De attribuut-definitie [2] De oplossing van Henk Keizer

Vandaag dan, zoals aangekondigd in het inleidende blog, mijn samenvatting en bespreking van het artikel in de British Journal for the History of Philosophy waarin Henk Keizer zijn interpretatie geeft van hoe Spinoza’s attribuut-definitie gelezen dient te worden [cf dit blog]. En zoals het vaak gaat met – ogenschijnlijk - ingewikkelde zaken: als je ze eenmaal goed begrepen hebt en wéét dat dat het juiste begrip is dan word je ook zeker (het ware is immers de norm voor zichzelf en het onware) én dan krijgt het tevens iets vanzelfsprekends (het ware is ook simpel). Het gaat dus om deze definitie die ik maar weer eens geef: Per attributum intelligo id, quod intellectus de substantia percipit, tanquam ejusdem essentiam constituens. [1/Def4]

Uiteraard begint ook Keizer zijn artikel ermee dat Spinoza’s attribuut-definitie een van de meest raadselachtige en problematische onderdelen is van de Ethica en vat ook hij het debat erover kort samen: van de ‘subjectieve’ lezing (attributen zijn alleen iets van ons verstand) en de ‘objectieve’ lezing (attributen zijn een stand van zaken in de werkelijkheid). Daarvoor verwijs ik verder naar het vorige blog. Hij stelt vast dat er tegenwoordig bijna unanieme overeenstemming is over de laatste lezing. Een zwaar argument daarvoor is trouwens dat als attributen louter iets van het verstand zouden zijn, dat van God een Ens rationis zou maken. Want volgens de 6e definitie bestaat God uit een oneindigheid aan attributen; en volgens 1/19 valt God samen met z’n attributen. En ook 1/9 zet ons op het spoor van echte realiteit, want “hoe meer realiteit of zijn een ding heeft, hoe meer attributen er aan toekomen.” Kortom, over het reële van attributen wordt niet meer getwist. Maar dat wil nog helemaal niet zeggen dat het ‘essentiam constituens’ [de essentie constituerend] al bevredigend verstaan wordt. Veel uitleg blijft even enigmatisch als de definitie zelf.

Kritiek op eerdere lezingen
Eerst bespreekt Keizer de oplossingen van enige als gezaghebbend geziene auteurs, Bennett en Della Rocca en ook Donovan krijgt een korte behandeling, over hoe het constitueren van de essentie van de substantie gezien zou kunnen worden. Ik ga daar hier niet nader op in. Bennett ‘lost’ het voor een deel op door te stellen dat ‘essentie’ in de definitie niet zo strikt als bij Descartes genomen moet worden (“the term essence is used without carrying much seriously considered meaning”, p. 62). Ook van Della Rocca, die voornamelijk van het intellect uitgaat, laat Keizer weinig heel. Die komt met twee soorten essenties: ‘essenties van de eerste orde’ wanneer de substantie vanuit de attributen wordt begrepen, die elk verantwoordelijk zijn voor ‘een essentie’ van de substantie. En daarvan afgeleid is er dan een ‘tweede orde essentie’ vanuit God of de substantie gezien, waarop de attributendefinitie niet van toepassing is. Daarnaast blijft ook bij hem de betekenis van ‘constituting’ duister. Keizer laat duidelijk zien dat een oplossing die op een of andere manier met meerdere essenties aan komt zetten, niet strookt met Spinoza’s metafysica. Spinoza ziet attributen als verschillende naturen van de substantie, die echter maar één essentie heeft. Attributen, resp. naturen zijn betrokken op de essentie maar zíjn niet de essentie. Er is slechts één essentie, zoals ook overeenkomt met de definitie van wat essentie is in 2/Def2, zo blijkt uit diverse plaatsen: 1/7d en bovenal 1/34, “Dei potentia est ipsa ipsius essentia.”
Enfin, zo heeft Keizer uitvoerig laten zien (ik kan niet het hele artikel geven) dat elke lezing die attributen ‘de’, of telkens ‘een’ essentie van de substantie doen constitueren (maken) tot contradicties binnen Spinoza’s metafysica leiden. Dus kán dat niet de rol zijn die attributen te vervullen hebben – die interpretaties zijn hoe dan ook invalide. Dat kan ook geen verbazing wekken, want nergens zegt Spinoza zoiets. Overal waar Spinoza het erover heeft doet hij dat onder verwijzing naar het intellect. Nergens zegt hij dat een attribuut ‘de’ of ‘een’ essentie is; wel spreekt hij van ‘tot uitdrukking brengen’ (exprimere) en ‘insluiten’ (involvere) van de essentie [1/19d].

Vervolgens krijgt dit laatste een aparte paragraaf, namelijk over deze laatste, andere manieren waarop Spinoza over attributen spreekt: zij drukken de essentie van de substantie uit. Het wezen van God is kracht en wel een altijd werkende kracht. Elk attribuut drukt de essentie van de substantie uit ‘op z’n eigen manier’ [1/16d]. De ene essentie manifesteert zichzelf in elk van de attributen. Dezelfde, ene kracht (en de eraan inherente wetten) drukt zich uit in elk attribuut, ‘elk in zijn soort.’

De eigen lezing van Keizer
Na dit voorwerk komt hij dan met zijn interpretatie van de attribuut-definitie en wat daarin de rol van het intellect is. Het intellect is niet een of andere aparte, autonome instantie, maar is ‘een wijze van denken’: het is het begrijpen zelf (“ipsa intellectio”) [1/31s]. Het begrip van iets, is het idee van dat iets. In het vervolg baseert hij zich geheel op de (we blijven het zo noemen) ‘parallellisme-these’ [2/7]. Daar dit de kern van zijn oplossing vormt, citeer ik hier de volgende twee zinnen:

When an attribute expresses the essence of substance, one is allowed to say that the idea of that attribute expresses the idea of the essence of substance.

[..] It is important, however, to realize that the relationship of parallelism holds for ideas in their ontological respect of ‘being’ and not in their epistemological respect of ‘coming to be known’.

En hierop, op dit inzicht, baseert hij zijn interpretatie van de juiste lezing van de attribuut-definitie. Het is in hun ontologische, ‘formele’ zijn dat de ideeën in eenzelfde causale betrekking staan als die der dingen, niet in hun epistemologisch opzicht van ‘gekend worden’, daarin worden epistemologische regels gevolgd.

Als een attribuut de essentie van de substantie uitdrukt mag men, volgens 2/7, zeggen dat de idee van dat attribuut de idee van de essentie van de substantie uitdrukt.
In de wereld echter van de ideeën, van het kennen, mag men ook vanuit epistemologisch perspectief zeggen: de perceptie van een attribuut brengt voort (constitueert) de perceptie van de essentie van de substantie. Deze ontologische, zowel als epistemologische wijze van zeggen, verwijzen elk naar dezelfde stand van zaken: de ontologische ziet op het formele, werkelijk bestaande idee; de epistemologische ziet op het aspect ‘kennis krijgen van’ (en niet op het formele aspect van attributen en essentie zelf). Het is dus niet, en daar gaat het om, in ontologische zin dat attributen de essentie constitueren.

Zo begrepen klinkt alles ook wel erg vertrouwd. Als een attribuut de essentie van de substantie manifesteert, dan komt er kennis van de essentie tot stand door de waarneming van een attribuut.
Dus de waarneming van een attribuut ‘constitueert’ de waarneming of kennis van de essentie van de substantie. Je kunt zeggen: een attribuut openbaart de essentie van de substantie aan het intellect, maakt die manifest. En zó wordt het uitgedrukt in de definitie:

• het ‘waarnemend intellect’ is het intellect in epistemologisch opzicht.

• het ‘waargenomen attribuut’ is het attribuut, zoals het voorkomt in het intellect, ofwel ‘de idee van het attribuut’;

• de ‘essentie van de substantie’ is de ‘waargenomen essentie’, ofwel ‘de idee van de essentie’.

• kortom, het attribuut en de essentie van de substantie in de definitie, zijn de ideeën ervan, die – via de rol van het intellect dat waarneemt – in epistemologisch opzicht worden gezien.

De kern van de definitie is dus een epistemologische: namelijk het waarnemen van een attribuut constitueert (brengt tot stand) het waarnemen ofwel de kennis van de essentie van de substantie.

De structuur van de definitie [Per attributum intelligo id, quod intellectus de substantia percipit, tanquam ejusdem essentiam constituens] vollediger uitgeschreven, zou dus luiden:

Onder een attribuut versta ik datgene wat door het intellect wordt waargenomen van de substantie, welke waarneming [op zijn beurt] de waarneming constitueert van de essentie van de substantie.

De definitie over een ontologische stand van zaken is dus aangekleed in een epistemologisch jasje.

Hierna laat Keizer nog, als een soort toets, aan de hand van een drietal teksten uit de Ethica, zien dat deze uitleg strookt met hoe Spinoza kennelijk wil dat zijn definitie gelezen wordt. Daarvoor analyseert hij achtereenvolgens 1/4d, 1/20d en 1/19d en toont m.i. op overtuigende wijze aan hoe Spinoza in het gebruik laat zien hoe de betekenis van Def. 4 is dat een intellect de essentie van de substantie leert kennen door de waarneming van een attribuut. Het voert mij te ver om dat in dit blog samen te vatten, maar ik wil wel zeggen dat ik dat sterk vind. Je moet bij Spinoza altijd vooral kijken hoe hij zelf zijn definities en stellingen in latere teksten gebruikt.

Vervolgens laat de auteur ook nog eens uitdrukkelijk zien dat Def. 4 echt een ontologische stand van zaken uitdrukt en dus méér is dan alleen een epistemologisch omhulsel, en dus terecht een definitie van een stand van zaken in de werkelijkheid genoemd kan worden.

Al deze laatste dingen duid ik slechts aan. Blijft nog de vraag, waarom Spinoza deze definitie op zo’n indirecte en daardoor nogal ingewikkelde manier bracht. Volgens Henk Keizer deed hij dat om zo op meer efficiënte, meer eenduidige en meer elegante wijze zijn definitie te brengen.
Als het voordeel van zijn uitleg en lezing ziet Henk Keizer: een transparant, begrijpelijk resultaat welke volkomen past in en coherent is met Spinoza’s verdere metafysica, zonder onopgeloste restjes.

Met dat laatste ben ik het volkomen eens. Als je het (licht) op deze wijze eenmaal gezien hebt, weet je ook dat je het juist gezien hebt. Alleen op deze wijze is de definitie begrijpelijk en passend in de hele filosofie van Spinoza. En ik geloof zeker dat Spinoza graag Ockham’s scheermes hanteerde. En hij mócht er uiteraard vanuit gaan, dat men zou beseffen dat het in het verstand over begrippen, dus ideeën gaat.

Is dit een revolutionaire lezing van de attribuut-definitie of niet. Ik ben benieuwd of uitkomt dat dit, zoals ik een jaar geleden voorspelde, als een 'Explosief attributenartikel' ervaren zal worden. Ik verwacht dat het de komende jaren veel besproken en geciteerd zal worden. En ik denk dat velen zich er door zullen laten overtuigen. Ik voorspel dus dat dit artikel als een waterscheiding zal werken in het verstaan van de attribuut-definitie: de tijd van vóór en van na dit artikel. Zie 't maar als een bescheiden "Philosophic Prophecy" (waarvoor Eric Schliesser hier vandaag zijn criteria geeft).

Dat deze lezing m.i. volkomen strookt met het pleidooi (cf. vorige blog) om Def. 4 te lezen vanuit de ‘formele disctinctie’ à la Duns Scotus, zal niet verbazen wie weet dat het Gilles Deleuze was die hierop wees in zijn boek Spinoza et le problème de l éxpression (1968), waarin de uitdrukkingsmacht, zo’n grote rol speelt (die ook in zijn latere eigen filosofie eveneens zo sterk speelt). Dezelfde centrale rol zie ik ‘exprimere’ spelen in het artikel van Henk Keizer.
Men kan hetzelfde op twee manieren benaderen en bij hetzelfde uitkomen, hetgeen Spinozisten niet zal verrassen.

In een volgend blog ga ik kijken of dit, en welke dan, consequenties heeft voor het vertalen van de attribuut-definitie.

Reacties

Een kleine toevoeging. Deze interpretatie van de attribuutdefinitie stelt ons in staat om de verschillende uitspraken van Spinoza over substantie en attributen samen te brengen in een coherent geheel. Het artikel wordt daarmee afgesloten (omdat cursief hier niet lukt heb ik deze vervangen door hoofdletters)

1. SUBSTANCE consists of ATTRIBUTES.
2. Attributes make up the NATURE of substance.
3. The active power and its inherent laws make up the ESSENCE or ABSOLUTE NATURE of substance.
4. Each attribute INVOLVES and EXPRESSES the essence of substance.
5. Each attribute EXPLAINS the essence of substance and substance itself (reveals them to the intellect).
6. The perception of an attribute CONSTITUTES (brings about) the perception of the essence of substance (= the attribute definition).