waarom mentale toestanden als waargenomen verbeelding kennelijk niet in gedrag worden uitgedrukt?

Hiermee zijn ernstige vragen inzake Spinoza’s theorie opgeworpen en Garrett neemt ze uiterst serieus onder de loep. Hij doet dat door heel ingenieus met behulp van Spinoza’s ‘doctrines’ een instrumentarium op te bouwen, waarbij hij als een bouwer van precisie-instrumenten Spinoza’s doctrines hier en daar in-tuned en lichtjes herformuleert. Hij stalt een voor een z’n instrumenten uit en legt - z’n in gedachten aanwezige studenten – uit wat ze zijn en waar ze voor dienen: de begrippen ‘inherentie’ (het zijn van iets in iets anders of in zichzelf) – een begrip dat we uitvoeriger bij Nadler tegenkomen – individualiteit (het samenstel van delen die zo met elkaar samenhangend verenigd zijn dat ze a.h.w. één lichaam vormen dat te onderscheiden is van andere lichamen; hij leidt af dat ook deze eindige individuen aandoeningen hebben), conatus (waarvan hij laat zien dat het samenhangt met de begrippen macht, perfectie en realiteit) denkkracht, verwardheid, verstand en ‘toenemend/voortschrijdend (‘incrementeel’) naturalisme’.
Het is knap om te zien hoe hij met dit gereedgelegde instrumentarium de opgeworpen vragen als tumoren die hij puzzles noemt ontleedt en neutraliseert.
Het voert uiteraard te ver om dit hier allemaal te gaan beschrijven. Daarvoor verwijs ik naar het boek en adviseer: geniet van dit artikel, waaruit men meer van Spinoza leert begrijpen.

Michael Della Rocca – Rationalism run amok: representation and the reality of emotions in Spinoza

Heeft een vergelijkbare aanpak, maar behandelt heel andere kwesties. Hij wil aantonen hoe het Spinoza als ‘extreem rationalist’ lukt om tegelijk emoties (affecten) te zien als ‘inherent rationeel’ en ze tegelijk als inferieur t.o.v. de rede, de ratio, te bestempelen. De vraag is dan vooral: hoe en tot op welke hoogte zijn affecten te begrijpen (intelligibel)? Ook hij bouwt eerst uitvoerig een instrumentarium op waarmee hij de kwestie te lijf zal gaan, geeft daarvoor een ‘korte cursus’ metafysica van Spinoza (over substantie, attributen, modi, ’t parallellisme van en de afwezigheid van interactie tussen lichaam en geest, dus dat ideeën, de concepten in mijn geest, de bijbehorende modus van uitgebreidheid, mijn lichaam, representeren; dan Spinoza’s passieleer en z’n onderscheid tussen acties en passies). Daarna betoogt en beargumenteert hij dat affecten representatief zijn en dat ze ook alleen maar representatief zijn, dus geen andere kwalitatieve aspecten hebben (anders zouden die aspecten niet te begrijpen zijn). Dat ‘iets representeren’ voor Spinoza hetzelfde is als iets verklaren, kortom dat – een cruciale notie - existentie intelligibiliteit is.

Tot zover gaat het om de heldere kant, maar er is ook de donkere kant: passies, passieve affecten zijn verwarde en inadekwate ideeën. Een deel ervan komt immers van een object buiten mij, maar een deel representeert iets van m’n eigen lichaam. Dit mengsel van oorzaken die van buiten komen en oorzaken die uit mezelf komen, worden verstrengeld  gerepresenteerd in eenzelfde idee dat ik dus niet kan ontwarren.

Na een heel betoog vervolgens over hoe iets ‘in’ iets anders kan zijn en ‘van’ wie of wat iets een uitdrukking is, komt hij met het tamelijk verrassende betoog dat bestaan van iets niet een kwestie is van alles of niets (to be or not to be), maar dat ook ‘een beetje bestaan’ mogelijk is, dat er graden van bestaan te onderkennen zijn en dat affecten naar de mate waarin ze passief zijn (en zo niet in God bestaan) niet volledig bestaan. En dat zelfs wijzelf naarmate we zulke affecten hebben niet volledig bestaan. In eerste instantie lijken dit merkwaardige consequenties te zijn van deze uitleg van Spinoza’s theorie. Maar iemand die in de greep van allerlei emoties hevig verward is, kan dit misschien beamen. Della Rocca illustreert dit ook met een strofe van Cole Porter: Everytime we say goodbye, I die a little.

Je blijft wel met vragen zitten. Hoe kan iets (een hevig verward effect) dat voor zover het een passie is die (daar hij niet in God bestaat) niet werkelijk existeert wel zo’n verwarrende uitwerking hebben? Als spoken niet bestaan kunnen ze ook niets uitrichten. Wat is het dan, anders dan het niet-bestaande, dat zoveel uitricht? Is het niet te simpel om iets begrijpbaar te maken door het als onbestaanbaar aan te wijzen?

Della Rocca brengt in zijn artikel geen onderscheid aan tussen de blije passies die het vermogen om het bestaan voort te zetten vergroten en de droeve passies die dat vermogen verkleinen. In het geval van die laatste kun je inderdaad meegaan met de idee dat ze de existentie verminderen (Everytime we say goodbye, I die a little), maar in het geval van blije emoties, aangenomen dat we er niet volledig aan verslaafd raken? Die blijdschap (ook als passie) hielp toch het vermogen om zijn bestaan voort te zetten te vergroten en de daad- en denkkracht te versterken?

Door dit niet te behandelen, heeft Della Rocca mij nog niet van de vruchtbaarheid van zijn uitleg richting ‘gedeeltelijk (niet) bestaan’ overtuigd. Ik denk dat Della Rocca vooral de negatieve emoties voor de geest had (Everytime we say goodbye, I die a little). Het heeft er nu van weg dat, om het PSR-beginsel te redden (Principle of Sufficient Reason), sommige dingen (verwarde affecten) eenvoudig uit het bestaan worden geweerd. Wat niet bestaat, hoeft ook niet verklaard te worden. En zo helpt Della Rocca Spinoza ‘extreem rationalist’ te blijven. Want wat onverklaarbaar is bestaat gewoon niet: niet-intelligibiliteit is niet-existentie.

Ik heb echter toch de indruk dat Spinoza en in zijn kielzog toch eigenlijk ook Della Rocca nog heel wat begrijpen over hoe alles met affecten en verwarde ideeën in elkaar steekt. Affecten moeten tot op grotere hoogte te begrijpen (intelligibel) zijn dan hier lijkt. 

Maar inspirerend om zijn wat aparte en gedurfde argumentatielijn te volgen is het wel.

Steven Nadler- “Whatever is, is in God”: substance and things in Spinoza’s metaphysics

Een boeiend en knap artikel over een almaar durend probleem van de relatie tussen de substantie en de modi, ofwel tussen God en de dingen (of het eeuwige en het tijdelijke).

De manier waarop Spinoza erover spreekt lijkt minstens alsof hijzelf er in zijn taal/systeem goed mee overweg kon. Maar hij heeft het onvoldoende kunnen uitwerken op een manier waarop zijn lezers (als eerste Von Tschirnhaus die om uitleg had gevraagd) ermee uit de voeten konden. Spinoza had aangegeven dat hij er nog eens voor moest gaan zitten, maar is daar niet meer aan toegekomen, zodat latere uitleggers met hetgeen hij wél heeft nagelaten aan de slag zijn gegaan om het vraagstuk te benaderen in zijn geest (als het om welwillende interpreten gaat) of tegen zijn geest (als het om zijn tegenstanders gaat of om hen die zijn leer in hun eigen voorgegeven ideeën willen inpassen (zoals zij die wel in een persoonlijke God geloven en religie zien als een vorm van open-staan voor het oneindige). Zo’n laatste uitlegger is Nadler in mijn ogen zeker niet.

Nadler biedt een fraaie schets van twee benaderingen/ interpretatielijnen van dit vraagstuk: die waarmee Bayle begon en die van Curley. De eerste is de lijn van de ‘inherentie-uitleg’ (zoals traditioneel attributen werden gezien als inherente eigenschappen – die geprediceerd werden - van een substantie). En de lijn, zoals Curley uitwerkte, van oorzakelijkheid en gevolg - de ‘veroorzakings-uitleg’.

Bayle moest hartelijk lachen om het idee dat mensen en dingen als eigenschappen te zien zouden zijn van de ene substantie. Volgens Nadler zijn diens bezwaren voldoende door anderen onderuitgehaald. De laatste (Curley-) aanpak, komt er uiteindelijk, zo laat Nadler zien, niet onderuit om een scheiding te benadrukken tussen oorzaak en gevolg (als ze de inherentie-benadering volkomen wil loslaten). En dat mondt uit in het als los van elkaar zien van de substantie en de modi, van God en de dingen, van natura-naturans en natura-naturata. Alleen de natura-narans zou in die opvatting God zijn en de natura naturata de wereld, dus iets los van God.

Nadler is van mening dat Spinoza’s theorie van het in-God zijn van alles wat is, alleen via de inherentie-uitleg kan worden begrepen, waarvoor dan de onbegrijpelijke of ogenschijnlijk contradictoire consequenties moeten worden ‘gerepareerd’. Ook voor die nadere uitleg en reparaties verwijst hij naar anderen.

Het artikel mondt uit in het beantwoorden van de vraag: was Spinoza pantheïst? Hij geeft een korte uiteenzetting van wat pantheïsme is en welke hoofdvarianten er zijn. En hij concludeert dan scherp en duidelijk (en hier ben ik het volkomen mee eens) dat Spinoza geen pantheïst was, waar met pantheïsme toch een soort van sacrale houding tegenover de natuur als tegenover toch iets a.h.w. supernatuurlijks wordt bedoeld. Nadler benadrukt dat los van hoe men de verhouding substantie/modi (God/dingen) ook benadert (als inherentie of als causaliteit) de vraag naar Spinoza’s pantheïsme altijd – door welke stroming ook – moet worden afgewezen, waar pantheïsme elementen heeft van vereren van de natuur. Voor Spinoza was er niets heiligs of sacraals aan de natuur. In niets had Spinoza zo’n religieuze houding – er was geen enkele aanleiding om te bidden. Hem ging het om groei van wetenschap, om vergroten van kennis, om het almaar beter begrijpen van de natuur, niet om een eredienst richting de natuur.

Michael V. Griffin - Necessitarianism in Spinoza and Leibniz

Dit deel houd ik wat korter. Griffin behandelt allerlei onderscheidingen van Leibniz, Curley, Garrett en anderen die verschillende soorten oorzakelijkheid onderscheiden (ik ga ze niet allemaal noemen), waar Spinoza met één enkel concept noodzakelijkheid toe kon. Of de noodzakelijkheid waarmee iets het geval is nu (intrinsiek) uit zichzelf voortkomt (zoals bij God of de natuur) of via bemiddeling (extrinsiek) door andere oorzaken via de eindige dingen (waarbij alles toch weer voortkomt uit God) het gaat om een en dezelfde metafysische noodzakelijkheid. Al die pogingen tot onderscheidingen komen voort uit de wens van Leibniz om een God van niet-blinde-keuze (uit mogelijke werelden) te redden die dan overigens toch weer uit noodzakelijkheid de best mogelijke wereld had te kiezen. Dit soort reddingspogingen en omwegen had Spinoza niet nodig. Er is voor hem maar één noodzakelijkheid - of die nou rechtstreeks of indirect werkt.

Tussenbalans
Al deze vier hoofdstukken of artikelen zijn een genot om te lezen (het laatste dan om - anders dan via sudoku-puzzels - het dementeren uit te stellen). Het zijn benaderingen van deskundigen die elk op hun manier Spinoza uiterst serieus nemen. Die hem verdedigen tegen critici en die hem uitleggen (ook aan elkaar) en die vooral opgeworpen problemen bij bepaalde uitleggingen van Spinoza’s teksten het begrip van Spinoza zo goed mogelijk met behulp van Spinoza’s teksten verder helpen – en dat is een genot om mee te maken. Dit is Spinozakunde van op de hoogste toppen. Ik zeg geen spinozisme, uit respect voor Spinoza die geen naar hem genoemde leer, geen volgelingen wilde hebben. Wel verre van dweperige adepten, gaat het hier om moderne seculiere geleerden.

Daar alle vier de auteurs vaak en soms uitvoerig ingaan op Edwin Curley, wiens naam ik uiteraard vaak ben tegengekomen, maar van wie ik verder niets weet, ben ik van plan om eens op internet na te gaan wat er zoal van en over Curley te vinden is. Op de rest van het hier besproken boek, waarvan ik een deel al las, kom ik ooit later terug.

Reacties

Beste Stan,
Zo snel als nu zul je nog wel niet eerder op een reactie zijn getracteerd. Maar het is dan ook een beetje als proef, om namelijk na te gaan of ik tot electronisch reageren op een 'log' in staat ben. Voortreffelijk zoals je me informeert over een nieuwe, mij nog niet bekende, publicatie. Ik ga ervan uit dat je de inhoud van de vier besproken hoofdstukken correct weergeeft. Helaas kan ik 'mijn Spinoza' niet goed herkennen in die van Don Garrett, Michael della Rocca of Steven Nadler, om van de spitsvondigheden van Griffin maar helemaal te zwijgen. Eerlijk gezegd denk ik, dat zij geen van drieen Spinoza precies op de voet volgen en zich vergaloperen in speculatieve academische haarkloverijen, die weinig affiniteit meer hebben met de fysische methode van Spinoza. Ik gun je veel succes met je speurtocht naar Ed Curley's positie en werkwijze, die, kan ik je op voorhand verzekeren, daar niet van afwijkt. Wel bezit ook deze man veel humor, dat hem zijn eigen misstappen doet relativeren.- Jammer dat op de cover van dit boek ook weer de olieverf van Samuel van Hoogstraten (1670) is afgedrukt, die in Amerika nogal populair is als afbeelding van Spinoza's aangezicht, maar mij meer een beeltenis van Jan de Witt lijkt!

Beste Stan,
Nog wat over hetzelfde boek, dat door Charlie Huenemann is geredigeerd. Als ik mij niet vergis, gaat hij in een van zijn recente publicaties kritisch in op mijn Hume-artikelen (of een daarvan) en in een andere (misschien wel in dit boek) op mijn Amerikaanse NASS-artikel over "Spinoza's Concept of Christian Piety" (2000). Ik hoor het wel als je zo ver bent.

Beste Wim,
Bedankt voor deze, inderdaad, heel snelle (en gelukte) reactie. Die opmerking over het gebruik van het schilderij van Van Hoogstraten had ik ook nog willen maken, maar vergat ik in deze eerste bespreking. Het doet enig afbreuk aan zo'n boek.

Er zit soms veel gelijkenis in dit type artikelen met Middeleeuwse scholastieke dialectische disputen. Maar vaak helpen die soms enigszins speculatieve benaderingen van met name de Ethica, een lezer die de te-ver-gaande-onzin weet te schiften, toch wel om Spinoza beter te verstaan. Van een grote nadruk op logica en taal, zoals Angelsakisch-analytisch opgeleide filosofen sterk hebben, was Spinoza toch ook niet vies.
Maar het moet uiteraard niet té esoterisch worden.

Ik kan je al wel meedelen dat je naam in de bibliografie niet voorkomt. Huenemann schrijft over Spinoza's epistemologie. Daarin zal geen ruimte zijn voor een 'concept of christian pietry', verwacht ik.