Dionijs Burger schreef in 1856 interessant VOORBERIGT bij Auerbach's Spinoza - Het leven van een Denker

Dionijs Burger (1820 - 1891)Over Dionijs Burger (1820 - 1891) die een vertaling maakte van het boek van Berthold Auerbach: Spinoza. Het leven van een Denker én tevens een vertaling van Spinoza’s Ethica, had ik op 23 maart 2008 een blog dat sindsdien nog met meerdere gegevens werd uitgebreid.

Hieronder breng ik zijn VOORBERIGT bij

Er staan twee twee edities van dit boek bij books.google gedigitaliseerd: de eerste uit 1856  en die uit 1863, verschenen bij H.J. van Kesteren.

De aanleiding waarom ik hiernaar ging kijken, was dat ik bij m'n bezoek onlangs aan het museum Het Spinozahuis, hoorde dat Auerbach al eens een bezoekje aan dat huis heeft gebracht - lang voordat het in handen van de Vereniging Het Spinozahuis was gekomen. Dat vond ik frappant: het was dus niet pas door dr. Meijer ontdekt. Ook Auerbach zou al jaren eerder aan de hand van dezelfde mededeling van Monnikhoff over het gedichtje van Camphuysen Ach! waren alle Menschen wijs etc. naar dat huis hebben gezocht én het hebben gevonden. In zijn Spinoza-boek kon ik er niets over vinden; daarin komt Rijnsburg helemaal niet voor - Spinoza komt erin Amsterdam niet uit. Enfin, ik las het Voorbericht van Dionijs Burger en vond het aardig om hier op te nemen.

________________________________________________________

                                          VOORBERIGT

Door den uitgever verzocht zijnde eene aanprijzende voorrede voor deze vertaling van Auerbach’s Spinoza te plaatsen, heb ik, verondersteld dat mijne aanprijzing hier iets zal afdoen, mij geenszins aan die taak willen onttrekken. De redenen, waarom ik zulks op mij heb genomen, zijn de volgende.

Vooreerst verdient Spinoza in ons land meer gekend te worden dan over het geheel het geval is. Het gaat met hem volgens het spreekwoord: dat een profeet in zijn eigen vaderland niet geëerd is. En toch moest dit anders wezen. Vraagt men eenen Duitscher: welke Hollandsche wijsgeeren hij kent, dan zal hij misschien niemand weten te noemen dan Spinoza alleen; maar dezen zal hij zeker niet vergeten. En te regt. Spinoza toch verdient als de vader der moderne wijsbegeerte beschouwd te worden. Men vindt bij hem alles in de kiem, wat naderhand ontwikkeld is geworden; en het zou zoo moeijelijk niet wezen aan te toonen, dat Kant, Hegel en Herbart voor een groot deel met Spinozistische elementen gewerkt hebben. Om dus de moderne wijsbegeerte en wat daarvan is uitgegaan goed te begrijpen, is het noodig Spinoza te kennen. Daar echter zijn hoofdwerk, de Ethica, door den stijven geometrischen vorm menigeen afschrikt, zoo is een boek als dat van Auerbach, hetwelk Spinoza meer populair maakt, zeer aan te prijzen.

In het boek van Auerbach vindt men een bevattelijk overzigt van de leer van Spinoza, waardoor men zich van de hoofdpunten dier leer, voor zoover de moeijelijkheid des onderwerps het vergunt, een vrij duidelijk denkbeeld kan vormen. Bovendien heeft dit boek de eigenschap dat het zeer onderhoudend is, en zonder een eigenlijke roman te wezen, daar de inhoud grootendeels historisch is, toch genoeg stof aan de verbeeldingskracht geeft, om ket dorre pad der redenering door allerlei daarop gestrooide bloemen te veraangenamen.

De hoofdverdienste van dit boek is evenwel de psychologische ontleding die er aan ten grondslag ligt, waardoor duidelijk en overtuigend wordt aangetoond, hoe Spinoza bij al zijne oorspronkelijkheid, een kind van zijnen tijd was, en hoe behalve de studie ook de omstandigheden van zijn leven ket hare hebben bijgedragen, om hem te maken tot hetgeen was. Ook ziet men er uit, dat de wijsbegeerte bij Spinoza geene bloote zaak des verstands was, maar met zijn geheele wezen was vereenzelvigd. Niet dat daarom de bewering waar zonde wezen, dat Spinoza ten gevolge van zijn stelsel aan de tering is gestorven. Integendeel de tering was zijne kwaal, die hem vroeg of laat moest wegslepen; maar dat hij niet eerder door die kwaal is weggesleept, had hij, behalve aan zijne matige levenswijs vooral aan zijne wijsbegeerte te danken; daar deze kern kalme bedaardheid gaf en hem er voor bewaarde om door aan zijne hartstogten toe te geven zijn ligchaam te ondermijnen.

Spinoza verdient niet alleen uit een historisch oogpunt nader gekend te worden. Zijne wijsgeerige werken, vooral zijne Ethica, bevatten veel, dat ook in onzen tijd behartigd moet worden. Niet, dat hij, gelijk sommigen beweren, als de profeet van dezen tijd zou moeten beschouwd worden. Zulk eene bewering is overdreven en daarom valsch.

Het is hem evenmin als anderen gelukt eene bruikbare brug van het oneindige naar het eindige te slaan, en hij neemt de eindige wezens slechts op empirische gronden in zijn stelsel op, daar hun bestaan uit zijn godsbegrip geenszins a priori volgt. Ook zijne theorie omtrent de betrekking tusschen ziel en ligchaam, tusschen waarnemen en denken, tusschen willen en handelen, is ver van bevredigend. Het is evenwel geen wonder, dat zulke problemen ook voor eenen denker als Spinoza te zwaar waren. Zij behoren tot de verborgene dingen waarvan de kennis ons niet gegeven is, en waarvan dus nooit anders dan eene approximatieve oplossing leveren kunnen. Maar wat in Spinoza's stelsel behartiging verdient, is het volgende:

Vooreerst vindt men bij hem een schat van menschenkennis, die hoewel aprioristisch gedemonstreerd, evenwel op naauwkeurige waarneming en zielkundige ontleding berust. Zijn statistiek der hartstogten is meesterlijk. Vooral uit een paedagogisch oogpunt is de studie van deze leer bijzonder aan te bevelen, want niets is meer noodig om de hartstogten goed te behandelen, dan ze bekoorlijk te kennen. Ook vindt men bij hem de ware beginselen der verdraagzaamheid en leert de kracht gevoelen der bede van Christus: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen;” daar wij duidelijk leeren inzien, hoe vele dingen, die ons vroeger vertoornden, een gevolg zijn van het standpunt waarop de menschen geplaatst zijn, zoodat zij op dit standpunt in de onmogelijkheid waren, om anders te handelen.

Verder is geen boek meer dan de Ethica van Spinoza geschikt om de hooge waardij der Christelijke zedeleer te doen gevoelen, want Spinoza toont overtuigend aan, dat de voorschriften dier zedeleer niets zijn dan de uitspraken der rede, en dat zij geenszins de strekking hebben om alle levensvreugd te vergallen, maar integendeel om den mensch waarlijk gelukkig te maken, doordien zij hem tot waarachtige vrijheid en kalmte doen komen, zoodat de deugd, wel verre van ons nu te plagen, om ons hier namaals te beloonen, ons reeds hier, dadelijk, gelukkig doet wezen. Door de studie der Ethica van Spinoza wordt men in der daad overtuigd, dat de deugd het hoogste goed is, en leert begrijpen, wat Christus bedoelde, toen Hij zeide: “die in Mij gelooft heeft het eeuwige leven.” Eindelijk toont Spinoza duidelijk aan, welke heiligmakende en zaligmakende kracht eene verlichte Godskennis heeft, daar zij de ziel ruimer maakt en boven den kring verheft, waarin deze door de hartstogten wordt rondgeslingerd, zoodat alleen door haar ware vrijheid mogelijk is, hetgeen de wijsgeerige uitdrukking is voor de verhevene leer der protestantsche kerk: “de zaligheid is uit het geloof.”

Spinoza heeft, hoezeer hij het historische gedeelte van het N.T. slechts gedeeltelijk aannam, het Christendom hoog gewaardeerd, en zijne wijsbegeerte moet beschouwd worden, als eene poging om hetgeen hij als het wezenlijke des Evangelies aanmerkte, in een stelselmatigen vorm te brengen. Of hem dit geheel gelukt is, is eene andere vraag, of liever dit moet ontkend worden. Hij heeft eigenlijk de leer door Paulus te Athene verkondigd: “in hem leven wij, bewegen wij ons, en zijn wij, wij zijn van zijn geslacht,” en hetgeen Christus zeide: “de waarheid zal u vrij maken”- “die de zonde doet, is een dienstknecht der zonde” wijsgeerig ontwikkeld en deze ontwikkeling is meesterlijk; maar er is meer in het Evangelie dat hem te zwaar was, om te doorzien, dewijl zijn Godsbegrip nog te onbepaald was “God is liefde,” zegt het N.T. Dit heeft Spinoza slechts gedeeltelijk begrepen. Zijn God is de eeuwige, die het bestaan in zich zelf heeft, maar het christelijke begrip van Vader heeft hij niet gevat.

Hiermede konden wij van den lezer afscheid nemen, en hem tot het boek van Auerbach laten overgaan, zoo het niet noodig scheen nog een paar woorden van den Talmud en de Cabbala te zeggen.

Over den Talmud lezen wij in een werkje, bepaald ten gebruike van Israëlieten vervaardigd,* onder anderen het volgende: “De Misna is de verzameling van alle bijzonderheden, aan Mozes den man Gods op den berg Sinai (Ao. 2448) medegedeeld ter opheldering van de geschrevene wet. Zij werden gedurende veertien eeuwen van het eene geslacht aan het andere van mond tot mond overgeleverd, en dragen daarom dan ook den naam van de mondelinge wet.
De beroemde Rabbenu Jehuda Hanasi vreesde, dat de voortplanting der gewijde overlevering door de vervolgingen der heidensche overheden, waaraan zich vooral de wreede Hadrianus schuldig maakte, gestuit zou worden, en vatte daarom (volgens sommigen Ao. 3901) het besluit op uit al die overleveringen een geschreven wetboek te vervaardigen.
Naauwlijks was die verzameling in Israël bekend of de beroemdste Academieleeraars in Palestina en Babylonië maakten het zich tot gezette taak, de meeningen en stellingen in de Misna voorkomende te verklaren en op te helderen.
Hun arbeid wordt Gemara genoemd. Het werk in Palestina vervaardigd, en daarom den naam van Jerusalemitischen Talmud dragende, heeft Ao. 4230, en dus vier eeuwen na de verwoesting des tweeden tempels, door Rabbi Jochanan, opperhoofd der academie te Jabné, zijn beslag gekregen; terwijl dat van de Babylonische academiën, den naam voerende van Babylonischen Talmud, nog vier en dertig jaren later, Ao. 4264, is bijeengebragt door Rab Asse, in het veertigste jaar zijner waardigheid als rector der academie te Sora. Hij bragt dien arbeid niet ten einde; dit geschiedde door sommigen zijner leerlingen onder opzigt en medewerking van Rabina.

De Cabbala is eene soort van wijsbegeerte, die door mondelinge overlevering voortgeplant zoude zijn, doch later is opgeschreven. Zij berust op de Oostersche emanatietheorie. Volgens haar zijn alle dingen in trapsgewijs afnemenden graad van volkomenheid uit het ééne, oorspronkelijke, goddelijke wezen ontwikkeld. Dit wezen heet Ensoph, of het oorspronkelijke licht, en de trappen der ontwikkeling heeten Sephiroth, lichtstroomen of verlichte kringen, waarvan er denkelijk in navolging van Pythagoras tien worden aangenomen. De Cabbalisten spreken echter, naar het getal der 4 elementen, ook van 4 werelden, welke zij Aziluth Briah Jezirah en Aziah noemen, en zoodanig rangschikken, dat de hoogere telkens in de lagere gegrond doch volkomener is dan deze. In de wereld Aziluth zijn derhalve de elementen tot de hoogste en zuiverste eenheid verbonden, zoodat daarin geene verandering en geen gebrek is. Den oorspronkelijken mensch of eerstgeboren Zoon Gods noemen zij Adam Kadmon of ook Messias, door wien al het overige van God uitstroomde en nog uitstroomt, zoodat God de inwonende oorzaak is van alle dingen. Dus is eigenlijk al het bestaande van geestelijke natuur, en de zoogenaamde stof is slechts door verdigting van het uit Ensoph stralende licht ontstaan, en dus als het ware de uitgebrande kool van het goddelijk wezen. Met deze theorie is eene even zoo phantastische daemonologie, magie en theurgie verbonden. Dit alles zou in den Bijbel bevat, doch slechts door eene bijzonder kunstige soort van exegese daaruit te halen zijn. Gewoonlijk stelt men het ontstaan dezer zoogenaamde wijsbegeerte op het einde der eerste, of het begin der tweede eeuw na Christus, en als haren stichter noemt men rabbi Akibha en zijnen zoon Simeon ben Jochai, hoezeer anderen hen slechts voor ontwikkelaars en uitbreiders eener veel oudere leer van deze soort houden. Aan deze twee mannen worden dan ook de beide, waarschijnlijk ondergeschoven, geschriften, welke de hoofdbronnen zijn der Cabbalistiek, toegeschreven, namelijk aan genen het boek Jezirah aan dezen het boek Sohar. Velen houden evenwel het boek Habbahir voor nog ouder. Hoezeer nu de Joden hunne Cabbalistiek zeer geheim hielden, werd zij toch langzamerhand meer bekend, zelfs onder de Mohammedanen en Christenen. Men vindt dan ook in de I5e en 16e eeuw, toen de naam Cabbala meer in omloop kwam, verscheidene geleerden die zich veel daarmede bezig hielden, en ze met Nieuwplatonische wijsbegeerte natuurkunde, geneeskunde, enz. zochten te verbinden, zoo als Pomponatius, Ficinus, Paracelsus, enz.

Hiermede besluit ik dit voorberigt in de hoop dat het iets moge toebrengen om de verspreiding te bevorderen van een boek dat zulks ten volle verdient.

Doesborgh,
27 Februarij 1856                                                             D Burger Jr

 

*) Iets over de Misna, de Gemara en de Methodologie des Talmuds. Uit de beste bronnen bijeen gebragt door S.I. MULDER, Doctor in de wijsbegeerte en Inspecteur der Israëlitische scholen.