Bij wie huurde Spinoza zijn kamer aan de Stille Veerkade in Den Haag?

Colerus schreef in zijn Leven van Spinoza (1705) dat Spinoza toen hij naar Den Haag verhuisde introk bij de weduwe van Velen. De Franse vertaler van Colerus maakte daar de weduwe van Velden van. En die vertaling was makkelijker vindbaar en werd ’t meest geciteerd, dus geruime tijd woonde Spinoza bij weduwe Van Velden. Tot in 1871 ene heer Frederiks in de Hollandsche Spectator verslag deed van zijn onderzoek, waarbij hem bleek dat Spinoza van de weduwe van de Werve huurde. Deze nieuwe informatie kon op de valreep door Johannes van Vloten worden overgenomen in Bijlage II op blz. 262 van de tweede vermeerderde herdruk van zijn Benedictus de Spinoza, naar leven en werken, waarin in de tekst zelf nog sprake was van de Wed. Van Velden op de Veerkaai. In die bijlage kon hij wereldkundig maken dat het verbeterd diende te worden en dat het om de weduwe Van de Werve ging. [Ik neem deze bijlage op aan het eind van dit blog op]. Ook K.O. Meinsma nam in Spinoza en zijn Kring (1896) op blz. 327 het gegeven op dat Spinoza kost en inwoning vond “bij de bedaagde weduwe van den advocaat Willem van de Werve, die van zich zelve Johanna van Dobben heette en uit Rotterdam afkomstig was. In hare woning op de Stille Veerkade – tegenwoordig No. 12 – had hij eene boven-achterkamer betrokken, waar hij werkte, studeerde en sliep.”

Enfin, sindsdien is het als vaststaand feit aangenomen: bij de weduwe Van de Werve.

Maar volgens dr. Willem Meijer was Van der Werve een advocaat die een paar huizen oostelijker dan Spinoza woonde. Zo is te lezen in een artikel van zijn hand dat in 1902 in Die Haghe, Jaarboek van de Geschiedkundige Vereniging Die Haghe verscheen (p. 207-217). Hij kon de geschiedenis van het huis waar Colerus in had gewoond nagaan vanaf 1654 tot 1901 en zo laten zien dat het niet om het huis van Van de Werve ging. Hij gaat er vanuit dat Colerus er niet naast zat en dat het toch om een weduwe Van Velen, Van Vhelen of van Veelen kon zijn gegaan.

Ik vraag mij af of dit stuk van de in het algemeen toch nauwkeurige Meijer wel voldoende is opgemerkt. Mij was het niet bekend, toen ik het vandaag aangeboden kreeg van de heer Ruud Bosscher, die erop stuitte toen hij in het Haags Gemeentearchief naspeuringen deed i.v.m. een studie over Voorburg rond 1672 waaraan hij werkt.

Graag maak ik van de gelegenheid gebruik het artikeltje van W. Meijer als PDF verder te verspreiden. Ik denk dat we Meijer wat dit betreft serieus kunnen nemen en de weduwe Van de Werve maar beter kunnen vergeten. Ben benieuwd of Rik Wassenaar (cf. blog) en/of Jeroen van de Ven en/of Frank Mertens hier nog enig licht op kunnen laten schijnen. 

___________________

Aanvulling 

Vanmiddag 10 mei om16:20 uur ontving ik van Frank Mertens de volgende informatieve e-mail over het in dit blog aangeroerde onderwerp:

Beste Stan,

Op dat artikel van Meijer ben ik een hele poos geleden ook gestoten en ik heb toen een en ander proberen uit te zoeken. P. van Eeghen bespreekt in een artikel uitgebreid de familie ‘Van Vhelen’ (P. van Eeghen, ‘Geldgebrek en genealogie, De Nederlandsche Leeuw, 75 (1958), cols. 295-307). Hij beweert daarin dat Aertgen van Ommeren de weduwe was die een kamer aan Spinoza verhuurde (col. 297), maar in de daaropvolgende zin beweert hij dat ze overleed in 1659, waardoor zij uiteraard niet de relevante weduwe kan zijn. Bovendien is er geen aanwijzing dat haar echtgenoot ooit als advocaat actief was: van 1610 tot 1619 was hij een ‘kamerling’ te Culemborg en later was hij herbergier in Den Haag (maar vanzelfsprekend dient hierbij bemerkt te worden dat het idee dat ze de weduwe van een advocaat was via Frederiks, Van Vloten en Meinsma verspreid werd en wellicht verder niet ter zake doet).

Het lijkt dus voor de hand te liggen dat Cornelia du Pont (1640-1724) de weduwe is die door Colerus vermeldt wordt, en toevallig was ook haar echtgenoot, Hendrik van Vhelen (1630-1726), als advocaat werkzaam in Den Haag. Zo eenvoudig is het echter niet want zij overleed immers voor haar echtgenoot, dus kan ze nooit zijn weduwe geweest zijn. De conclusie dringt zich dus op, als de gegevens die Van Eeghen verstrekt althans correct blijken te zijn, dat zowel Aertgen van Ommeren als Cornelia du Pont afgeschreven moeten worden als kandidaten.

Wel kan ik nog een laatste mogelijkheid toevoegen, namelijk dat ‘Van Velen’ niet de naam was van haar overleden echtgenoot, maar haar eigen familienaam. Het was in die periode namelijk niet gebruikelijk (hoewel het soms wel gebeurde) dat een vrouw de achternaam van haar echtgenoot overnam. In dat geval komt bijvoorbeeld Catharina van Velen (1637-1712) in het vizier: ze was een dochter van Jan van Velen en Aertgen van Ommeren en ze was op 13 november 1657 in Den Haag gehuwd met Johan van Tongeren (°1631), die eveneens een advocatenpraktijk had in Den Haag.

Het blijft voorlopig dus een raadsel wie de weduwe is waarover Colerus schrijft. Het bovenstaande is volledig gebaseerd op het artikel van Van Eeghen en dit alles moet dus zeker nog onderzocht worden in het Haagse archief (dat helaas digitaal niet erg goed ontsloten is) en eventueel ook in andere archieven. Verder onderzoek naar de eigenaar, Johan van der Cloot, en naar het echtpaar Van Tongeren-Van Velen zou eventueel nog iets aan het licht kunnen brengen. Als de uitgebreide beschrijving van de opeenvolgende eigenaren van het huis op de Veerkade in Meijers artikel echter niet aangevuld kan worden met informatie uit andere bronnen, dan vrees ik echter dat het onmogelijk zal blijken te zijn de identiteit van de weduwe met zekerheid vast te stellen.

Hartelijke groet,

Frank Mertens

 

Reacties

Dank voor deze tip Stan. En natuurlijk ook dank aan Ruud Bosscher! Ik had al ondervonden dat het zinvol is om de literatuur te checken. Soms geven vergeten oudere artikelen inderdaad interessante hints voor nieuw onderzoek. Dit artikel van Meijer is me vooralsnog ontgaan. Ik ga ermee aan de gang.

Ervan uitgaande dat Colerus vermelding dat Spinoza's eerste Haagse huisbazin weduwe was, correct is, kan ik o.g.v. documenten in het NA en het HGA de beide door Meijer voorgestelde weduwen' als kandidaten afvoeren. Aertgen van Ommeren, echtgenote van Jan van Vhelen overleed namelijk in 1659. Hendrik van Vhelen, echtgenoot van Cornelia du Pont sterft pas in 1726. Deze familie Van Vhelen (ook: Veele, Veelen) komt overigens uit Wijk bij Duurstede, alwaar de genoemde Hendrik ook burgemeester was. Ik zoek door, maar zal de lezers van dit blog verder niet vermoeien met details ;-)

Informatieve mail van Frank Mertens aan het blog toegevoegd.

Het belangrijkste acht ik dat vastgesteld kan worden dat er geen enkele aanleiding is om de wijziging die de heer Frederiks aanbracht op de informatie van Colerus (overgenomen door Van Vloten en Meinsma) nog langer gevolgd wordt. Weten wie de hospita niet was is van dezelfde orde van belangrijkheid als weten wie het wel was.

Korte reactie op Frank's mail: wij kunnen de door Meijer genoemde dames niet alleen schrappen o.g.v. een artikel van Van Eeghen, maar ook o.g.v. documenten in het NA en het NGA, zo heb ik vandaag geconstateerd. En inderdaad, het echtpaar Catharina van Vhelen - Johan van Tongeren was mij ook opgevallen. In het HGA bevinden zich nogal wat documenten omtrent dit echtpaar die ik zal raadplegen. Hetzelfde geldt voor het echtpaar Johan van der Cloot - Digna van Leeuwen. Wordt vervolgd...

Ik viel Stan met Meyer lastig omdat ik graag wat meer wilde weten over het tijdstip waarop Spinoza bij Tijdeman uit Voorburg vertrok en naar Den Haag ging. Daar worden wisselende tijdstippen voor genoemd tussen 1669 en 1671. Dus op de website van het Haags Gemeentearchief simpelweg ‘Veerkade' en 'Spinoza' ingetikt en dan kom je in het 'hits' menu van het archief o.a. bij Die Haghe terecht en vandaar bij Meyer. En dan stuit je op die weduwenproblematiek. Wat zijn nu enkele opties?

1. Colerus zit er naast wanneer hij meent in hetzelfde huis te wonen waarin Spinoza woonde. Want in de geschiedenis van het huis wordt de periode 1654 tot 1703 geheel gevuld door de familie (in wat voor samenstelling dan ook) Van der Cloot. En die komt in het weduwenverhaal niet voor.

2. Colerus zit er niet naast. Dat de familie Van der Cloot het huis bezat en in het weduwenverhaal niet voorkomt, hoeft niet zoveel te betekenen, want als eigenaren van die woning kunnen ze het best verhuurd hebben aan een weduwe Van Velen, die Spinoza onderdak bood, en er al weer uit was toen Colerus er in trok. Het doet mij denken aan Spinoza's onderkomen in Voorburg. In de Kercklaen woonde hij in bij Tijdeman, die het op zijn beurt weer huurde van een eigenaar die elders in Voorburg woonde.

3. Meyer kan niet definitief traceren om welke Van Velen het zou gaan, maar de door hem genoemde kandidaten kunnen het volgens Rik niet zijn. Om de naam van Van Velen toch in de lucht te houden (Colerus noemt het zo tussen neus en lippen door dat het bijna niet onwaar kan zijn; maar 'bijna' is niet helemaal), zouden we Meyers kandidatenlijstje moeten uitbreiden met een nieuwe kandidaat Van Velen. Ik zie dat ook Frank Mertens die mogelijkheid openhoudt via Catharina van Velen, als weduwe (?) van Van Tongeren. Opmerkelijk is natuurlijk dat Spinoza in die lijn wel als huurder wordt genoemd, maar dan van de moeder van Catharina, die het vanwege de eeuwige jachtvelden echter niet kan zijn. Moeder-dochter verhaspeling?

4. Of Spinoza zat toch bij de weduwe Van der Werve zoals Frederiks stelde? vraag ik maar brutaal. In dat geval zit Colerus er weer wel naast. In ieder geval is die naam aan de Veerkaai wel bekend maar wordt voor zover ik zie niet aan een nadere beschouwing onderworpen. Een paar huizen verder, zoals Meyer zelf schrijft.

Maar Rik heeft aangekondigd dat hij in de archieven dingen heeft gezien waar we nog even naar moeten raden, waardoor die laatste optie ook in de prullebak kan. Dat roept tevens de vraag op wat Frederiks dan bij het inzien van “verschillende kohieren in ‘t Haagsch gemeente-archief” gezien kan hebben, waarna hij, laten we maar aannemen te goeder trouw, met Van der Werve op de proppen kwam.

Tot slot nog een woord van excuus voor de tutoyering. In deze blog lijkt iedereen elkaar te kennen, dus doe ik maar vrolijk mee.

Beste Ruud en overige discussianten. Ik heb de indruk dat wij stap voor stap verder komen in deze kwestie, maar het is m.i. nog te vroeg voor voldoende onderbouwde conclusies, aangezien er verschillende aannames in het spel zijn en alle bronnen nog niet zijn gecheckt.

Ruud, mij interesseert deze kwestie om dezelfde reden als die jij noemt, maar dan vanuit het omgekeerde (Haagse) perspectief. Begrijp ik het goed dat er nu meerdere mensen tegelijk bezig zijn met onderzoek naar Spinoza’s Voorburgse verblijf? Ik neem aan dat je Kees van der Leer’s recente publicatie kent (zie ook eerder artikel op dit blog)?

Inmiddels heb ik een aannemelijke terminus post quem gevonden voor Spinoza’s verhuizing naar de Paviljoensgracht. En wel, in de vorm van de boedelinventaris van een vorige kamerbewoner op dit adres. Tenminste, als wij ervan uitgaan (1) dat er maar een kamerbewoner tegelijkertijd op dit adres heeft ingewoond (hetgeen aannemelijk lijkt gezien de omvang van het huis en de omvang van het gezin Van der Spijck) en (2) dat er in de periode tussen het overlijden van de genoemde kamerbewoner en het tijdstip dat Spinoza hier introk niet nog een derde, voorshands onbekende kamerbewoner onderdak heeft gevonden. Dit laatste lijkt mij echter niet aannemelijk, onder meer omdat bij het opmaken van de boedelinventaris van de genoemde kamerbewoner een persoon als getuige present was, die niet alleen behoorde tot de kennissenkring van de Van der Spijck’s, maar gedurende de hieraan voorafgaande jaren ook ook tot die van Spinoza. Deze persoon zou dus best als tussenpersoon en tipgever voor de vrijgekomen kamer gefungeerd kunnen hebben. Hierdoor lijkt het aannemelijk dat Spinoza de volgende kamerbewoner was.

Om de verwarring weer wat te vergroten: in de boedelinventaris van de vorige kamerbewoner aan de Paviljoensgracht trof ik een post aan voor kostgeld aan ‘de weduwe van de Velde’ (de naam van Spinoza’s eerste Haagse huisbazin, die kennelijk voor het eerste in de Franse vertaling van Colerus verscheen)... Doch dit hoeft natuurlijk niets te betekenen.

Enkele opmerkingen bij Ruud’s punten.

1. De kans dat Colerus zich op dit punt vergist, lijkt mij klein, aangezien hij volgens eigen zeggen veel van dergelijke feitelijke informatie heeft ingewonnen van personen die Spinoza bij leven hebben gekend. Een vergissing op dit specifieke punt lijkt mij bovendien wel heel merkwaardig.

2. Inderdaad. Ook Van der Spyck was - in ieder geval gedurende de tijd dat Spinoza bij hem inwoonde - huurder van het huis aan de Paviljoensgracht (het eigendom was in handen van zijn vader).

3. Ten eerste: ik moet een voorbehoud maken, aangezien de sterftejaren die ik in het NA vond nog onvoldoende hard zijn (nog niet gecheckt in DTB’s) om tot definitieve afschrijving van beide dames van Vhelen te komen. Bovendien wil ik nog een aantal documenten m.b.t. deze personen in het HGA raadplegen. Overigens zie ik w.b. Colerus‘ aanduiding ‘weduwe‘ nog een andere optie: mogelijk was de kamerverhuurster ten tijde van Colerus’ onderdak weduwe, maar nog niet tijdens het verblijf van Spinoza. Maar ook in dit geval lijken de beide dames Van Vhelen - afgaande op de nu beschikbare bronnen - niet in aanmerking te komen, aangezien de eerste toen al was overleden en de echtgenoot van Cornelia du Pont (met wie zij in 1659 was gehuwd) pas in 1726 overleed. Een moeder/dochter verhaspeling zou mogelijk kunnen zijn, waarbij ik wel wil opmerken dat mijn ervaring afwijkt van hetgeen Frank Mertens oppert: ik heb namelijk evidente voorbeelden in aktes aangetroffen waarbij de geslachtsnaam in de aanduiding ‘weduwe van Vhelen’ betrekking had op de geslachtsnaam van de echtgenoot. Of er een algemeen gebruik gold op dit punt, weet ik niet.

4. Inderdaad nog een punt om te checken.

Kortom, voorlopig staat alles nog op losse schroeven en is er nog lekker veel werk aan de winkel.

Beste Rik,

Goed dat er op deze manier wat reuring ontstaat rond deze vooralsnog onopgeloste kwestie. Zo kan er misschien toch wat meer helderheid ontstaan (zowel over wie het niet als wel kan zijn).

Inderdaad, ik denk ook niet dat Colerus zich vergist. Hij zal de naam Van Velen gehoord hebben, volgens Meyer verbasterd tot Van Velden in de Franse vertaling van Colerus' biografie. Dat er in die boedelinventaris van de kamerbewoner aan de Paviljoensgracht nog een post (een schuld neem ik aan) voorkomt over kostgeld aan de weduwe Van de Velde is wel apart. Zou die kamerbewoner dan eerst aan de Veerkade gewoond hebben en nog een schuld aan die Van Velen/Velden open hebben staan? Je zegt dat het niets te betekenen hoeft te hebben, maar het moet natuurlijk wel iets betekenen. Raadselachtig.

Ja, ik ken het oeuvre van Kees van der Leer over de geschiedenis van Voorburg. Ik ken ook zijn bewering dat Spinoza/Tijdeman op Kercklaen (Kerkstraat) 37-39 hebben gewoond. Sterker nog, in een boekje voor de Hist. Ver. Voorburg waaraan ik samen met mijn kompaan Fabian van Boheemen werk over activiteiten in en om Voorburg rond het Rampjaar 1672, deden we wat aan Who is Who en stuitten uiteraard ook op Daniel Tijdeman. Via het kohier van het haardstedegeld 1665 en 1666 van Voorburg kwamen we niet alleen Tijdeman als huurder tegen, maar ook diens huisbaas, schoenmaker Cornelis Cornelisz Eversteijn. Dat hebben we ter kennis gebracht aan Kees die het oppikte en vervolgens op basis van zijn archief en 'diverse kohieren' (à la Frederiks) uitkomt bij het huis dat te traceren viel. Maar eerlijk gezegd, wachten we nog met enig ongeduld op de bewijsvoering. Naar verluidt, wordt daaraan gewerkt.

Reuring is inderdaad leuk en stimulerend.

In de boedelinventaris (1670) van de vorige kamerbewoner staat vermeld: ‘Noch in contante penningen gevonden vijfftich silveren ducatons ofte 47 glds.’ En hiernaast in de marge: ‘dese 47 glds sijn aen weduwe vande velden op reeck. van t’costgelt gegeven’. Het lijkt m.i. dus te gaan om een post van achterstallig kostgeld. Maar inderdaad vreemd. Woonde deze man nog maar zo kort bij Van der Spijck dat hij het kostgeld aan zijn vorige huisbaas nog niet had voldaan? En wie was die weduwe van de Velde? Komt de beroemde Elsje van Houweningen (gest. 1681), weduwe van de advocaat Willem van (de) Velde dan toch weer in beeld, zij het niet in connectie met Spinoza? Waar zij woonde, weet ik nog niet. Wist je trouwens dat deze Elsje nogal beroemd was?

N.a.v. Kees’ opmerking over Spinoza’s verhuizing binnen Voorburg heb ik prettig met hem gemaild. Hij gaf aan dat dit nog allerminst zeker is en dat hij de zaak verder onderzoekt.