Breviarium Spinozanum: Atheismus

Breviarium betekent 'kort overzicht van’. Breviarium Spinozanum betekent dan: kort overzicht van het Spinozisme. Heel af en toe zal ik trachten onder deze titel een kort overzicht van een Spinozistisch onderwerp te geven. Vandaag dus over Spinoza en het atheïsme.

Was Spinoza atheïst? Ik herinner me een discussie tussen Steven Nadler en Herman De Dijn in 2008 in de Amsterdamse Westerkerk, waarbij de eerste de positie innam dat Spinoza duidelijk een atheïst was, hetgeen de tweede bestreed. Zoals meestal geldt: het is maar hoe je het bekijkt – wat ‘atheïsme’ voor de spreker betekent. Ikzelf neigde eerder (dat blijkt uit vroegere blogs) naar de opvatting dat - alles wel beschouwd - Spinoza atheïst was. Hoe meer ik mij in Spinoza verdiep en oude, door opvoeding etc. aangeleerde zienswijzen afleer, hoe minder ik nog geneigd ben Spinoza als atheïst te zien - dat is niet in overeenstemming met zijn filosofie.

Eén ding is zeker: Spinoza is zeer dikwijls voor atheïst uitgemaakt. Zozeer zelfs - dat blijkt heel duidelijk uit de boeken van Jonathan Israel - dat gedurende enige eeuwen ‘spinozisme’ gelijk stond aan ‘goddeloosheid’ of ‘atheïsme.’ Toen men eenmaal doorhad (en dat gebeurde vrij snel) dat de God van Spinoza niets weg had van de God van de Bijbel, van de God van Abraham, Isaac en Jacob, zoals bijvoorbeeld Pascal het lekker pathetisch kon zeggen, dan was voor de aanhangers van die God Spinoza heel duidelijk een ongodist.

Maar Spinoza zelf moest niets hebben van die duiding. (Ik gebruik in het volgende de vertalingen van F. Akkerman).

In de brief die hij omstreeks 1 oktober 1665 aan Oldenburg schreef (Brief 30) legde hij uit wat hem met de TTP voor ogen stond. Als tweede motief vermeldt hij: “De mening die het gewone volk over mij koestert, dat niet ophoudt mij van atheïsme te beschuldigen; ik voel mij gedrongen ook die gedachte af te wenden zoveel als mogelijk is.” [2. Opinio, quam vulgus de me habet, qui me atheismi insimulare non cessat: eam quoque averruncare, quoad fieri potest, cogor.]

Nu kun je nog menen dat hij dat misschien uit voorzichtigheid (caute) deed: het was immers gevaarlijk om als ongodist bekend te staan.

Maar als je dan de TTP, gepubliceerd in 1670, leest valt op hoe ’n hekel Spinoza aan ‘atheïsme’ heeft. In Hoofdstuk 2 over de profeten schrijft hij: “En ach, het is helaas reeds zover gekomen dat mensen die openlijk toegeven dat ze geen begrip van God hebben en hem niet anders kennen dan via geschapen dingen (waarvan zij de oorzaken niet weten), zich niet schamen filosofen van atheïsme te beschuldigen.” [Et, proh dolor! res eo jam pervenit, ut, qui aperte fatentur, se Dei ideam non habere, & Deum non nisi per res creatas (quarum causas ignorant) cognoscere, non erubescant Philosophos Atheismi accusare]. Dit zijn toch niet bepaald de woorden van iemand die in z’n schulp gekropen is. Het zijn strijdbare woorden van iemand die niet als atheïst gezien wenst te worden. Het is een van de vele passages in de TTP waarin Spinoza iets bloot gaf van zijn filosofie die hij systematisch in de Ethica onderbracht. Hij ging zelfs verder en durfde het in zekere zin aan om diegenen die in de antropomorfe God en diens wonderen geloofden van atheïsme te beschuldigen. In Hoofdstuk 6 § 9 is een van zijn argumenten tegen de neiging om ogenschijnlijke afwijkingen van het natuurlijke als wonder te zien, dat dit “ons juist aan alles kan doen twijfelen” en “ons tot atheïsme brengen”. Hij zegt keurig ‘ons’ maar het is duidelijk wie hij aanwijst. [Si quid igitur in natura fieret, quod ex ipsius legibus non sequeretur, id necessario ordini, quem Deus in aeternum per leges naturae universales in natura statuit, repugnaret, adeoque id contra naturam ejusque leges esset, & consequenter ejus fides nos de omnibus dubitare faceret, & ad Atheismum duceret.]

Maar het allerduidelijkst en zelfs emotioneel geladen klinkt zijn verzet tegen de beschuldiging van atheïsme door in de brief aan Jacob Ostens die een antwoord was op de brief van de Utrechtse Lambertus van Velthuysen (brief 42) die eindigde met: “Ik meen dus dat ik niet ver bezijden de waarheid ben en dat ik de auteur geen onrecht doe, wanneer ik hem ervan beschuldig dat hij met bedekte en loze argumenten het pure atheïsme predikt.” [Arbitror itaque me non magnopere à vero aberrasse, neque Auctori à me injuriam fieri, si denunciem eum tectis, & fucatis argumentis merum Atheismum docere.]

Daarvoor had Van Velthuysen als samenvatting van zijn exposé (in § 28) aan Ostens geschreven: “Ziedaar, hooggeachte heer, in het kort een samenvatting van de leer die mijns inziens de gehele eredienst en religie opheft en totaal omverwerpt en heimelijk het atheïsme invoert, of althans zich een God voorstelt voor wiens majesteit de mensen geen eerbied hoeven te hebben, omdat hijzelf aan het noodlot is onderworpen, zodat er in het geheel geen ruimte overblijft voor goddelijke bestiering en voorzienigheid en iedere toekenning van straf en beloning wordt opgeheven.” [Habes hîc, Vir Ornatissime, per compendium tibi traditam summam doctrinae Theologi-politici, quae meo judicio omnem cultum & religionem tollit, atque funditùs subvertit, clam Atheismum introducit, aut talem Deum fingit, cujus Numinis reverentiâ non est quod homines tangantur, quia ipse fato subjicitur, neque ullus gubernationi aut providentiae divinae locus relinquitur, omnisque poenarum atque praemiorum distributio tollitur.]

Daarop schrijft de gestoken en diep geraakte Spinoza in februari 1671 aan Jacob Ostens (brief 43): “Eerst zegt hij dat het van weinig belang is te weten tot welk volk ik behoor of wat voor leven ik leid. Als hij dit echter wel geweten had, zou hij niet zo gemakkelijk tot de overtuiging gekomen zijn dat ik het atheïsme predik. Atheïsten streven immers gewoonlijk bovenmate naar eer en rijkdom, die ik altijd versmaad heb zoals allen weten die mij kennen.” [Primò ait, parùm interesse scire cujus gentis ego sim, aut quod vitae institutum sequar. Quod sanè si novisset, non tam facilè sibi persuasisset, me Atheismum docere. Solent enim Athei honores, & divitias supra modum quaerere, quas ego simper contempsi, ut omnes, qui me nôrunt, sciunt.]

Vaak wordt beweerd dat dit het is, dit beeld van atheïsten als mensen die er maar van-god-los-op-losleven, waar Spinoza zich vooral tegen verzet – dat hij niet als hedonist of losbol bekend wil staan. Maar zo is het niet. Spinoza gaat veel verder en nadat hij hierover nog meer gezegd heeft, gaat hij daarna, in § 4, in op het zwaardere inhoudelijke aspect van het atheïsme-begrip: “Maar dit laat ik nu maar even rusten en ik ga over tot de bewijsvoering waarmee hij wil aantonen dat ik met bedekte en loze argumenten het atheïsme predik.” [Sed haec mitto, & ad ejus deductionem, quâ ostendere vult, me tectis, & fucatis argumentis Atheismum docere, transeo.]. Vervolgens gaat Spinoza uitgebreid op de argumenten en zijn godsvisie in. Het voert te ver om dat allemaal hier te citeren. Ik raad diegenen die echt wil weten hoe Spinoza zelf erover dacht om van atheïsme beschuldigd te worden, deze brief te lezen. De inhoudelijke tekst eindigt met: “Ziedaar, waarde vriend, hoever die man van de waarheid is afgedwaald. Toch geef ik toe dat hij niet mij maar vooral zichzelf onrecht doet, wanneer hij zich niet schaamt te verkondigen dat ik met bedekte en loze argumenten het atheïsme predik.” [En vides, amice, virum istum longè à vero aberrâsse, & nihilominùs concedo, ipsum nullam mihi; sed maximè sibi injuriam facere, quando pronunciare non erubescit, me tectis, & fucatis argumentis Atheismum docere.]

Tot slot het antwoord op de vraag: is Spinoza een atheïst?
Als onder ‘atheïst’ wordt verstaan iemand die religie verwerpt, dan is Spinoza zeker geen  atheïst. Als eronder wordt verstaan iemand van een verwerpelijke goddeloze leefwijze, dan was Spinoza zeker geen atheïst. Als het godsbegrip van de (toenmalige) protestantse gelovigen en theologen als norm wordt genomen of de Pascalse ‘God van Abraham, Isaac en Jacob’, ja, dan was Spinoza een atheïst. Als Spinoza naar de norm van zijn eigen filosofische godsbegrip (Deus sive Natura) en naar zijn eigen inzichten wordt beoordeeld, was hij bepaald geen atheïst. Andere etiketten als ‘pantheïst’ of ‘pan-en-theïst’ zijn allemaal van latere tijd en laat ik hier voor wat ze zijn.

Ik eindig met onderstaand ‘tegeltje’ dat een spreuk draagt die – voor zover ik kan nagaan - niet letterlijk van Spinoza stamt.

Reacties

Ik moet bij dit blog denken aan een paar regels uit het door jou aangeprezen (ramsj) boekje van Rebecca Goldstein(een aanprijzing die ik onderschrijf):
"Maar doorgaans werd hij gehekeld als atheïst. Hij moet oprecht ontzet geweest zijn over die beschuldiging, zij het dat zijn beeld van God wel zo uitzonderlijk en vernuftig was, dat het geen verwondering wekt dat zijn voortdurend praten over God ook ons nu misleidend voorkomt, als een oude marraanse truc om zijn onaanvaardbare opvattingen te verbergen achter dubbelzinnig formalisme. We moeten Spinoza's geschoktheid maar neme voor wat ze is en benutten om te begrijpen wat hij bedoelde met 'religie' en 'vroomheid', die hij allebei geenszins dubbelzinnig beaamt."

Henk, Spinoza gaf zeer vaak zijn eigen draai aan vele begrippen. Ik heb er in dit weblog al op diverse gewezen. Recent nog bijvoorbeeld zijn vaak en makkelijk misbegrepen "bene agere, et laetari." Maar een maraan is hijzelf nooit geweest. Toepassen van "oude marraanse trucs" kan niet zijn eigen ervaring zijn geweest. Ik heb grote bewondering voor Rebecca Goldstein, maar hier schuift ze ten onrechte iets in Spinoza's schoenen.

Je hebt een mooie uiteenzetting gegeven, Stan, over de vraag, in hoeverre of in welke zin Spinoza een 'atheist' kan worden genoemd. Je had ook nog mooi kunnen verwijzen naar brief 73, waarin Spinozaa de latere Oldenburg, die hem aanwreef in dat opzicht HEEL ANDERS te denken dan de NIEUWE Christenen, van repliek dient. "Ik stel immers dat god de immanente oorzaaka van allle dingen is, niet de transeunte oorzaak. Ik beweer met Paulus en wellicht met alle antieke filosofen (doch op andere wijze) dat alles in god is en in god beweegt; ik durf zelfs te zeggen: 'met alle oude Hebreeen". Zijn 'praktisch atheisme' waarmee je begint (n.a.v. brief 42 in 43) had je even zo goed kunnen illustreren met zijn verwerping van de houding van de auteur van HOMO POLITICUS in brief 44: "hij verwerpt alle religie". Volkomen in het verlengde van dit echte atheisme-begrip van Spinoza wil Locke dan ook in zijn EPISTOLA DE TOLERANTIA atheisten uitgesloten zien van de staat. Zoals uit de context blijkt bedoelt hij daarmee eigenlijk 'anarchisten', die zich aan geen enkele wet of gebod houden, in de trant van die 'homo politicus' van brief 44 van Spinoza. (Zie mijn JOHN LOCKE, 2010, p. 88). Op dezelfde manier opereert Mandeville in zijn FEREE THOUGHTS ON RELIGION, CHURCH AND NATIONAL HAPPINESS (1720). 'Speculatieve atheisten' kunnen volgens hem alleen maar 'quasi' bestaan; zijn eigenlijk onmogelijk. De samenleving heeft er geen hinder van. 'Practische atheisten' zijn er genoeg en die zijn allesbehalve een onschuldig element in de samenleving. Omdat zij veel onheil veroorzaken en de gemeenschap ontwrichten, dient de overheid er tegen op te treden. Zie mijn MANDEVILLE. CYNISCH ESSAYIST OP BASIS VAN SPINOZA'S ETHICA, 2010, p. 48.

Stan, toch is de zienswijze van Rebecca Goldstein er een die mij wel aanspreekt. Spinoza kan onmogelijk echt verbaasd zijn geweest dat hij als een atheïst werd gekwalificeerd. Dat wil niet zeggen dat hij zichzelf als een atheïst ervoer. Hij had een andere God. En dat hij veelvuldig en voortdurend over God spreekt kan heel goed gezien worden als een poging om zijn onaanvaardbare opvattingen te verbergen. Dat is een "marraanse truc", de maranen waren ook gedwongen tot dubbelzinnigheid. Ze moesten ook 'doen voorkomen of'. Ik vind dat een heel aannemelijke en voor de hand liggende interpretatie.
Maar dat mag ons niet afleiden van het belangrijkste: 'dat hij "religie"en "vroomheid" geenszins dubbelzinnig beaamt'.

Henk, ik kan me goed voorstellen dat Rebecca Goldstein je aanspreekt (dat doet ze mij ook, zoals je weet) en ik ben het ook met je eens dat Spinoza heel goed wist dat hij als atheïst zou worden gekwalificeerd. Juist daarom was hij zo voorzichtig, hoewel hij gemeend moet hebben dat hij zijn zienswijze met de TTP voor deskundigen (die Latijn lazen) duidelijk zou kunnen maken, zodat er op een wetenschappelijke, filosofische manier over te praten zou zijn. Maar met de zienswijze dat hij met "veelvuldig en voortdurend over God" spreken een rookgordijn legde of met stroop smeerde om in een betere reuk te komen staan, ben ik het niet eens. Dat acht ik uiterst ongeloofwaardig, temeer daar precies de wijze waarop hij over God schreef hem juist verweten en aangewreven werd. Nee, die hypothese gaat in mijn ogen niet op. Het geven van andere betekenis aan begrippen is bij Spinoza juist geen 'dubbelzinnigheid'. Hij doet her en daar wel aan spot, maar niet of nauwelijks aan ironie: het een zeggen, maar het ander bedoelen. Hij houdt juist van duidelijkheid en precisie en geeft daarom zoveel definities, ook in de TTP. Nee, Spinoza wil juist goed begrepen worden en doet daarom niet aan "marraanse trucs". En nogmaals, hij is zelf nooit maraan geweest. Hij zal bij oudere joden om hem heen misschien iets van het marraanse gemerkt hebben, maar zal er zelf niet in zijn opgevoed. Nee, ik vind het weinig vruchtbaar om Spinoza vanuit de marraanse hypothese te benaderen.