Boudewijn Büch (1948 - 2002) [2] een roman met Spinoza als onhaalbaar ideaalbeeld op de achtergrond

Salamander 1986Hoe ik ook in het vorige en komende blogs afding op Büchs vermeende fascinatie met Spinoza, in zijn debuutroman, De blauwe salon (1981), moet ik toegeven, zijn er interessante verwijzingen naar Spinoza. Maar die zullen alleen worden genoten door wie reeds op de hoogte zijn met Spinoza’s filosofie. Ik zie dit als een werkelijk fraaie Spinozistische roman. Waarbij auteur en hoofdpersoon in Spinoza een ideaalbeeld zien, een idool, waarnaar in hun geval niet kan worden geleefd.

Het hoofdpersonage worstelt met de bij Spinoza gelezen levensweg, maar is door zijn ervaringen geprogrammeerd om te zwak te staan tegenover de eisen van de Rede. Hij wil wel, maar kan niet; en het is zelfs de vraag wat hij écht wil. Maar is het een wonder? Zijn vader die hem het Spinoza-ideaal voorhield, was ook degene die incest met hem had. Raak dan maar eens niet verknoopt. Hierin is de roman op z’n kortst samengevat. Een samenvatting die ik nog nergens zo ben tegengekomen.

De volledige titel van deze eerste roman van Boudewijn Büch, die toen al door publicatie van gedichten en essays naam had gemaakt als auteur, luidt: De blauwe salon. Berichten omtrent leven en wedervaren van een jongeman. In het licht gegeven door Lothar G. Mantoua.

Het boek bezorgde de auteur indertijd weinig succes. Het werd door velen niet begrepen. Het werd met z’n archaïsch taalgebruik en te ingewikkeld (over-)geconstrueerde vorm, als chaotisch en mislukt beschouwd.

De in mijn ogen vernuftig vertelde roman geeft de biografie van een hoofdpersonage, dat ver voorbij de helft van het boek Benedictus blijkt te heten (een eerste identificatie met Spinoza), wiens ellendige levensontwikkeling wordt beschreven, waarbij gepoogd wordt het hoe en waarom der wederwaardigheden te analyseren en te verklaren. Ik moet zeggen dat ik zowel van de gedragen, afstandelijke taal en de eigenlijk onmogelijke ingewikkelde, maar schitterende compositie zeer wel kon genieten. Ik las het in één ruk geboeid uit. Er zijn heel wat instanties: de auteur, de in de wij-vorm schrijvende bezorger-verteller, dan ook nog een biograaf die bezig is met het leven van de jongeman die later dus Benedictus blijkt te heten; we krijgen de vereenzelviging eerst van de biograaf en de hoofdpersoon, en na diens mysterieuze verdwijnen ook nog eens de vereenzelviging met de bezorger – alles schuift ineen.

Het boek opent met als motto* de eerste zin van de Verhandeling over de verbetering van het verstand van Benedictus de Spinoza. Diens naam wordt wel, het boek niet vermeld.  

Nadat de ervaring mij geleerd had, dat al wat zo in het gewone leven voorkomt ijdel en nietig is, en ik inzag dat alles waarvoor en wat ik vreesde niets goeds noch kwaads bevatte, tenzij alleen voor zoover mijn gemoed er door bewogen werd, besloot ik eindelijk te onderzoeken of er ook iets bestond dat een waarachtig goed was, dat men deelachtig zou kunnen worden en waardoor alleen, met verwerping van al het overige, de ziel kon worden vervuld; kortom, of er iets bestond waardoor ik, wanneer ik het gevonden en bereikt had, een gestadige en hoogste blijheid eeuwiglijk zou genieten.
                                                                              
Benedictus de Spinoza

Het verhaal begint bij de tienjarige knaap die naar een door nonnen geleid krankzinnigeninternaat in Brabant wordt gestuurd, zoals later zal blijken vanwege de incestueuze relatie die zijn vader met hem had. Die door een oorlogstrauma getekende vader speelt een belangrijke rol in de roman. Om zijn joods-zijn moest hij in 1939 uit Polen wegvluchten. Later intussen rooms-katholiek geworden, sticht hij in Zuid-Holland een gezin. Benedictus wordt zonder dat zijn ouders hem er ooit bezochten, na een jaar als ‘ongeneeslijk’ uit de inrichting ontslagen. Weer thuis krijgt hij buikvliesontsteking en moet voor een jaar in het ziekenhuis verblijven. Daarop wordt hij voor het eerst verliefd op een buurmeisje ‘met een jongenslichaam’. In zijn puberjaren heeft hij vele korte liefdes met meisjes en jongens, die alle op mislukking uitlopen. Hij verlaat zijn ouderlijk huis, gaat studeren, krijgt een kortdurende relatie met zijn voormalige talenlerares, die daarna zwanger blijkt te zijn. Benedictus wenst dat zij abortus pleegt, maar zij laat het zoontje geboren worden. De jonge vader weigert het kind te echten, maar bezoekt het wel regelmatig en raakt er dol op. Door het alcoholisme van de moeder verzorgt zij het kind slecht, waarop Benedictus de jongen elders onderbrengt. Intussen heeft Benedictus weer allerlei liefdesrelaties. Nadat het kind toch weer aan de moeder werd toevertrouwd, raakte het ernstig ziek en belandde in een ziekenhuis, waar het wekenlang in coma ligt. Tenslotte wordt besloten de medische apparatuur uit te schakelen. Het vijf jaar oude jongetje overlijdt.

Tussendoor vernemen we dat de hoofdpersoon bezig zegt te zijn met een filosofie, welke die van Spinoza moet zijn. Hier en daar in de tekst zijn er inderdaad reminiscenties naar Spinoza. Bijvoorbeeld op blz. 16 (ik gebruik de Salamanderuitgave van 1986; de herdruk die pas vijf jaar na het dubuut verscheen): “Maar daar afgunst haat is voorzover deze de mens ertoe brengt zich over eens anders geluk te bedroeven…” We herkennen hier Ethica IIIP24s in de Van Suchtelen-vertaling.

In een terugblik op z’n vroege angsten en onrust die hij als kind toeschreef “aan slechte slaap, het gemis aan goede huisvesting of andere licht verklaarbare onbenulligheden. Onbenulligheden, die hij – wijsgeworden – als zodanig ging beschouwen nadat hem de lectuur van een aanzienlijk wijsgeer had geleerd dat – wil men wijs en zichzelf worden – rijkdom, eer en zingenot moeten worden afgelegd.”(p. 27) We herkennen uiteraard de TIE van het motto.

Maar hij verloor zichzelf jarenlang in roesgewoonten. Die gaven hem de kans om te verdringen waarvoor hij oneindig bang moest zijn: “het uiteindelijk toch onontkoombare lot dat in een redelijke geest geen ervaring onverwerkt kan blijven.”(p. 27)

We vernemen later (p. 118-19) de bekentenis dat de biograaf zelf de beschreven hoofdpersoon is, maar hadden dienaangaande al lang hints gehad, zoals op p. 28: “Inmiddels echter tot zelfkennis gekomen, zocht hij zijn papieren, dagboeken en herinneringen bijeen en besloot – nadat het leven hem al het voorafgaande had geleerd – alle feiten bijeen te voegen tot een literair kunstwerk, omdat hij meende dat schoonheid gelegen is in iedere ontroering en hij zichzelf misschien zou kunnen verklaren middels de taal.” Dat literaire kunstwerk heeft de lezer dus in handen.

“Zou hij ooit kunnen afrekenen met de Inrichting en al haar vreselijkheid als hem helder werd waarom alles zich zo toegedragen had?”(p. 61) We zien hier de Ethica-belofte.

Heel fraai komt op meerdere plaatsen het probleem naar voren van weten welke weg of wat je zou moeten kiezen, maar niet in staat zijn je leven anders te leiden.
“Een grote zwakheid van hem echter was dat hij er niet in slaagde te leven naar de wijsgerige opvatting die hij voor hoog hield en die derhalve ook vele malen door hem werd aangeprezen.” (p. 105, ook 107). En ook: “Wij vermoeden dat de jongeman zich te zeer en te vaak heeft laten leiden door de onontkoombaarheid van zijn tragiek. Had het hem af en toe niet aan daadkracht ontbroken, dan had zijn leven waarschijnlijk al veel vroeger een gunstige wending kunnen nemen.” (p. 117)

Singel Pocket 1989Benedictus voelde zich voortdurend schuldig. “Zijn beduidendste psychische kenmerk was echter zijn schuldgevoel!”(p. 143). Maar “Zijn geest was voortdurend bedacht op het verbeteren van zijn eigen verstand of gedrag.”(p144) Meestentijds echter had hij het zoeken naar kennis willen combineren met het zoeken van lust. Hij had het animale in zijn menszijn de voorrang gegeven, maar op den duur kreeg hij ook afkeer van zichzelf en zon derhalve op mogelijkheden om zijn geest te bevrijden van alle voosheid.” Het is op daadkracht dat het aankomt, niet op hoge of hogere gedachten, wist hij.

In een briefje dat B. achterliet na zijn verdwijning staat: “Omdat de ervaring mij uiteindelijk níets heeft geleerd en zelfs mijn eigen levensbericht lijdt onder warhoofdigheid, sla ik de onbekende weg in van de anonimiteit.” (p. 165) Het is dan allang duidelijk dat de hoofdpersoon ook in de bezorger van het verhaal verenigd is. Een werkelijk schitterend spel van schijn en werkelijkheid, van onhaalbaar ideaal en werkelijk leven.

Volgt nog een slotdeel met ‘documenten’, waarin wordt meegedeeld dat Benedictus toen hij nog een kind was al met Spinoza in aanraking was gekomen. Diens boeken in de boekenkast van zijn vader vormden zijn eerste studie, lezend zonder te begrijpen. Zijn vader wees hem tijdens fietstochten bij Rijnsburg altijd: “daar woont Spinoza… (maar nooit verder: hoe hij daar de oorlog mee was doorgekomen, hoe slecht ook hij de theorie thuis kon toepassen…). (p. 173). Hij brengt zijn vriendin Bernadette tot het lezen van Spinoza. En we lezen:

“- Vannacht heb ik over Spinoza gedroomd. O ja, hoe zag hij eruit, hoe precies? Nou, liefste het is gek om te zeggen, maar hij leek, geloof ik, erg op mij. Alleen, hij dééd het beter. Dan had de ervaring hem zeker meer geleerd. Haha!”(p. 180)

Kortom, het boek heeft als diepe onderlaag het verlangen te voldoen aan de filosofie van de als idool gekozen Spinoza, hetgeen als je er niet écht voor kiest (of althans voor in de wieg bent gelegd) volkomen mislukt. Je kunt allerlei ideeën wensen en idealen hebben, maar als het je niet consequent lukt daadwerkelijk (en daadkrachtig) het juiste leven te leiden en je probeert het ene te verzoenen met het andere (in dit geval met alle lustbeleving) leidt dit slechts tot ondraaglijk schuldgevoel.
Een mooie omgekeerde illustratie van de Ethica en de voorbeeldige TIE.

*) Er is een boekverslag op scholieren.com dat stelt dat het boek geen motto heeft. Je kunt er dus kennelijk overheen lezen.

 

Bekijk de afbeelding op ware grootteVoor een foto van Boudewijn Büch bij de buste van Spinoza in de tuin van het Spinozahuis te Rijnsburg, op 10 juni 1981 gemaakt door Klaas Koppe: zie foto's van Klaas Koppe [Dit plaatje werd door Google verzameld - wat Google niet verboden wordt, kan ook mij niet verboden worden...]

PS. Het hele zelfaangedane drama van Büchs verzonnen vaderschap en dood van zijn niet bestaande kind (zie hier in Vrij Nederland), heb ik uiteraard buiten deze bespreking gehouden. En ook neem ik geen uitspraak voor mijn rekening zoals van P.F. Thomése die in een interview gezegd zou hebben "met terugwerkende kracht bewondering te hebben gekregen voor het werk van Boudewijn Büch, dat veel minder anekdotisch persoonlijk was en veel méér ontsprongen was aan de verbeelding dan eenieder voor mogelijk had gehouden." [Zie hier