David Hume (1711 - 1776) Wetenschappelijke Ethica van een overtuigd Spinozist - Wim Klevers recentste boek

Vlak voor hij op 23-jarige leeftijd in 1734 naar Frankrijk vertrok, stelde David Hume een brief op aan een arts in Londen, die hij waarschijnlijk niet verstuurde. Hij schrijft erin over een crisis die hij doormaakte. Hij begint met een terugblik op vijf jaar eerder: "Toen ik achttien was opende zich voor mij een geheel nieuw perspectief (a new scene of thougt) dat mij buiten mijzelf bracht van verrukking.” “Maar”, schrijft de inleider van het Traktaat, “dan beschrijft hij dat hij niet verder komt. Het blijkt dat hij voor de uitwerking van zijn nieuwe inzichten nergens enige steun vond.” Hij werd er ziek van. Men breekt zich het hoofd over wat die ‘new scene of thought’ geweest kan zijn.

Zou men na lezing van dit blog en nóg meer na lezing van Wim Klevers laatste in eigen beheer uitgegeven monografie, waarover dit blog gaat, niet het vermoeden krijgen dat het de ontdekking van Spinoza was die Hume zo opwond? Zou het niet kunnen zijn dat hij in de gaten had gekregen waar zijn ‘voorgangers’, Locke en Mandeville hun mosterd vandaan hadden? En zal hij niet de overtuiging hebben gekregen dat uit die bron veel meer mosterd te halen was? En zou dat dan niet zijn Traktaak over de menselijke natuur worden?

De fraai uitgegeven Boom-uitgave van David Hume’s Traktaak over de menselijke natuur staat al enige jaren ongelezen in mijn boekenkast. Nadat ik de sectie “over de onstoffelijkheid van de ziel” had gelezen, waarin Hume zich volgens de toelichter keert tegen Spinoza’s doctrine van de eenvoud van het universum etc. hield ik het verder voor gezien. Hume kon mij niet boeien en ik vond hem veel te breedsprakerig – miskoop, enfin ik liet het er bij. Nu haalde ik er de informatie over die brief uit.

Intussen heeft Wim Klever mij met zijn derde deel in zijn serie over “Spinoza in Engelse bewerking” kunnen overtuigen van Hume’s enthousiaste leerlingschap van Spinoza. Na zijn monografieën over John Locke (1632-1704). Vermomde en miskende Spinozist (hier besproken) en Bernard Mandeville (1670-1733). Cynisch essayist op basis van Spinoza’s Ethica (hier besproken) was het nu de beurt aan David Hume (1711-1776). Wetenschappelijke Ethica van een overtuigd Spinozist. [Zie hier het blog met de aankondiging en bestelinformatie]

Stapje voor stapje, de volgorde van Hume’s Traktaat volgend, ontrafelt Klever het crypto-Spinozisme van Hume. Waarom moest alles zo stiekem en onder verwerpingen verstopt worden? Dat kon niet anders. Het was in die tijd van negatieve en gedemoniseerde beeldvorming van Spinoza als een gevaarlijke tot atheïsme aanzettende ketterse filosoof, veel te riskant om sympathie met zijn denkbeelden te tonen. Aanhangers konden ernstig vervolgd worden. Van wie Spinozistische sympathieën vermoed werden, konden een behoorlijke maatschappelijke carrière wel vergeten. Als iemand, zoals Locke, Mandeville en dus ook Hume eigenlijk eenzelfde denklijn hadden als Spinoza, denklijnen die zij dan ook bij Spinoza gevonden hadden, dan was verwijzen naar Spinoza wel het laatste wat ze deden. Nee, zij probeerden Spinoza zo goed mogelijk te verbergen door andere woorden te gebruiken of dingen in andere volgorde te brengen dan Spinoza het deed. Maar goed verstoppen is kennelijk nog niet zo eenvoudig. Zo enigmatisch blijkt Hume dan toch ook weer niet te zijn of Wim Klever kan heel wat overeenkomstige denklijnen en woordvolgorden aanwijzen. Telkens weer is hij in staat enige zinnen van Hume naast die van Spinoza zetten, waarmee hij aantoont dat Hume heel veel leentjebuur speelde bij de door hem kennelijk bewonderde Spinoza. En het gaat bepaald niet om eens hier of daar een ontlening, nee het gaat om een grote verzameling bewijsplaatsen die het waarschijnlijk maken dat Hume bij het schrijven de Opera Posthuma of de TTP opengeslagen op zijn tafel had liggen.

Klevers vertrekpunt is het Traktaat over de menselijke natuur, aangevuld met latere uitbreidingen in o.a. de Essays. In zijn kenleer, de manier waarop wij kennis opdoen is Hume helemaal terug te brengen naar Spinoza, maar ook zijn antropologie leunt op de radicale menskunde van Spinoza, hij volgt in hoofdlijnen diens passieleer, waarbij hij om zand in de ogen te strooien de passies in heel andere volgorde behandelt en hier en daar wat andere accenten legt, maar de hoofdlijnen inzake de pijn en het genot die iemand sterker of juist zwakker maken: hij volgt nauwgezet de aanpak van Spinoza. Ook in de moraal en ook in de politiek, telkens en telkens weer baseert Hume zich op Spinoza. Zelfs toont Klever aan het eind aan – en dat is een behoorlijke opmerkelijke vondst – dat Hume Spinoza zelfs volgt wat betreft zijn eerste Ethica-deel en tot een gelijke natuuropvatting komt (Deus sive natura, zij het niet met die woorden) als Spinoza.

Je verbaast je erover, als je deze grote verzameling bewijsplaatsen leest, dat over de erkenning van Hume’s Spinoza-afhankelijkheid geen consensus onder de Hume-geleerden bestaat. Richard Popkin was de eerste die verwantschap zag en erover begon, maar die gaf geen ellenlange lijst van voorbeelden, maar had het meer over de algehele sfeer. Klever zelf had al eens eerder over de Spinoza-connectie geschreven, hetgeen tot enige discussie had geleid (die artikelen zijn op benedictusdespinoza.nl in een box onder secundaire literatuur bijeengezet). Eigenlijk heeft alleen de Italiaanse Emanuella Scribano de verwantschap van Hume met Spinoza scherp gezien. Klever geeft uit haar laatste boek een uitvoerig citaat, waarin dit wordt onderstreept. Maar zelf zet hij ons een overvolle ruif voor waarin hij maar bij blijft scheppen (soms moet je z’n monografie even wegleggen wil je niet overvoerd raken).

Maar onder Hume-geleerden is dat Spinoza-verband niet gekend. Of misschien wíl men het niet erkennen. In de uitvoerige toelichting op de vertaling van de Traktaat-vertaling waarmee ik begon, geen woord over Spinoza. Een boek, een soort reader  over David Hume Filosoof van de menselijke natuur, onder redactie van Patricia de Martelaere en Willem Lemmens (Pelckmans, 2001) geen woord over Spinoza. Diens naam valt alleen in de Personalia aan het eind bij Herman De Dijn, een van de auteurs. Van de laatste, die Spinoza én – vooral – Hume als specialiteiten heeft, snap ik er volstrekt niets van dat hij nooit tot vergelijking tussen Hume en Spinoza is gekomen. Alleen in het artikel “Promise and Ritual: profane and sacred symbols in Hume’s philosophy of religion”; [in: Journal of Scottish Philosophy 1:1 (2003), p. 57-67, hier], ziet hij enige overeenkomst met Spinoza, maar dat wordt slechts in het voorbijgaan gemeld. Hij legt er geen nadruk op.

Je moet dus niet alleen goed thuis zijn in het werk van beide filosofen, het vergt ook een speurders-inzet en behoorlijk wat inspanning om de ‘dubbele bodem’ die Hume soms aanbrengt te zien: namelijk buitenstaanders in de waan laten, maar insiders een diepere boodschap meegeven.

Ik wist, dat moge duidelijk zijn, nauwelijks iets van Hume, niets meer dan je uit geschiedenissen van de filosofie opdoet of uit zo’n boekje als ik daarnet noemde. Mij heeft Klever overtuigd dat Hume als uitlegger en toepasser van Spinoza een prima leermeester is om geïnteresseerden nader in Spinoza in te wijden. Je kunt zoals Klever laat zien aan de hand van Hume meer van Spinoza gaan begrijpen. Ik ben nu dan ook zeker van plan (als ik ooit de tijd heb…) om mij in dat behoorlijk uitvoerige Traktaat te verdiepen – om mee op te merken hoe hij daarin eigenlijk Spinoza brengt. Ik ben dan tevens benieuwd naar hoeveel Hume daarnaast toch helemaal van zichzelf blijkt te hebben. Gezien zijn opzet is duidelijk dat Klever uit Hume’s teksten de gelijkluidende passages waarin Spinoza te herkennen is levert. Over de eventuele rest horen we natuurlijk niets.

Wim Klever heeft een geweldige prestatie geleverd. Het is heel veel dat hij brengt. Soms wel eens iets té veel. In zijn enthousiasme ziet hij zelfs het gebruik van de term propositie als een verwijzing naar Spinoza. Misschien is dat zo, maar misschien niet en moeten wij hem dat vergeven.

Het is te hopen dat het vele werk dat hij met dit boek verrichtte mag doorsijpelen naar de wereld van de Hume-geleerden die wellicht helemaal geen behoefte hebben aan een indringer, die zich met ‘hun’ vakgebied komt bemoeien. Maar je kunt ook zeggen: hier wordt een heel nieuw studieveld ontsloten dat onderzoekt hoeveel méér de 17e eeuw (en dan vooral Spinoza) in de 18e eeuw doorwerkte dan men – ook na het werk van Jonathan Israel - geneigd is toe te geven. De Engelse Verlichters lijken zo misschien minder nieuw en oorspronkelijk dan eerder leek, maar op het tweede gezicht zou juist lijken dat het om een echt nieuw perspectief gaat.

Ja, als ik alles nog eens overzie, zou het mij niets verbazen als Hume’s ‘new scene of thought’ te maken had met zijn ontdekking van de grootheid van de alom verguisde Spinoza. Als je in een zo vijandige omgeving de waarde van Spinoza inziet, zou je daar toch ziek van worden: hoe dat aan te pakken?

Wim Klever schrijft hoe positief vervolgens de invloed op Hume was van Chevalier Ramsay met wie hij in Frankrijk veel optrok. En die Ramsay was dan wel bestrijder van Spinoza, maar kon ook best wel eens zeer gecharmeerd van Spinoza zijn geweest van wie hij veel studie had gemaakt (zie hier het blog over Ramsay). In ieder geval zullen die twee vrienden elkaar flink in hun Spinoza-studie hebben gestimuleerd.

Net als intussen Pierre Bayle’s  gefascineerdheid door Spinoza genoegzaam is aangetoond en we nu zijn typering van Spinoza’s ‘monsterlijke hypothese’ als afleidingsmanoeuvre of rookgordijn zien, zo wordt het de hoogste tijd dat ditzelfde mechanisme van oppervlakkig rookgordijn boven diepgaande instemming met en bewondering voor Spinoza ook bij Hume wordt ingezien.