De attribuut-definitie [4] Hoe juist en begrijpelijk te vertalen? [2]

In dit vierde blog over de vierde definitie van het eerste deel van de Ethica [“Per attributum intelligo id, quod intellectus de substantia percipit, tanquam ejusdem essentiam constituens“] doe ik dan eindelijk een voorstel voor een vertaling van deze als zo apert lastig geziene tekst. Je kunt de betreffende definitie eigenlijk pas goed vertalen als je hem begrepen hebt, maar om hem goed te begrijpen moet je hem goed kunnen vertalen. De bekende vicieuze cirkel van het vertalen, zeker van niet eenvoudige filosofische teksten. Er zijn goed beschouwd twee mogelijke onduidelijkheden en dus valkuilen: 1) wat is de betekenis van ‘constituens in de definitie – ‘constituerend'?

2) waarop slaat het constitueren? Moet het worden toegepast op het attribuut of op de idee van het attribuut?

[Ad 2] Over dat laatste ging het in de vorige blogs, eerst over het lezen van de definitie vanuit de ‘formele distinctie’ van Duns Scotus en vervolgens over Henk Keizer’s artikel volgens welke 'constitueren' niet moet worden betrokken op het wezen van de substantie (de formele zaak) maar op de idee van het wezen van de substantie (de objectieve zaak). De definitie is dus te lezen als: de waarneming (de perceptie) van het attribuut constitueert (brengt tot stand) de waarneming van het wezen van de substantie. Keizer toont aan dat het gaat om een ontologische definitie over een stand van zaken in de werkelijkheid, die is ingekleed in een epistemologische definitie over hoe wij tot kennis over die werkelijkheid komen.
Daarin zit dus de rol van het verstand in de definitie. In dat artikel stelt hij dat “een attribuut drukt het wezen van de substantie uit” (zoals dat voorkomt in de Godsdefinitie) precies de ontologische KEERZIJDE is van de episteologische 4e definitie 'de waarneming van het attribuut constitueert de waarneming van het wezen van de substantie.' De definitie zou dus uiteindelijk - in simpeler taal gesteld -uitkomen op: je leert het wezen van de substantie kennen via het kennen van de attributen. Dit is de belangrijkste van de twee kwesties, namelijk waarop het constitueren slaat - waarop het dient te worden toegepast: NIET op het wezen van de substantie, maar op DE IDEE van het wezen van de substantie. Dat is goed beschouwd het 'revolutionaire' van Keizers artikel.

[Ad 1] Hieraan ontleen ik het richtsnoer bij mijn zoektocht naar die andere kwestie: wat is de betekenis van 'constitueren' in de definitie? Nu wil ik het dan eindelijk gaan hebben over een mogelijk duidelijkere  vertaling van de attribuut-definitie. Daarbij gaat het me, zoals inmiddels duidelijk zal zijn, vooral om het laatste woord. Ik zou graag een vertaling van ‘constituere’ vinden die de genoemde verkeerde lezing (verkeerde betrekking) zo mogelijk voorkomt. Daar kom ik zo op –  ik loop de andere woorden eerst ook even na.

  Volgens mij is er geen enkel probleem om attributum onvertaald te laten. Je ziet vertalingen zoals eigenschap, wezenskenmerk en grondeigenschap, maar overwegend blijft tegenwoordig gewoon attribuut staan. Als technische term zie ik daartegen geen bezwaar; als hij maar goed omschreven wordt.

  Er is grote overeenstemming om “intelligo” met “versta ik” te vertalen. Dat is duidelijk correct en heeft het voordeel dat niet een stipulatieve definitie wordt gesuggereerd, daar in die woorden enigszins meeklinkt dat Spinoza weergeeft wat hij zelf van een reële, objectieve stand van zaken heeft begrepen.

  Dan de woorden “id, quod intellectus de substantia percipit.” Hoe hier ‘percipit’ te vertalen. Percipere als waarnemen kan, maar dat is dan wel een soort metaforisch taalgebruik dat in een definitie eigenlijk niet past. Spinoza, die altijd zeer sober is met voorbeelden, heeft het wel eens gehad over “bewijzen als de ogen van het verstand,” maar wat een intellect doet is: begrijpen, verstaan (maar ook dat is eigenlijk metaforisch). Waarnemen of verstaan is voorbehouden aan de zintuigen (gezicht en gehoor). Nu hebben we in het Nederlands een mooi equivalent voor begrijpen: inzien, waarin nog iets van dat waarnemen meeklinkt. We kunnen straks kiezen tussen ‘begrijpen’ of ‘inzien’.

Nu is het zo dat Spinoza bij de definitie van ‘idee' (def. 3 in deel 2) uitlegt dat hij daar liever het werkwoord concipere gebruikt dan percipere, daar waarnemen zien indiceert, alsof dan de geest door het voorwerp wordt aangedaan, terwijl de term concept meer een handeling van de geest uitdrukt. Hetgeen dus een indicatie ervoor is dat Spinoza bij de definities in het eerste deel heel goed weet wat hij doet als hij daar wel percipere en niet concipere gebruikt. In de atribuut-definitie wordt het intellect dus door het attribuut als het ware aangedaan, zodat het intellect als het ware ‘waarneemt’. (Een indicatie extra voor het ongelijk van Wolfson die meende dat het een ‘uitvinding’ van het intellect betrof.)

  De substantia” is: “van de substantie” of “over de substantie” – nog een technische term moet geen bezwaar zijn als we eenmaal weten waar dat begrip naar verwijst, namelijk alles wat erover in de definitie ervan wordt gezegd. Dat vangen we met een vertaling als “zelfstandigheid” niet op, want ook daarvoor moet naar een definitie worden verwezen.

  Tanquam: als, zoals, als het ware, bijvoorbeeld. Volgens S. Paul Kashap [Studies in Spinoza: Critical and Interpretive Essays. University of California Press, 1973] komt het behalve in deze definitie nog negenentwintig keer voor in de Ethica, in zesentwintig gevallen waarvan het de betekenis van ‘als’ heeft; zo ook hier. Maar als de participium praesens (constituens) niet behouden hoeft te worden, zal ook tanquam kunnen vervallen.

  Essentia’ kunnen we als ‘de essentie’ laten staan, maar teveel technische termen moeten we niet in een definitie willen hebben, dus zou het wellicht toch beter zijn om te vertalen met ‘het wezen.’

  Komen we nu op dat woord dat voor zoveel verwarring heeft gezorgd: constituere.

Toen ik in Latijnse woordenboeken waartoe ik in de openbare bibliotheek van Maastricht toegang had, op zoek ging naar een betekenis van constituere die past bij de boven gegeven uitleg, stuitte ik in de Oxford Latin dictionary (Oxford, At the Clarendon Press, 1968) op deze 10e betekenis: to set forth, present (a case, argument, evidence), to show (as). Als voorbeeld werd daarbij gegeven een zinnetje uit Lucretius’ De Rerum natura: “ex sensilibus qui sensile posse creari constituunt.” [De vertaling daarvan laat ik rusten] Maar het feit dat Spinoza bekend was met Lucretius, versterkte mijn overtuiging dat in deze definitie dit werkwoord vertaald moet worden met: tonen, laten zien, present stellen. In een Engels woordenboek op internet kwam ik als mogelijke vertaling van constitute ‘representeren’ tegen – net zo iets.

Dit brengt me dan uiteindelijk na alle overwegingen op de volgende m.i. juiste en beter begrijpelijke vertaling van de 4e ofwel de attribuut-definitie: Per attributum intelligo id, quod intellectus de substantia percipit, tanquam ejusdem essentiam constituens.

Onder attribuut versta ik datgene, waarvan het verstand inziet dat het van de substantie de essentie laat zien (representeert). *)

Dat is dus naar mijn mening een attribuut-definitie in de ware Spinozistische betekenis. Attributen worden niet omgezet in even zo vele ‘essenties’. Er is één substantie, met één essentie die op vele verschillende manieren zich toont. Attributen zijn eigenschappen van de substantie die heel eigen, verschillendsoortige toonbeelden van de essentie van de substantie zijn. Attribuut is ook niet iets dat door het verstand wordt uitgevonden, maar iets dat zich aan het verstand opdringt en waardoor het inziet dat het ‘t wezen van de substantie te zien krijgt. Als ik nu terugkijk naar de reeks vertalingen die ik in het vorige blog gaf, dan komt die van de Nagelate Schriften hiermee het meest overeen. Opvallend!!!

"By toeëigening (Attributum) versta ik 't geen, dat het verstant (Intellectus) wegens de zelfstandigheit (Substantia), als haar wezentheit (Essentia) stellende (Constituens), bevat (Concipere)." [Nagelate Schriften]

 

*) Ik wijs erop hoe in de noot (10 bij Gebhardt) bij § 76 van de TIE Spinoza schrijft "Haec non sunt attributa Dei, quae ostendunt ipsius essentiam, ut in Philosophia ostendam."  De attributen zijn het dus die God's eigen essentie laten zien.

 

In een laatste blog blik ik nog eens terug naar de diverse Nederlandse vertalingen.

 

Reacties

Om ook een duit in het zakje te doen: ik meen dat de NS-vertaling (TOEEIGENING) alle problemen oplost. Heden zouden wij liever TOEKENNING gebruiken. Dat woord duidt aan dat het kennis betreft en heeft bovendien een fysische implicatie of pretentie. We hebben het dan DUS niet over onze kennis (of erger: over wat onze kennis zou constitueren; in dit geval zouden wij ons dus ook weer moeten afvragen wat die constitutie constitueert etc. etc.. Onzin ). Toekenning van uitgebreidheid aan God betekent dat wij weten dat God wezenlijk materie is.

Bedankt voor de duit, Wim, maar het is een beetje een valse munt.
Want wie doet die 'toekenning'? Van wie komt die 'toeschrijving' van eigenschappen aan God? Men heeft dat in de Scholastiek altijd beschouwd als een werkzaamheid van de mens. En ook Spinoza wist heel goed dat filosoferen mensenwerk is. Het gaat dus uitdrukkelijk wél om ONZE KENNIS. Je zegt het trouwens direct na je ontkenning zelf: "Toekenning van uitgebreidheid aan God betekent dat wij weten dat God wezenlijk materie is." WIJ WETEN.
Jammer verder, dat je mijn bijdrage weer zo makkelijk negeert.

Jij, Stan, maakt je eigen problemen. Jij schijnt te willen suggereren dat weten NIET perse wezenskennis is maar slechts iets waarin de mens NIET als het ware 'uit zichzelf treedt' en niet god zelf aanschouwt. Ik ben het zeer oneens met deze veronderstelling. Ik 'attribueer' aan jou nu een miskenning en sofistische verhaspeling van Spinoza's overduidelijke epistemologie, waarmee we van de regen in de drup komen, of liever vanuit het zonlicht in de duisternis. Ik weet wel dat je niet de enige bent die lijdt aan dit postmodernistische onbegrip; het doortrekt een groot deel van de vakliteratuur. Ik had je bijdragen wel degelijk gevolgd, maar kon er geen enkele waarde aan attribueren. Ik mis daarin de essentie van Spinoza's kentheorie of wetenschapsbegrip

Hier kan ik geen touw aan vastknopen, dus ook niet anders reageren dan slechts dit te melden.