Boudewijn Büch (1948 - 2002) [1] Koketteren met Spinoza

Dit weblog heb ik even laten rusten, daar ik op zoek ben gegaan naar Boudewijn Büchs interesse in, zelfs zijn soms zo genoemde ‘fascinatie’ voor Spinoza. De aanleiding was een verwijzing die ik een paar dagen geleden aantrof op Frank Mertens’ website over Franciscus van den Enden naar het boek van Harry Prick, Uit de schrijfcassette van Lodewijk van Deyssel. De pagina’s waarop iets over Van den Enden te vinden zouden zijn stonden erbij vermeld ( p. 118-122). Ik heb het boek uit de bibliotheek opgehaald en het betreffende stukje gelezen.

Inmiddels kan ik deze verwijzing op de vermelde website niet meer vinden. De webmaster heeft wellicht intussen ook ontdekt dat op die bladzijden helemaal niets over Van den Enden te vinden is en zal de verwijzing daarom weer hebben verwijderd. De tekst gaat over Spinoza. Wel staat er twee keer iets over Van Eeden; dus wellicht heeft iemand daar Van den Enden in gelezen.

Het stukje over Spinoza was geschreven door Boudewijn Büch en dit werd voor mij wel aanleiding om eens verder na te zoeken hoe het met die fascinatie van Boudewijn Büch voor Spinoza zat. Ik kom daar in een of meer volgende blogs op terug.

Het blijkt in dat stukje Uit de schrijfcassette van Lodewijk van Deyssel te gaan om een commentaartekst die Boudewijn Büch schreef bij een nooit verzonden brief die Lodewijk van Deyssel (K.J.L. Alberdingk Thijm) had geschreven aan dr. Tjebbo Franken over het onderwerp verlegenheid - een uitvoerig commentaar op die brief, nr IV in een reeks van “Zes nooit verzonden brieven” die Harry Prick en Boudewijn Büch in Maatstaf van april 1976 (P. 9-11) publiceerden.

In zijn commentaar beweerde Büch dat die brief als een soort “Spinoza-achtige verhandeling” kon worden gezien. Net zoals Spinoza in de “Verhandeling over de Verbetering des verstands” - de vertaling die Nico van Suchtelen in 1915 had uitgebracht zou hij gekend hebben – net zoals Spinoza dus van de ervaring had geleerd en nu op zoek ging naar of er een methode is om het hoogste goed te bereiken, zo zou ook Alberdingk Thijm van z’n ervaring hebben geleerd en zich nu eveneens in staat achten te ‘onderzoeken’. Dat laatste woord staat daar tussen aanhalingstekens alsof Alberdingk Thijm dat gebruikte, hetgeen in ’t geheel niet het geval is.

Een groteske
Het commentaarstuk is goed beschouwd een complete mystificatie, een groteske! Er is geen enkele evidentie dat de hypothese van Büch ook maar ergens op slaat. Büch imponeerde kennelijk met dit etaleren van zijn zelfbedachte ‘erudiete vondst’. Maar wie iets van Spinoza weet en brief en commentaar leest, kan zijn glimlachen moeilijk inhouden. Het commentaar slaat werkelijk nergens op.  Büch verzint maar wat - met grote inlegkunde. Dat wel. Echt grotesk.

Opdat de in Spinoza geïnteresseerde lezer dit zelf kan natrekken – niet iedereen zal het boek bij de hand hebben - ben ik zo vrij geweest het betreffende stukje op benedictusdespinoza.nl te plaatsen [website opgeheven; op 23 nov. 2015 PDF naar hier verplaatst].

Om deze aanleiding hier op deze plaats reeds geheel af te ronden: als je zijn vroegere vriend Harry G.M. Prick mag geloven, is het Büch met deze ‘analyse’ nog aardig gelukt om op zijn filosofie-examen te imponeren. Na de dood van Büch heeft Prick een boek geschreven: “Een andere Boudewijn Büch. Terugblik op een vriendschap. (Aspekt, Soesterberg, 2005 - het boek was recent in de ramsj).

Harry Prick had deze Thijm-brief laten zien aan Boudewijn Büch. Boudewijn onderkende deze brief terstond als “een Spinoza-achtige verhandeling”. Op 17 juni 1975 deed Boudewijn Büch doctoraal examen wijsbegeerte. Prick schrijft dan: “Het ‘paper’ waarop Boudewijn een en ander had vastgelegd, wist hij op de hem zeer wel vertrouwde listige wijze bij de examinator, de hooggeleerde Gabriël Nuchelmans, aan de orde te stellen.” Prick (p. 56).

In de toen nog bestaande goede samenwerking brachten Prick en Büch: “Lodewijk van Deyssel. Zes nooit verzonden brieven. Bezorgd door Harry G.M. Prick en Boudewijn Büch.” In de toelichting werd gezegd: “Brief IV wordt indringend door de tweede tekstbezorger geanalyseerd in een afzonderlijke toelichting.” [In: Maatstaf jg 24, nr 4 (april 1976), p. 9-11]

Bij de IVe brief, kwam dus een uitvoerig commentaar van Boudewijn Büch: “Qua methode is in Thijms brief sprake van een grote invloed van Spinoza, doch de toepassing wijst op Freud en vóóruit naar Wittgenstein. Zo komen het logische pantheïsme van Spinoza, het psycho-analytische van Freud en het latere filosofisch grammaticale van Wittgenstein samen in Lodewijk van Deyssel.” Enfin, leest u hier zelf.

 

Reacties

'Koketteren met Spinoza' is niet de juiste karakteristiek voor Buch's intensieve belangstelling voor Spinoza, van wie hij ook heel wat oude drukken bezat. Hij is voornamelijk op dat spoor gekomen door zijn bewondering voor en kennis van Goethe. Ooit had hij ook het plan om een documentaire over Spinoza te maken en kwam hij te dien einde met regisseur en cameraman bij mij terecht ( op de kamer waar jij, Stan, ook te gast was) en heeft hij hier geluidsopnamen gemaakt van een gesprek over Spinoza en een stukje film gedraaid. Dat moet ongeveer een jaar voor zijn dood zijn geweest. Vermoedelijk resteert er nog wat van in zijn nalatenschap of bij de Vara. Of het gebruikswaarde heeft is natuurlijk een andere vraag in ieder geval is het naar mijn weten nooit uitgezonden. Ik herinner mij dat hem opviel dat ik nogal veel boeken van en over het Buddhisme in mijn kast had staan en hij daarover verbaasd enkele vragen stelde!

Wim, bedankt voor je reactie. Op dat 'koketteren' kom ik nog terug in een volgend blog, net als op die documentaire, waarvan een deel op DVD is uitgebracht. Leuk te horen dat hij toen ook bij jou langs is geweest. Het komt aan de orde - ik heb meerdere blogs gepland.