De attribuut-definitie [5 en slot] evaluatie van enige vertalingen

Sinds de vorige blogs is de vertaling van de vierde definitie van het eerste deel van de Ethica, “Per attributum intelligo id, quod intellectus de substantia percipit, tanquam ejusdem essentiam constituens,“ niet meer als ‘apert lastig’ te zien. Ik kwam in het vorige blog uiteindelijk uit op deze vertaling, die zowel juist als m.i. begrijpelijk is; een kleine variant op de vertaling in het vorige blog: Onder attribuut versta ik datgene, waarvan het verstand begrijpt dat het de essentie van de substantie laat zien (representeert).

Er is geen enkele verwarring meer of attributen iets met de totstandkoming van (een of meer) essentie(s) van doen heeft (niet dus: het is de essentie die zich uitdrukt in en via de attributen). Het is ook duidelijk dat attributen niet alleen maar ‘iets van het verstand’ zijn (entia rationis). Wat de rol is van het attribuut voor het verstand (voor ons) is duidelijk: laten zien, aanwijzen, tonen van de essentie van de substantie – elk op hun eigen manier of ‘in hun eigen soort’. Daarmee is ook de belangrijke rol van het verstand helder. En de mogelijke verwarring dat het constitueren (maken) op het verkeerde object betrokken wordt (de essentie, i.p.v. op de kennis van de essentie) is eveneens weggenomen (door die term niet meer te gebruiken, maar te vertalen zoals bedoeld moet zijn).

Op het eind van het vorige blog, terugkijkend naar de reeks vertalingen die ik in het blog daarvóór gaf, bleek die van de Nagelate Schriften hiermee het meest overeen te komen, hetgeen toch wel opvallend genoemd mag worden. Het is een indicatie ervoor dat Spinoza met ‘constituens’ ‘stellend’ bedoelde, zoals zijn vriend Pieter Balling, de waarschijnlijke vertaler van de eerste twee delen van de Ethica, waar staat:

“By toeëigening (Attributum) versta ik 't geen, dat het verstant (Intellectus) wegens de zelfstandigheit (Substantia), als haar wezentheit (Essentia) stellende (Constituens), bevat (Concipere).” [Nagelate Schriften]

Als men vanaf het begin bij alle vertalingen die van de Nagelate Schriften had geraadpleegd, was wellicht héél wat onduidelijkheid en misverstaan van de Ethica voorkomen.

Op de negen andere Nederlandse vertalingen terugblikkend het volgende:

Dionijs Burger, “Door eigenschap versta ik dat wat het verstand van het zelfstandige wezen begrijpt als zijne wezendheid uitdrukkend,” lijkt het goed begrepen te hebben, maar hij leent hier het woord ‘uitdrukken’ uit de godsdefinitie. Ik zal zodadelijk aangeven, waarom dat toch eigenlijk niet passend is, om al in deze definitie te gebruiken.

W. Meijer heeft ‘behoorende tot’, hetgeen ik als twijfelachtig beschouw; het geeft onvoldoende weer wat via het verstand de attributen geacht worden tot stand brengen.

Wim Klever vertaalt "[o]nder ‘eigenschap’ (attributum) versta ik dat wat het verstand van de zelfstandigheid begrijpt als haar wezen constituerend". Hij gebruikt ‘constituerend’ met alle onduidelijkheid van dien: wat betekent constitueren en waar verwijst het naar – wat wórdt er geconstitueerd?

Henri Krop vertaalt “[o]nder een attribuut versta ik een zaak die het verstand kent als iets dat het wezen van een substantie vormt;” hetgeen twee problemen oplevert: het gebruik van ‘vormt’ is apert onjuist: alsof het attribuut de essentie vormt in de zin van: maakt. Niet dus, daarover is inmiddels genoeg gezegd. Bij zijn vertaling valt ook weg dat een attribuut 'dat' is wat het intellect waarneemt 'van' een substantie.

Uitmaken’?
Herman Gorter, J.C. Logeman, Van Suchtelen, Ferd. Sassen en Wiep van Bunge maken gebruik van een of andere vorm van ‘uitmaken’. Dit is de meest voorkomende manier van vertalen in het Nederlands; en ik beschouw het gebruik van dit werkwoord als uiterst onduidelijk. ‘Uitmaken’ in welke zin? Wat betekent ‘uitmaken’ hier? Welk werk wordt het werkwoord ‘uitmaken’ geacht hier te verrichten? Ik bekijk daarvoor de betekenissen zoals ik die in Van Dale (ik heb uitgave 1970) aantref:

1. wegmaken, doen verdwijnen – is hier zeker niet van toepassing;

2. (wat geschreven is) doorhalen, uitwissen - is hier zeker niet bedoeld;

3. afbreken, verbreken, (een verloving uitmaken) - is hier ook niet van toepassing;

4. (samen) vormen (de koning en de ministers maken de regering uit) – zou Henri Krop hieraan gedacht hebben? Alle attributen vormen samen de substantie? Maar hoe dat dan in een in enkelvoud gestelde definitie begrijpen? Kortom, ook deze betekenis kan het niet zijn.

5. zich in de genoemde mate doen gelden, te betekenen hebben, beduiden (wat maken nu f10 op een hele rekening uit?; voor hem maakt dat niets uit) – kan hier niet van toepassing zijn;

6. tot een besluit brengen, beslissen, bepalen, voor het zeggen hebben wat er gebeuren zal (de dienst uitmaken; ik kan niet uitmaken wat daar staat) – definitief vaststellen (dat de aarde om de zon staat is uitgemaakt; dat is moeilijk uit te maken) – ? (zie hierna)

7. uitschelden (iemand voor leugenaar uitmaken) – kan eveneens hier niet van toepassing zijn.

Ik vrees dat de onder 6 vermelde de enige overblijvende betekenis is die in de attribuut-vertalingen beoogd zou kunnen zijn, in de zin van: bepalen, resp. definitief vaststellen. En dat lijkt me toch geen juiste en in ieder geval geen duidelijke betekenis. Dan is louter ‘stellen’ van de Nagelate Schriften helderder. Kortom, ik stel voor het gebruik van ‘uitmaken’ wegens onduidelijkheid in vertalingen van het attribuut-artikel te vermijden.

‘Uitdrukken’?
Tot slot: had Spinoza in de attribuut-definitie niet beter ‘uitdrukken’ kunnen gebruiken? Zoals
Dionijs Burger in zijn vertaling deed? Ik heb dat eerder ook gemeend, maar ben er inmiddels van overtuigd dat Spinoza dat op deze plaats niet kon doen; hij wist heel precies wat hij deed. Zoals eerder gezegd, hij mocht er vanuit gaan dat het constitueren als ‘stellen’ of ‘tonen’ gelezen zou worden. Het gebruiken van de term ‘uitdrukken’ paste hier nog niet. Dat kon hij pas doen, nadat hij had vastgesteld dat de enige substantie God is. En het is de macht van God die zich in en via de attributen uitdrukt. Attributen drukken op of uit zichzelf de essentie niet uit: het is de essentiële macht van God die zich uitdrukt in en kenbaar maakt door de attributen. In dit beginstadium van definiëren zit in de substantie en achter attributen nog geen ‘potentia’ vervat en is er van ‘uitdrukken’, ‘exprimere’ nog geen sprake. Dus dient hier nog op een zeer neutrale manier louter de betekenis van de begrippen te worden gedefinieerd. Pas na stelling 11, nadat het bestaan van God bewezen is, en naar Gods essentie=macht toegewerkt is, is de ontologie echt aan de orde – en kan voortaan de term ‘uitdrukken’ worden gehanteerd; eerder niet.

Reacties

Beste Stan,
Veel dank voor je uitvoerige en lovende aandacht mijn artikel (ik kreeg er beetje een kleur van). De vertaling is, zoals je in de navolgende blogs hebt duidelijk gemaakt, erg belangrijk. Daar wil ik graag nog iets over zeggen. Een vertaling wordt naar mijn idee problematisch als er teveel interpretatie in wordt gestopt. Het woord "constituens" wordt in buitenlandse vertalingen steevast 'constituting' en 'constituant'. Als je daar 'vormt' of 'uitmaakt' voor geeft, vertaal je niet zozeer het woord, maar geef je er een bepaalde betekenis aan: een attribuut "is" dan min of meer de essentie. Nu doe jij in jouw vertaling hetzelfde, alleen geef jij er een andere betekenis aan. Ik zou er voor zijn om in het Nederlands, net als in buitenlandse vertalingen, het woord 'constitueren' aan te houden. Hetzelfde ten aanzien van "percipit". Spinoza geeft niet 'conoscere' of 'intelligere' of andere Latijnse woorden die er voor 'kennen' of 'begrijpen' zijn. Buitenlandse vertalingen vertalen 'letterlijk' en geven 'perceives' en 'perçoit' en maken daar ook niet 'kennen' of 'begrijpen' van. In het Nederlands zou naar mijn smaak dan ook het best 'waarnemen' kunnen worden aangehouden. Een goede interpretatie is het meest gediend met een zo letterlijk mogelijke vertaling.
Ik schreef je al dat de vertalingen van Curley, Shirley en Pautrat moeiteloos mijn lezing mogelijk maken: 'By attribute I mean that which the intellect perceives of substance as constituting its essence' (Shirley). Een 'equivalente' Nederlandse vertaling zou kunnen zijn:
"Onder attribuut versta ik wat het verstand van een substantie waarneem als dat wat haar wezen constitueert". Of: "Onder een attribuut versta ik dat wat het verstand van een substantie waarneemt als hetgeen (dat wat) haar wezen constitueert."

Wel heel frappant die vertaling in de Nagelate Schriften!

Ik heb dus geen commentaar op de 'vertaling' van de vertaling, maar zou als directe vertaling liever een neutralere versie zien.

Henk, ik heb geen moeite met je pleidooi om 'percipere' te handhaven. Maar ik vind wel jammer dat je 'constitueren' wilt handhaven, daar het - in ieder geval in het Nederlands - een zeer onduidelijk begrip is (zowel onduidelijk wat het betekent als waarop het betrekking heeft). Mijn vondst is juist dat het én aan jouw lezing gehoor geeft én (onder verwijzing naar Lucretius en de Nagelate Schriften) een letterlijke vertaling is. Mijn punt is dat Spinoza díe betekenis voor ogen moet hebben gestaan en dat de vertaling dus neutraal is (en niet een vertaling van een vertaling). De woordklank doet er toch niet toe? Het gaat om betekenis.

Dat is wel zo, maar Spinoza heeft het WOORD 'constituens' gebruikt. Waarschijnlijk had het woord ook toen een scala aan mogelijke betekenissen, maar hij laat het aan de lezer over om de bedoelde betekenis te vatten uit de contekst. Dat was zijn keuze, hij had misschien ook een specifieker woord kunnen gebruiken. 'Constitueren' lijkt me het analoge woord voor 'constituere' (waarschijnlijk ook daarvan afgeleid), ook met een (beperkt) scala aan betekenissen. Ik denk dat we dan in de vertaling de weg van Spinoza moeten volgen en dan is de 'onduidelijkheid' van het woord juist een goede vertaling. Uit de contekst moet duidelijk worden wat de bedoelde betekenis is, juist als indertijd in het Latijn. Maar dit is natuurlijk wel vertaalkunde van de koude grond.