Bewustzijn geeft mogelijkheid om onze belangen beter en 'vrij' te behartigen

De reactie van de heer Herman Kolk, auteur van Bewustzijn. Van filosofie naar hersenwetenschap, [Boom, 2008] op het blog over Victor Lamme's boek, is voor mij aanleiding iets over Kolk's  boek te zeggen en daarbij tevens in te gaan op die reactie. Ik vind het best wel een eer dat hij op dit weblog alvast zijn recensie laat zien van het boek van Victor Lamme, De Vrije wil bestaat niet. Over wie er echt de baas is in het brein, die in het tijdschrift De Psycholoog gaat verschijnen.

Het boek Bewustzijn. Van filosofie naar hersenwetenschap [Boom, Meppel, 2008] had ik al eerder in handen gehad, maar daarover indertijd niets op dit weblog gemeld. Ik heb al eens aangegeven dat ik niet kan ingaan op elk boek dat geen aandacht geeft aan Spinoza, terwijl daar best aanleiding voor zou zijn – daar zou ik meer dan een dagtaak aan hebben. Van een boek met deze titel en dit onderwerp, waarin uitdrukkelijk de wortels die de psychologie in de filosofie heeft, worden geschetst, zou je meer Spinoza verwachten. Daarover zo dadelijk verder. Eerst nu over het boek.

Het is een vervolg op en verdere uitwerking van Kolk's eerdere boek Actief en passief bewustzijn. Korte voorgeschiedenis van de cognitieve psychologie [Donker, Rotterdam, 1994]. In die termen - actief en passief – vatte hij kort de twee hoofdstromingen over het denken over bewustzijn samen: die welke het accent legde op het passieve ontstaan van bewustzijn vanuit de omgeving, gevormd door zintuiglijke ervaring; tegenover de rationalistische filosofie als die van Descartes en Kant, die bewustzijn als een actieve handeling zien. Er wordt immers ook gekozen, geoordeeld en geredeneerd. Volgens deze laatste visie is het bewustzijn maar ten dele gevormd door zintuiglijke ervaring en zijn belangrijke aspecten ervan aangeboren. 

De auteur heeft als inzet om te laten zien dat een synthese mogelijk is tussen de actieve en passieve benaderingen van bewustzijn en dat dus die klassieke tegenstelling zou kunnen worden opgeheven. Eén centrale vraag komt daartoe naar voren: “Hoe kan het dat wij enerzijds een klankbord zijn van de omgeving en op elke verandering daarin reageren, maar anderzijds ons gedrag kunnen bijsturen als het gedrag dat de omgeving in ons oproept niet dienstig is aan onze belangen?” [p. 188]

Na het eerste hoofdstuk waarin dit onderscheid wordt geschetst, telt het boek 12 hoofdstukken, onderverdeeld in de delen: Filosofie, Bewustzijnspsychologie, Gedragspsychologie en Cognitieve psychologie en cognitieve neurowetenschap. Het is echt een leerboek dat het grote voordeel biedt dat het uit de gigantische hoeveelheid literatuur de grote ontwikkelingslijnen schetst. Het is duidelijk merkbaar dat de auteur jarenlang colleges ‘geschiedenis van de psychologie’ aan grote groepen eerstejaarsstudenten heeft gegeven. Plezierig is dat hij telkens weer teruggrijpt op concepten die hij in de eerste hoofdstukken schetste en bij latere opkomende takken van psychologische wetenschap laat zien hoe hierin de vroegere filosofische benaderingen te herkennen zijn. Interessant is mee te maken hoe, m.n. in het behaviorisme eerst geprobeerd wordt om elk denken, bewustzijn en elke subjectiviteit uit te bannen, maar hoe via experimenten vervolgens werd aangetoond dat toch ook ideeën of ‘cognitieve mappen’ van invloed blijken, waarna vanaf de 60-iger jaren de cognitieve psychologie en de 80-iger jaren de cognitieve neurowetenschappen opkwamen. Maar deze laatsten lijken weer overwegend terug te gaan naar de automatische, onbewuste processen op het niveau van onze hersenen, die geschieden buiten ons bewuste ‘Ik’ omdat ze sturing van zo’n ‘Ik’ niet nodig lijken te hebben.

Voortdurend is aan de orde hoeveel bewustzijn en vooral hoeveel keuze en ‘vrijwilligheid’ er aan ons gedrag te pas komt: hoeveel invloed heeft de geest of is er alleen maar activiteit van de brains? En: is er vrije wil? Interessant is een uitspraak uit de Würzburgse denkpsychologie: “one does one’s thinking before one knows what to think about.” Het merendeel van de processen heeft onbewust plaats en betreft reactie op de omgeving. Daartegenover benadrukte de intentionalistische stroming van Brentano de actieve betrokkenheid op de omgeving vanuit eigen belangen. We hebben doelen, onderscheiden waarden en kiezen voor dingen die voor ons van belang zijn. Voor William James is ‘selectieve aandacht’ de belangrijkste eigenschap van het bewustzijn. We zitten, vanuit de evolutie gevormd, zo in elkaar dat ons bewustzijn neigt naar dat te selecteren wat nuttig is voor ons overleven. Dat doet overigens niet een ‘Ik’, er is niet een instantie die selecteert of kiest, maar dat overlevend bewustzijn is een autonoom proces. Met aandacht geven aan bepaalde ideeën kunnen we echter wel tot dit overleven bijdragen. Opvallend is dat James dan toch nog over een ‘psychologie van de wil’ spreekt, maar het gaat dan niet meer over de ‘klassieke’ onveroor­zaakte vrije wil: er zijn oorzaken voor het ‘gewild gedrag’ waarvoor geen aparte wilsuiting of ‘fiat’ nodig is. Vrijheid interpreteert James als “vrij om te doen wat in je belang is”.

Bewuste, gerapporteerde intenties worden soms pas achteraf geconstrueerd, omdat de precieze oorzaak van ons gedrag meestal verborgen blijft voor ons. We kunnen achteraf behoorlijk  rationaliseren. Maar intentionaliteit is ook realiseerbaar in een puur fysisch systeem dat door omgevingsstimulatie wordt aangedreven.

Het proces van ‘executieve controle’ zorgt dat ‘we’ (onze hersenen) via ‘selectieve aandacht’ selecties maken die dienstig zijn aan onze belangen. Hoe wij de wereld waarnemen wordt niet uitsluitend bepaald door eigenschappen van de wereld, maar ook door de betrokkenheid van de waarnemer die belangen heeft. Vrijwillig gedrag is gedrag dat door onze belangen gestuurd wordt en dat kan volkomen automatisch, zonder fiat van een ‘Ik’ tot stand komen.

Het volstrekt cartesiaans opgezette onderzoek van Libet, zoals al blijkt uit de manier waarop er over wordt gesproken, ondervindt uiteraard kritiek. Ik voeg daar de mijne aan toe. Er wordt een onderscheid aangebracht tussen de proefpersoon, zijn lichaam en zijn brein (waarin een ‘bereidheidspotentiaal’ een indicatie is dat een beweging wordt voorbereid). Libet wilde onderzoeken wanneer proefpersonen beslissingen namen om een beweging met de vinger uit te voeren en het bleek “dat we later lijken te beslissen dan onze hersenen.” De beslissing om de vinger te bewegen werd 300 miliseconden later gerapporteerd dan de bereidheidspotentiaal werd gemeten die verklapte dat de beweging werd ingezet; ‘dus’ is de vrije wil een illusie. Die conclusie klopt wel, maar de onderzoekspremissen kloppen niet: een dualistisch scherp onderscheid maken tussen een ‘Ik’ en zijn lichaam, terwijl die proefpersoon een mens is dat één geheel is.

Opvallend is dat Kolk met gebruikmaking van William James en ondanks de automatische processen waar ook James op kwam, toch een zekere ruimte voor de vrije wil tracht te schetsen. Maar het gaat dan niet meer om de onveroorzaakte ‘vrije wil’ à la Descartes en Kant, maar om gedrag dat door onze belangen gestuurd wordt en zo in dienst staat van ons overleven en dat hoewel het in het algemeen volkomen automatisch, zonder fiat van een ‘Ik’ tot stand kan komen, toch als vrij gedrag wordt gedefinieerd. Soms namelijk kan door aandacht te geven en voorstellingen op te roepen (of te verbeelden) invloed op de keuze van het brein worden uitgeoefend. Niet door, zoals Descartes dacht, mentale processen (via de pijnappelklier), maar doordat vestgelegde structuren in het brein via voorstellingen geactiveerd worden en zo hun werk kunnen doen. Er is geen (onveroorzaakte) ‘vrije wil’, maar wel ruime voor bijsturen en richting geven, als ik Kolk goed begrepen heb.

En Spinoza?
Aan Spinoza wordt slechts één zin gewijd in een paragraaf die een titel heeft die al niet bij Spinoza past: “Parallellisme: geest en lichaam staan los van elkaar”. In het tweede hoofdstuk, Lichaam en geest, behandelt de auteur drie verschillende benaderingen van de relatie van lichaam en geest: het interactionisme, ook wel dualisme genoemd (het gaat daar over Descartes benadering), het psychofysisch parallellisme (in die paragraaf wordt Spinoza genoemd, maar het gaat over de benadering van Leibniz) en tenslotte het materialisme (de benadering van De la Mettrie, Turing e.a.).

In de paragraaf “Parallellisme” lezen we: “De opvatting dat geest en lichaam elk realiteit bezitten maar dat er geen interactie tussen beide is, is al heel oud. Spinoza bijvoorbeeld, een belangrijke filosoof uit de zeventiende eeuw, was er aanhanger van, en ook de zeventiende-eeuwse geleerde Leibniz.” Dat was alles over Spinoza! Verder gaat het over Leibniz. Het was Leibniz die de term ‘parallellisme’ uitvond voor het ‘gelijkopgaan’ van de gescheiden lichamelijke en geestelijke processen, voor de onbegrijpelijke harmonie waarvan hij de door God van alle eeuwigheid voorbestemde harmonie uitdacht. Met deze benadering en deze term, ‘parallellisme’, wordt Spinoza niet treffend weergegeven. Voor Spinoza hebben lichaam en geest inderdaad hun volstrekt eigen, andere, verschillende realiteit, maar geen apart ontologisch zijn. Ontologisch bestaan er alleen de substantie en de modi ervan: de dingen die nu eens onder het gezichtspunt van uitgebreidheid (lichamelijkheid), dan weer onder dat van denken (geest) beschouwd kunnen worden. Tussen die wezenseigenschappen (attributen) bestaan geen oorzakelijke betrekkingen – het uitgebreide/materiële of het ideële/geestelijke zijn aparte uitdrukkingswijzen van éénzelfde bestaand ding - aspecten of uitdrukkingswijzen die niet op elkaar invloed kunnen uitoefenen. Geest kan ‘t lichamelijke niet beïnvloeden, lichamelijke processen veroorzaken geen geestelijke gevolgen. Er heeft in werkelijkheid één proces plaats dat lichamelijk, resp. mentaal kan worden gevoeld, bekeken, gekend. Iets ‘mentaals-op-zich’ (zonder lichamelijk object of ‘ideatum’) of iets lichamelijks-op-zich (zonder idee ervan) bestaat niet.

Met een nogal dualistisch geformuleerde vraagstelling zoals in dit boek op meerdere plaatsen geformuleerd valt Spinoza buiten de boot: “Moeten we de ‘uiteindelijke oorzaken’ (van gedrag) zoeken in het psychische of in het fysische domein? Anders gezegd: kunnen we ermee volstaan een bepaald gedrag te verklaren door te verwijzen naar psychische processen zoals ‘denken’, ‘willen’, of ‘vrezen’? Of schuilt er achter elke psychische oorzaak uiteindelijk een fysische oorzaak, een neurofysiologisch proces bijvoorbeeld? Omgekeerd: kan gedrag alleen een fysische oorzaak hebben, of moet er altijd óók een psychische oorzaak aanwezig zijn?”(p. 23)  Een Spinozist weet dat beide ‘domeinen’ altijd samengaan en nooit zonder elkaar kunnen.

Maar bij het lezen van de teksten over William James, moest ik erg vaak denken aan het conatus-begrip bij Spinoza: de drang, het streven om in ons voortbestaan te volharden. Het drukt zelfs 'het wezen' uit van elk ding. Ook het vrijheidsbegrip à la dat van James komt ook erg overeen met dat van Spinoza: in staat zijn te doen wat tot je wezen behoort.

Wat zou ik graag de materie die Herman Kolk in dit boek brengt tevens tegen het licht van de filosofie van Spinoza gehouden zien.

Het is niet anders. Maar ik vind het toch een rijk leerboek. Heel handig zoveel literatuur over de bewustzijnsvraagstukken en het lichaam-geest-probleem behandeld te vinden. Maar toch, door alles heen proef je de in de hele cultuur, ook in de wetenschap, ingebakken door en door dualistische vraagstellingen. Het zien van het materiële en het mentale, het fysische en het psychische als aparte verschijnselen, waartussen interactie wordt verwacht [en die niet worden gezien als twee kanten van éénzelfde zaak, waarvan de een niet de ander kan beïnvloeden], zit diep ingebakken in onze cultuur – is overheersend. Dat blijkt bijvoorbeeld in de laatste zin van de parallellisme-paragraaf: “Waarschijnlijk huldigen veel onderzoekers, impliciet of expliciet, een pragmatische versie van het parallellisme, de twee-aspectenleer, waarin lichaam en geest zelfstandige systemen zijn maar waarbij in het midden wordt gelaten of en hoe er van wederzijdse beïnvloeding sprake is.“ (p. 28) Kortom niet-wederzijdse beïnvloeding wordt onbestaanbaar geacht, lijkt het.

Maar ondanks deze kanttekening, vind ik het een interessant en waardevol boek dat goede argumenten geeft waarom we überhaupt bewustzijn hebben, als het merendeel der hersenprocessen toch automatisch gebeurt. Wel, om beter te kunnen overleven. Het bewustzijn heeft een eigen functie in het overleven. De hersenen doen het meeste vanzelf, maar af en toe kunnen wij via aandacht-geven het stuur bewust even overnemen om zelf onze belangen te behartigen.

Over deze onderwerpen ging het uiteraard ook in: 

Vrije wil, bewustzijn en het brein.

Afscheidsrede door prof. dr. Herman Kolk op 2 april 2009 als hoogleraar Psychologie van de taalstoornis en hun revalidatie aan de Faculteit der Sociale Wetenschappen van de Radboud Universiteit Nijmegen [hier PDF]

Interview dat Marjan Slob met Herman Kolk had en dat in iets ingekorte vorm op 14 februari 2009 in de wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad stond [hier PDF].

 Iets over The illusion of conscious will van de Amerikaanse psycholoog Daniel Wegner [hier]

Reacties

Zeer goede samenvatting van mijn boek! Precies de juiste dingen naar voren gehaald. Dat ik Spinoza te kort doe, geloof ik onmiddellijk. Ter verontschuldiging: hij is voor filosofen uiteraard zeer belangrijk, maar psychologen hebben nooit zoveel met zijn gedachtegoed gedaan, en ik dus ook niet. Maar ik geloof evenmin als hij in een dualistische mensvisie.