Breviarium Spinozanum: woorden zijn van de verbeelding

Soms springen reacties op blogs erg heen en weer tussen enerzijds het bespreken en analyseren van begrippen van standen-van-zaken (echte kwesties) en anderzijds het verstaan van betekenissen van woorden. Ik doe daar zelf regelmatig ook hard aan mee. Dat laatste is in discussies bijna onvermijdelijk. Maar het is goed om ons dat regelmatig te realiseren en ons af te vragen of we het nog over echte problemen hebben of alléén nog maar over woorden.

Al in de TIE (§§ 88 en 89) is Spinoza scherp en behoorlijk negatief over woorden: die zijn niet anders dan tekenen van dingen zoals ze in de verbeelding bestaan en niet zoals ze in het verstand zijn. Spinoza is een nominalist en voor nominalisten zijn woorden onbelangrijk. Woorden zijn producten van de verbeelding.

Hierover heeft hij het ook op diverse plaatsen in de Ethica. Ik noem zo dadelijk een aantal plaatsen.

Nu zit ook Spinoza met een probleem: hij schrijft en gebruikt daarbij vele woorden. Van belangrijke termen van zaken die er voor hem toe doen geeft hij in de Ethica definities. Maar daarbij en bij de axioma’s, stellingen, bewijzen of uitleg, bij toelichtingen en uitwijdingen (scholia e.d.) gebruikt hij andere woorden die hij bekend veronderstelt. Soms is hij negatief over woorden voor abstracte begrippen, b.v. de ‘algemene begrippen’, die wat hem betreft niets kunnen betekenen of hooguit uiting zijn van verwarde ideeën, maar hij gebruikt ze zelf soms ook.

Begripsvorming

In het eerste scholium bij stelling 40 van deel II van de Ethica, geeft hij een uiteenzetting over begripsvorming. Daarin veronderstelt hij de notie ‘secundaire begrippen’ bekend. Wel legt hij er het ontstaan van ‘transcendentale begrippen’ als ‘zijnde’, ‘ding’, ‘iets’ uit, zonder toe te lichten waarom die ‘transcendentaal’ genoemd worden – hij veronderstelt dat bekend. Hij legt een duidelijke relatie met de (beperkte) mogelijkheden van het lichaam om beelden te onderscheiden waardoor we in de praktijk maar volstaan met deze vage weinig-zeggende noties. Net zo gaat het bij de algemene begrippen (notiones universales). Het bestaan van universalia verwerpt hij. Paard, mens e.d. zijn zulke algemene begrippen, maar “de mens denkt” is een begrip dat valt onder de notiones communes (zie dit blog) die iedereen op dezelfde manier vormt.

Hij schrijft over de algemene begrippen: Men moet opmerken dat niet iedereen deze begrippen op dezelfde manier vormt – ieder doet het naar de gesteldheid van zijn eigen lichaam. “Het is daarom niet verwonderlijk dat er tussen de filosofen, die de dingen in de natuur hebben willen verklaren met behulp van hun beelden alleen, zoveel meningsverschillen bestaan.” [II P 40 s]

In het tweede scholium bij dezelfde stelling bespreekt hij de drie kensoorten. En ook daar schaart hij de woorden onder de eerste kensoort, ofwel de verbeelding.

Ook al zijn de notiones universales lege begrippen, producten van de verbeelding, toch maakt hij er soms gebruik van. Zo zijn bijvoorbeeld wil en verstand slechts zulke universele begrippen, maar hij gebruik ze zelf ook – en van intellect geeft hij zelfs een definitie (en het oneindige intellect vervult in zijn stelsel een enorme betekenis; daar hoop ik ooit nog eens meer over te schrijven).

In het voorwoord op het vierde deel laat hij zien hoe we algemene begrippen vormen, als waren het voorbeelden voor dingen. Ook daar de conclusie dat woorden van de verbeelding zijn. Hij probeert er de ‘oorspronkelijke betekenis’ van woorden te achterhalen (prima fuisse horum vocabulorum significatio) – iets van etymologie lijkt hij dus zinvol te achten.

 

Afwijkend woordgebruik

In de lijst definities van de affecten in het derde deel zegt hij bij de nrs. 19 en 20 (genegenheid en verontwaardiging): “ik weet dat deze woorden in de dagelijkse taal iets anders betekenen. Het is echter niet mijn bedoeling de betekenis van woorden, maar de natuur der dingen te beschrijven. De woorden waarmee ik hen aanduid, gebruik ik in een niet geheel en al ongewone betekenis. Laat het voldoende zijn een keer deze opmerking gemaakt te hebben.”

Hij is dus niet van plan om ons steeds te waarschuwen en we moeten het dus maar goed in onze oren knopen. Maar al kort daarop, in de uitleg bij nr. 23 (afgunst) geeft hij alweer aan dat hij de definitie van het daaropvolgende, medelijden, geeft, “in strijd met de gangbare betekenis van het woord.”

 

Te onderscheiden: beelden, woorden en ideeën

In het lange scholium bij stelling II P 49 waar hij het ontstaan van fouten nader toelicht, beveelt hij de lezer aan om goed onderscheid te maken tussen een idee, oftewel (sive) een begrip van de geest, en beelden (imagines) die we hebben, alsmede tussen ideeën en de woorden waarmee we dingen aanduiden. Velen halen namelijk drie dingen volledig door elkaar: beelden, woorden en ideeën – of ze onderscheiden ze niet nauwkeurig en voorzichtig genoeg.

Welnu iemand die de natuur van denken (dat wat denken is) in acht neemt (en dus weet dat dat niets met uitgebreidheid van doen heeft) zal helder inzien dat een idee niet in een beeld of in woorden bestaat. De laatste immers, woorden en beelden, bestaan enkel uit lichamelijke bewegingen die in het geheel geen begrip van het denken met zich meebrengen.

 

We kúnnen niet alle gebruikte woorden goed definiëren.

Karl Popper schrijft: "nauwkeurige begrippen bestaan doodgewoon niet. [..] Frege heeft hier over een andere opvatting. Want hij schrijft: 'Een definitie van een begrip... moet ondubbelzinnig van ieder object aangeven of het wel of niet onder dat begrip valt... Om een metafoor te gebruiken kunnen we zeggen: het begrip moet scherp omlijnd zijn.' Maar het is duidelijk dat we, als we dit soort absolute nauwkeurigheid eisen van de definitie van een begrip, dan dezelfde absolute precisie moeten eisen van de definiërende termen. Maar dat is onmogelijk. Want óf onze primitieve termen hebben een traditionele betekenis, die nooit erg precies is, óf ze worden ingevoerd met behulp van 'impliciete definities'  - dat wil zeggen, de begrippen worden gedefinieerd door de wijze waarop ze in de context van een theorie worden gebruikt. Als begrippen nieuw ingevoerd moeten worden, is deze laatste manier van invoeren de beste. Maar het maakt wel dat de betekenis van de begrippen afhangt van de theorie en de meeste theorieën kunnen op meer dan één manier geïnterpreteerd worden. Dientengevolge zijn alle impliciet gedefinieerde begrippen en ook alle begrippen die met behulp van deze begrippen expliciet gedefinieerd worden, niet alleen 'vaag' maar systematisch dubbelzinnig." [In: Autobiografie, Aula, 1978, p. 37].

Enige voorbeelden van niet door Spinoza gedefinieerde termen

Idee wordt gedefinieerd, maar ideatum niet. We hebben daar volgens mij geen goed Nederlands equivalent voor. Het is duidelijk dat ideatum voor datgene staat waarvan het idee het idee is. Maar of dat dan slaat op het object, de inhoud van het idee in het verstand, of op het object buiten het verstand, moet uit het gebruik blijken. [De uitleg bij I Def 4 en II P 5 lijken op het laatste te wijzen].

Wel attribuut i.h.a., maar geen attribuut afzonderlijk wordt gedefinieerd. Wat denken, resp. wat uitgebreidheid is wordt bekend verondersteld, resp. moet duidelijk worden uit het gebruik. En zo wordt duidelijk dat niet alleen ideeën vormen, kennen en begrijpen, maar ook begeerte, liefde enz. voor Spinoza modi van denken zijn (cf I P 31d)

De term natuur wordt niet gedefinieerd, maar wel zeer vaak gebruikt. Dan blijkt deze term door Spinoza op tenminste vijf verschillende manieren te worden gebruikt. Daarover schrijf ik een volgend blog.

Wat te doen?

Spinoza is zich op een of andere manier hier ook van bewust. Daarom stelt hij voor om

[a] Goed op zijn definities te letten. [moet nog even opzoeken waar hij dat schrijft] 

[b] Hem langzaam en goed te volgen en

[c] pas na het lezen van het geheel een oordeel te vellen.  [II P 11 s]

Ook Spinoza houdt zich goed voor ogen dat de door hem gebruikte woorden pas naar begrippen wijzen voor degenen die met hem meegaan, hem begrijpen en die alles dus in de context van het geheel lezen – en voor wie uiteindelijk de gebruikte woorden er niet meer echt toe doen.

Ik voeg hier de aanbeveling aan toe dat het nuttig is

[d] woordenboeken over het Latijn uit Spinoza’s tijd te gebruiken

[e] kennis te nemen van filosofische onderscheidingen en benaderingen die Spinoza mogelijk hebben beïnvloed, of die voor hem wellicht als idées reçues golden. [Daarom zijn de vele noten die Henri Krop bij zijn Ethica-vertaling biedt uiterst waardevol]

Reacties

Woorden zijn complexe figuren op papier (evt. een tv/pc-scherm) ofwel geluid producerende bewegingen van onderdelen ons lichaam via bewerking van luschtstromen, die krachtens gebruik een bepaalde betekenis hebben (significationem ex usu habent, TTP7). Zien of horen wij woorden, dan resulteert dat in een kleine wijziging in onze hersenen, die Spinoza 'imago' noemt, en die wij ons bewust zijn in een 'imaginatio' (= verbeelding). Zulke ideejen zijn perse duister en onwaar. Ook het lezen of horen van Spinoza's definities levert inadequate kennis op. Woorden fungeren wel als 'monumenten' (Plato) die ons doen denken aan de kennis die we al hebben , 'aanprickelingen'( incitamenta, L. Meyer), die de ziel doet reflecteren op haar bezit. Maar steeds geldt: die adequate kennis van de ziel is ONUITSPREEKBAAR. Je kunt er wel wat over praten maar nooit 100% precies. En juist omdat wij altijd zo gebrekkig in woorden uitdrukking geven aan onze wezenlijke inzichten (bv. omtrent ons gedetermineerd zijn), komen wij met elkaar in conflikt: 'dum sibi contradicunt (omdat men zichzelf tregenspreekt), geraken mensen in controversen. Wat ik (wk) zeg, wordt door een ander NOODZAKELIJKERWIJS anders opgevat, omdat hij in een andere traditie staat en steeds een enikgszins andere betekenis hecht aan de gebruikte woorden. Zie daarover Spinoza's boezemvriend , P. Balling, HET LICHT OP DE KANDELAAR, die het haarfijn uit de doeken doet. Van deze originele en paradoxale Amsterdamse taalkunde (Balling, Van den Enden, Spinoza, Meyer) schijnen maar weinig mensen enig besef te hebben.

Een reactie Wim Klever waardig (niet cynisch bedoeld).

Beste Wim, een glasheldere uiteenzetting over hoe woorden van verbeelding zijn gemaakt. Je bijdrage lijkt tot een sombere conclusie te moeten leiden: namelijk nooit elkaar goed kunnen vertstaan, nooit elkaar wederzijds begrijpen. Toch heb ik de illusie (?) dat ik je bijdrage én begrijp én waardeer.
Als Balling, Van den Enden, Spinoza, Meyer en Klever niet zouden geloven in het nut van kennisverspreiding en de mogelijkheid van verstandhouding, zouden ze toch helemaal hun mond houden en alles als onbegonnen werk gedetermineerd blauw-blauw laten.

[De symbolische] Buddha, met zo'n grote wijsheidsknobbel op zijn eerbiedwaardige hoofd, kon het klaar krijgen om te zwijgen. Wij zijn zo ver niet; wij kunnen ons niet inhouden. Overigens zijn gebrekkige verbale ''aanwijzingen' in de trant van de Ethica niet nutteloos, Zij stimuleren ons om in onszelf te keren en te gaan beseffen dat woorden (ingevoerd door mensen die volledig aan de verbeelding ten prooi waren) ook altijd onterechte tegenstellingen inhouden die ons op een verkeerd been zetten. Dit soort bezinning kan ons helpen de aan woorden gekoppelde verbeeldingen te overstijgen naar de intuitie dsat ze allemaal niets waard zijn: en te genieten van HET (Substantie) als NIETS van dit en en van dat, maar alles; en van onszelf als niets bijzonders, als eeuwig. Genoeg hierover op het einde van deze mooie lentedag.