Drie vervalsingen van Spinoza

Het onlangs uitgekomen lentenummer van het  Vlaams Marxistisch Tijdschrift (zie dit blog) bevat drie artikelen die voor geïnteresseerden in Spinoza, Spinozisme en Spinozana interessant kunnen zijn. 

Ÿ Miriam van Reijen: Karl Marx, een ‘a(b)no(r)male’ lezer van Spinoza [PDF]

Ÿ Sonja Lavaert: Negri en het paradigma van Spinoza [PDF]

Ÿ André Mommen: Van spinozist tot nationaal-socialist: de Nederlandse rechtsfilosoof Johan Herman Carp (1893-1979) [PDF]

 

Alle drie geven ze een beeld van een persoon die met Spinoza is bezig geweest, of – in het geval van Negri – wellicht nog is. En bij alle drie kun je constateren dat ze op een geheel eigen manier op de loop gegaan zijn met de filosoof - en zo dus goed beschouwd een vervalsing van Spinoza hebben geschapen.

Ÿ Miriam van Reijen laat zien hoe Marx op jonge leeftijd, als 23-jarige student omvangrijke uittreksel maakte uit de TTP. Ze laat zien hoe hij daarbij  heel selectief te werk ging en zo – voor zichzelf, want hij heeft over Spinoza niet gepubliceerd – een eenzijdig en enigszins onjuist beeld van Spinoza creëerde. Bijvoorbeeld pakte hij alleen de kritiek op de godsdienst eruit en niet de ideeën over een nuttige rol van godsdiensten in de maatschappij.

Ik vindt het wel moedig van Miriam van Reijen dat ze (toch min of meer in het hol van de leeuw) geen vleierig, maar een kritisch stuk over Marx heeft geschreven. In haar titel noemt ze Marx een ‘a(b)no(r)male’ lezer van Spinoza. Ik mag concluderen dat er in Marx’ aantekeningen een vervalste Spinoza overbleef.

Ÿ Ik heb niet de indruk dat Sonja Lavaert kritiek heeft op de manier waarop Negri Spinoza voor zijn karretje spant. In ieder geval is daar in dit artikel niets van te merken.

Het “paradigma van Spinoza” dat Negri zou volgen is in mijn ogen toch vooral een eigen constructie van Negri. Ik weet nog hoe het mij indertijd tegenviel dat er in Multitude niets over Spinoza te vinden is (op een motto na van hem, bij een van de laatste hoofdstukken). Dat viel me erg tegen van iemand die zo’n eigen beeld van Spinoza had gecreëerd en voor wie Spinoza zo van belang zou zijn. Daarvan was niets te merken.

Als ik zie in dit artikel, hoe hij schrijft over de verbeelding! In de eerste kenvorm, de passieve, wordt men misleid; in de derde, intuïtieve kenvorm, misleidt men zelf, actief. Dat is inderdaad waar Negri mee bezig is: met het voorschotelen van zijn beelden over de wereld en de werkelijkheid en ons dan doen geloven dat die zienswijzen (zijn verbeeldingen) iets met Spinoza te maken hebben. Bij sommigen heeft hij er succes mee. Het paradigma Spinoza is vooral een paradigma Negri met daarin een vervalste Spinoza.

Lavaert is onlangs, op 24 febr. 2011, gepromoveerd op onder meer Negri. Ze schrijft dat haar proefschrift - Het perspectief van de multitude. Agamden, Machiavelli, Negri, Spinoza, Virno -  is gepubliceerd bij de VUBPress, maar daar is er niets over te vinden; misschien komt het nog.

Ÿ Het derde en langste artikel, dat van André Mommen gaat over Carp en wat deze met Spinoza deed. Bij mijn aankondiging noteerde ik al: “Het is een heel uitvoerig en zwaar gedocumenteerd artikel, het omvangrijkste mij bekend ooit, over J.H. Carp.” Mommen heeft er veel werk van gemaakt. Maar opmerkelijk is dat hij het weinige dat er over Carp is gepubliceerd nergens in zijn artikel of een eindnoot verwerkt. Enfin, in ieder geval heeft hij Wim Klever er behoorlijk content mee gemaakt. Ik ben iets minder content.

Het is boeiend om Carp geleidelijk aan te zien ontwikkelen in een fascistoïde en soort corporatistische richting, waarin hij Spinoza probeert mee te slepen. Maar mede door de wijze van citeren ontstaat er een wel heel negatief beeld en staan ook zijn eerste Spinoza-studies al van begin af aan in een kwade reuk die uit achterafkennis ontstond. Men mag het niet met Carp eens zijn, maar je kunt niet ontkennen dat hij zeer serieus studie van Spinoza’s werk heeft gemaakt, waarvan je ook nu nog met vrucht kennis kunt nemen (en waarbij je uiteraard bepaalde inzichten met veel korreltjes zout tot je neemt). Ik heb onlangs nog in enige blogs mijn waardering uitgesproken over het feit dat Carp de strijd aanbond met een fanatieke hooggeleerde jodenhater, Hans Grunsky, tegen wie hij Spinoza verdedigde. Mommen ontpopt zich als een Carp-hater voor wie er compleet niets meer aan de man deugt. Het is dan ook opvallend dat hij op deze daad niet wijst en ook niet dat er bij Carp – voor zover mij bekend -  geen jodenhaat te bespeuren was.

Ik vind het een informatief, maar ook sterk eenzijdig artikel. Ik kijk naar iemand als Carp met in mijn achterhoofd de analyse van de “banaliteit van het kwaad”. Het is uiteraard ontzettend vervelend (achteraf) dat de verspreiding van kennis over Spinoza zo lange tijd prominent is gedaan door iemand die zich later tot NSB-er ontpopte. Dat neemt niet weg dat hij toch veel aan de bevordering van aandacht voor Spinoza heeft gedaan. Mommen geeft daar veel voorbeelden van en die hoeven echt niet allemaal vanuit hindsight eenzijdig in een kwade reuk te worden gesteld. Er is echt nog wel een grammetje in positieve zin te bespeuren. Ik vind het heel nuttig dat Mommen ons met dit artikel de meest uitvoerige informatie biedt die er over Carp te vinden is. Goed dat hij dit alles bij elkaar heeft gebracht. Maar het geschetste beeld is eenzijdig doordat Mommen het niet kon opbrengen met enige afstandelijkheid of objectiviteit naar de man te kijken. Het hele stuk is vanuit volledige veroordeling op alle fronten geschreven. Maar zo zit de waarheid meestal niet in elkaar.

 

[Spinoza'sGrafGedenksteen.jpg]

Gedenksteen op de plaats achter de Nieuwe Kerk te Den Haag, waar men vermoedt dat ergens in de grond Spinoza’s gebeente ligt. Na de onthulling door dr. J.H. Carp legde de Franse gezant De Marcilly een krans neer (21 febr. 1927).
Op de foto rechts o.m. Dr. J.H. Carp (hoed in de hand) en het Amsterdamse Gemeenteraadslid E. Broekman.
[Foto en bijschrift in Bzzlletin, 13e jg, nr 121, dec, 1984; Themanummer Spinoza en de literatuur]

Reacties

Terwijl mij in Carp's zogenaamde bijdrage aan de Spinoza-STUDIE niets aantrekt, trekt mij in Negri's bijdrage juist veel aan. Daaromtrent onderschrijf ik volledig het oordeel van Matheron, dat ik hier voor de liefhebber vertaal: [Nergri's 'fenomenologie van de praktijk' culmineert in ] de collectieve conatus, die Spinoza 'macht van de menigte' noemt. En dat altaijd volgens hetzelfde principe: primaat van de productieve kracht op de betrekkingen van de productie. De politieke gemeenschap wordt niet van buitenaf opgelegd aan de individuele verlangens; zij wordt evenmin geconstitueerd door een contract, door een overdracht van recht, waaruit dan een transcendente verplichting zou volgen. Zij resulteert quasi-mechanisch (niet dialektisch) uit de interacties tussen de inidivduele machten, die in hun compositie de collectieve macht vormen. Zoals overal in de natuur zijn de politieke betrekkingen niets anders dan de structuren die de collectieve productieve kracht zichzelf geeft en onophoudelijk reproduceert door zijn eigen ontwikkeling. Er is bijgevolg geen enkele tegenstelling tussen de burgerlijke maatschappij en de politieke gemeenschap. Bij Negri: geen enkele idealisatie van de staat, zelfs niet van de democratische staat. Ik erken volgaarne met Negri dat wij ons met Spinoza bevinden bij de antipoden van Hobbes-Rousseau-Hegel... Als het volk revolteert, heeft het daartoe per definitie het recht" (fragment uit het voorwoord van Alexandre Matheron in de Franse vertaling door zijn zoon, 1982).Dat is wel wat anders dan het prutje Hegel dat Carp maakt van Spinoza.